GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: SXM202601300
Datum beslissing: 18 mei 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
1. [X],
wonend in Curaçao,
hierna ook: ‘ [X]’,
2. de besloten vennootschap
LMS (LEGAL & MANAGEMENT SOLUTIONS) B.V.,
gevestigd in Curaçao,
eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
hierna ook: ‘LMS’,
gemachtigde: mr. U. van Bemmelen,
tegen
[Y],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna ook: ‘[Y]’,
gemachtigden: mrs. K.A. Doekhi en P.R. Fa Si Oen,
waarin een verzoek tot voeging of tussenkomst is gedaan door
de stichting STICHTING BELANGENBEHARTIGING GEDUPEERDEN ONLINE KANSSPELEN,
gevestigd in Curaçao,
hierna ook; ‘SBGOK’,
vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [naam bestuurder].
1. Het procesverloop
De processtukken die in de procedure zijn gewisseld zijn de volgende:
het verzoekschrift strekkende tot opheffing conservatoir beslag met producties
de aanvullende productie 34 van LMS en [X]
het verzoek tot voeging of tussenkomst van SBGOK
de conclusie van antwoord van [Y] op het verzoek tot voeging of tussenkomst
de akte overlegging producties tevens eis in reconventie van [Y]
de pleitaantekeningen van [Y]
de spreekaantekeningen van [X] c.s.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, volledig online, op
4 mei 2026. Daarbij zijn partijen (vertegenwoordigd) verschenen. Zij werden bijgestaan door hun hiervoor genoemde gemachtigden, die aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen de stellingen en verweren van partijen hebben toegelicht. Tegen het einde van de zitting is de datum voor het vonnis bepaald op heden.
Op de mondelinge behandeling is tevens verschenen SBGOK die zich in de procedure wenste te voegen of tussenkomen. Op dat verzoek heeft [Y] voorafgaand aan de zitting met een conclusie van antwoord gereageerd. Direct na een (verdere) toelichting door de betrokkenen op zitting, heeft de rechter het verzoek afgewezen met een mondeling vonnis. In het vonnis is overwogen dat SBGOK geen rechtens te respecteren belang heeft bij het verzoek. De door SBGOK aangegeven reden voor haar verzoek is dat SBGOK wil dat ook de ten laste van haar gelegde beslagen worden opgeheven. Het lijkt haar praktisch dat ook zij in deze procedure, waarin [X] en LMS de opheffing van de ten laste van hen gelegde beslagen vorderen, een daarop gerichte vordering kan instellen, in plaats van dat zij daarover nog afzonderlijk moet procederen. Deze argumentatie is niet valide. De beoordeling van een mogelijke vordering tot opheffing van de ten laste van SBGOK gelegde beslagen, staat los van die van de ten laste van [X] en LMS gelegde beslagen. SBGOK kan zelf, in een afzonderlijke procedure, een vordering tot opheffing instellen. Zij heeft geen belang bij toe- of afwijzing van de vorderingen van [X] en LMS in deze procedure, anders dan een indirect of afgeleid belang dat zij als mogelijke schuldeiser van [X] en LMS heeft. Dat laatste geeft haar geen aanspraak om zich in deze procedure aan de zijde van [X] en LMS te voegen. In zijn algemeenheid kan een schuldeiser niet opkomen tegen een door een andere schuldeiser ten laste van dezelfde schuldenaar gelegd beslag. SBGOK heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan daarover in dit geval anders moet worden geoordeeld.
Het onder 1.3 vermelde moet worden beschouwd als een proces-verbaal van het uitgesproken mondelinge vonnis.
2. De feiten
Op 13 maart 2026 is aan [Y] verlof verleend tot het leggen van een aantal conservatoire beslagen ten laste van [X], LMS en SBGOK. Het gaat om een beslag ten laste van [X] op vier percelen en derdenbeslagen op bankrekeningen die ieder van [X], LMS en SBGOK (mogelijk) aanhouden bij de MCB, RBC, BdC, Orco en Vidanova Bank, alsmede om derdenbeslagen onder de stichtingen derdengelden van [X], LMS en SBGOK. De beslagen zijn gelegd door een (over)betekening op 18 maart 2026 van de daarop betrekking hebbende exploten aan respectievelijk [X], LMS en SBGOK.
De feitelijke grondslag voor de beslagen betreft een dispuut over de samenwerking die [X] en [Y] vanaf 2014 hadden voor het verlenen van bijstand aan gedupeerde spelers bij online casino’s. [X] is advocaat in Curaçao, die thans zijn praktijk uitoefent middels zijn advocatenkantoor LMS . De samenwerking hield aanvankelijk in dat [Y] gedupeerde spelers bij [X] aanbracht voor aan hen te verlenen juridische bijstand met betrekking tot de incasso van de vorderingen die zij hadden op de casino’s. [Y] deed daarvoor het administratieve voorwerk. [X] voerde de juridische procedures. De afspraak was dat [X] en [Y] ieder een gelijk deel van de met de spelers afgesproken opbrengst kregen. Partijen hebben de afspraken over hun samenwerking niet op papier gezet.
In 2019 hebben partijen in het kader van hun samenwerking SBGOK opgericht, waaraan de spelers, als onderdeel van de met hen te maken afspraken, hun vorderingen op de casino’s konden cederen. Vanuit SBGOK zouden [X] en/of LMS en [Y] ieder hun deel van de met de speler afgesproken opbrengst krijgen. In de praktijk liep dat echter anders. SBGOK zou nooit een bankrekening hebben gehad, waardoor de geïncasseerde gelden en de door spelers betaalde voorschotten op de te maken kosten via de eigen bankrekeningen van partijen liepen. Ook na de oprichting van SBGOK hebben partijen hun afspraken over de samenwerking en de rol van SBGOK daarin, niet op papier gezet.
Na verloop van tijd kwamen gedupeerde spelers niet alleen via [Y] binnen, maar ook via [X], dit mede als gevolg van een documentaire van de BBC over online casino’s, waarin [X], en [Z] als gewezen bestuurder van SBGOK figureerden. Daardoor wisten gedupeerde spelers rechtstreeks de weg naar hen te vinden.
De samenwerking tussen [X] en [Y] verliep niet vlekkeloos. Er waren discussies over de wijze waarop [Y] spelers benaderde en behandelde. Er was een discussie over een “consumer protection service” die [Y] met geaffilieerde casino’s aanbood op zijn website Game Protect, en waarmee [X] niet geassocieerd wilde worden. Ook waren er discussies over het door [Y] geleverde voorwerk. De kwaliteit daarvan was volgens [X] onder de maat, waardoor hij er zelf nog heel veel administratief werk aan had. Ook [Z], toen als bestuurder van SBGOK, was in de discussies daarover betrokken. Daarbij stond zij aan de kant van [X].
Op enig moment ontstond er een discussie over een opbrengst uit een vordering in Bitcoin. Die opbrengst stond op de rekening (wallet) van [Y]. Hij wilde het aan [X] toekomende deel daarvan niet, zoals [X] wilde, in Bitcoin aan hem betalen. De wijze waarop [Y] daarover communiceerde, en de eerdere slechte ervaringen met [Y], waren voor [X] reden om [Y] in januari 2021 te berichten dat hij mogelijk niet meer alle spelers die via hem binnenkwamen, in de samenwerking zou brengen.
Y] berichtte daarop terug dat hij het daar niet mee eens was, en dat [X] daarmee in strijd handelde met de tussen partijen gemaakte afspraken.
Vanaf januari 2021 heeft [X], overeenkomstig zijn eerdere aankondiging aan [Y], niet alle via hem binnengekomen spelers in de samenwerking gebracht. De vorderingen van spelers waarvoor het administratieve voorwerk door [Y] niet nodig was, hield hij erbuiten.
Y] heeft, met een op 20 maart 2026 gedateerd verzoekschrift, een bodemprocedure geëntameerd tegen [X], LMS en SBGOK. Daarin stelt [Y], onder verwijzing naar een aantal schermafbeeldingen met een lijst van aan SBGOK gecedeerde vorderingen, dat [X], LMS en SBGOK hem hoofdelijk EUR 8,39 miljoen zijn verschuldigd, zijnde het aan hem toekomende deel van de opbrengsten van de samenwerking.
De bedoelde schermafbeeldingen heeft [Y] gekregen van de hiervoor genoemde [Z], waarmee [X] inmiddels in conflict is geraakt. Dat conflict heeft geleid tot een juridische procedure waarin zij als bestuurder van SBGOK is geschorst, met de aanstelling van de heer [naam bestuurder] als nieuwe bestuurder.
In de ingestelde bodemprocedure vordert [Y] om [X], LMS en SBGOK hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding aan hem als gevolg van een onregelmatige en onrechtmatige opzegging van de samenwerking tussen partijen, zulks op te maken bij staat. Hij vordert dat zij hem, als een voorschot op schadevergoeding EUR 8 miljoen moeten betalen. Verder vordert hij, voor zover hier van belang, berekeningen en onderliggende bewijsstukken, onder andere bestaande uit een overzicht van aan gedupeerde spelers gefactureerde bedragen, betaalbewijzen en schikkingsovereenkomsten, vanaf 2016. Tot slot vordert hij in die procedure de ‘teruggave’ van zijn ondernemingsactiviteiten.
3. De vordering
In conventie
X] en LMS vorderen dat [Y] wordt veroordeeld om binnen 24 uur na het daartoe te wijzen vonnis alle ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen, zoals gespecificeerd in productie 2 van haar verzoekschrift, op te heffen, en daaraan een dwangsom te verbinden van Cg 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [Y] hiermee in gebreke zou blijven, met de bepaling dat het daartoe te wijzen vonnis in de plaats kan treden voor een wilsverklaring van [Y] voor het opheffen van bedoelde beslagen. Verder vorderen zij dat het [Y] wordt verboden om conservatoire beslagen ten laste van hen te leggen, en verzoeken zij daaraan een dwangsom van Cg. 100.000,00 te verbinden.
Y] voert verweer, waarop hierna, bij de beoordeling, zal worden ingegaan.
In reconventie
Y] heeft een vordering in reconventie ingesteld tot afgifte van de in zijn schriftelijke vordering in reconventie sub 11 onder a - e gespecificeerde bescheiden over de periode 1 januari 2016 tot heden, binnen 48 uur na het daartoe te wijzen vonnis. Hij verzoekt daaraan een voor [X] en LMS (ieder hoofdelijk) te verbeuren dwangsom te verbinden van Cg 100.000,00 per dag of een gedeelte daarvan dat zij daarmee in gebreke mochten blijven. Verder vordert hij dat [X] en LMS worden veroordeeld om binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis aan hem een voorschot op de vergoeding van zijn schade te betalen van
EUR 4 miljoen.
X] en LMS voeren verweer, waarop hierna bij de beoordeling zal worden ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie
Op grond van artikel 705 Rv kan de rechter in eerste aanleg die het verlof voor een conservatoir beslag heeft gegeven in kort geding het beslag op een daartoe ingestelde vordering opheffen als, voor zover hier van belang, van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt.
In het kader van de beoordeling of de vordering summierlijk ondeugdelijk is, is de mate van aannemelijkheid van de vordering van belang. Deze zal in de in een kort geding te maken belangenafweging moeten worden betrokken. In dat kader zal een evenwicht moeten worden bewaard tussen het belang van de beslagene om zonder voldoende grond te worden geconfronteerd met voortdurende blokkering van de mogelijkheid om over zijn goederen te beschikken terwijl de door de beslaglegger gepretendeerde vordering nog niet vaststaat, en het belang van de beslaglegger om vooruitlopend op vaststelling daarvan zijn mogelijkheden tot verhaal zeker te stellen. In de eerste plaats ligt het op de weg van de beslagene die opheffing vordert aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, maar niettemin zal de kortgedingrechter hierover moeten oordelen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Daarbij geldt dat in kort geding, bij gebreke van de toepasselijkheid van de regels van stelplicht en bewijslast, van beide partijen mag worden verwacht dat zij hun standpunt proberen aannemelijk te maken met de informatie en het bewijsmateriaal dat hun ter beschikking staat.
Aan de vordering waarvoor [Y] conservatoir beslag heeft gelegd, legt hij ten grondslag dat hij recht heeft op de helft van de met de spelers afgesproken opbrengst voor de incassowerkzaamheden en dat daarvan nog geen volledige afrekening heeft plaatsgevonden. In januari 2021 heeft [X] de samenwerking opgezegd, althans heeft hij vanaf dat moment niet alle bij hem ingekomen vorderingen onder de samenwerking gebracht. Daarmee heeft [X] de met hem gemaakte afspraken geschonden. De samenwerking was namelijk naar stelling van [Y] exclusief. Daar komt bij dat [X] de samenwerking niet had mogen opzeggen, althans niet zonder daarbij een opzegtermijn in acht te nemen of hem ter zake schadeloos te stellen. [X] had er ook niet met zijn bedrijfsidee vandoor mogen gaan. [Y] stelt dat hij het bedrijfsidee heeft ontwikkeld en [X] niet gerechtigd is om daarmee zonder hem verder te gaan, althans niet zonder zijn toestemming, die hij niet heeft gegeven. Voor het bedrag dat nog aan hem betaald moet worden, verwijst hij naar de schermafbeeldingen met de aan SBGOK gecedeerde vorderingen die hij van [Z], voormalig bestuurder van SBGOK, heeft gekregen.
Het verweer van [X] en LMS is dat alles wat er tot heden aan [Y] betaald moest worden, aan hem is betaald. De lijsten waarnaar [Y] verwijst ter onderbouwing van zijn vordering kloppen niet, althans kan [Y] daaraan niet de conclusies verbinden die hij daaraan verbindt. Een aantal vorderingen is al met [Y] afgerekend, een aantal vorderingen is nog niet geïncasseerd, en een aantal vorderingen valt buiten de samenwerking die inmiddels ook is beëindigd. De samenwerking was, anders dan [Y] stelt, niet exclusief. Ook [Y] bracht niet alle bij hem binnengekomen vorderingen in, terwijl [X] dat tot januari 2021 wel steeds heeft gedaan, zelfs de vorderingen waarvoor geen enkele door [Y] te leveren inhoudelijke inbreng nodig was. De samenwerking is aangegaan voor onbepaalde tijd en partijen zijn geen opzegtermijn overeengekomen. [X] heeft de samenwerking dan ook met onmiddellijke ingang mogen opzeggen, althans deels mogen opzeggen nu hij daarna nog wel een aantal vorderingen in de samenwerking heeft gebracht. Tegen de stelling dat hij er met het bedrijfsidee van [Y] vandoor zou zijn gegaan voert [X] het verweer dat hij niet anders is blijven doen dan wat hij doet als advocaat, namelijk het bijstaan van cliënten die bij hem zijn gekomen met een te incasseren vordering. Van een voor bescherming vatbaar bedrijfsidee is volgens hem geen sprake.
Uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht en verder is gebleken moet de conclusie worden getrokken dat de vorderingen van [Y] weinig aannemelijk en daarmee ondeugdelijk zijn. Er zijn geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat de samenwerking tussen partijen exclusief zou zijn geweest, zoals [Y] stelt. Integendeel, kan in dat kader worden verwezen naar de door [X] in zijn verzoekschrift onder 15 aangehaalde e-mail in een zaak waarin [Y] schreef dat “(…) claim is not anyhow related to you or the foundation and the amount is lower than EUR 5.000.” Daaruit volgt dat ook [Y] gedurende de samenwerking er kennelijk vanuit ging dat deze niet exclusief zou zijn. Voorlopig oordelend, heeft hij geen aanspraak op een vergoeding voor vorderingen die [X] niet in de samenwerking heeft gebracht.
Als anders dan hiervoor, geoordeeld zou worden dat de samenwerking wel exclusief zou zijn, dan geldt nog dat [X] deze rechtsgeldig heeft mogen opzeggen in januari 2021, zoals hij ook in een van zijn, in die tijd, aan [Y] gezonden e-mails heeft gesteld. Niet valt in te zien waarom daarvoor een opzegtermijn in acht zou moeten worden genomen. Van een benadeling van [Y] door deze opzegging lijkt geen sprake. Immers, voor de vorderingen die vanaf die tijd door [X] buiten de samenwerking werden gehouden, hoefde [Y] logischerwijs geen werkzaamheden te verrichten, terwijl het [Y] tegelijkertijd vrij stond om de bij hem binnengekomen vorderingen voor zichzelf te houden en de daarmee te behalen opbrengst volledig voor zichzelf te houden. Daarbij komt, maar gelet op het voorgaande ten overvloede, dat [Y] niet stelt welke opzegtermijn dan in acht had moeten worden genomen of wat de hoogte van een in dat verband te betalen schadevergoeding zou moeten zijn. Zijn vordering heeft hij ook op dit punt onvoldoende onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt.
Ook zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van [Y] dat hij geen volledige afrekening heeft gekregen van de vorderingen die hij en/of [X] in de samenwerking hebben gebracht. Zoals door [X] toegelicht, zijn niet alle vorderingen op de lijst succesvol afgesloten of lopen daarover nog procedures.
Bovendien is op geen enkele wijze door [Y] toegelicht hoe zijn ‘schatting’ van zijn vordering van EUR 8 miljoen in zijn verzoekschrift in de bodemprocedure, en EUR 4 miljoen in zijn beslagrekest, aansluit op de vorderingen op de schermafbeeldingen. Ook in die zin is er geen sprake van een deugdelijke, aannemelijk gemaakte, vordering.
Tot slot is er, anders dan [Y] stelt, geen sprake van het er vandoor gaan met een bedrijfsidee. [Y] heeft niet toegelicht hoe zijn ‘idee’ bescherming zou genieten of in welke zin hier sprake kan zijn van een oneerlijke handelspraktijk. Voorlopig oordelend, volgt uit de samenwerking, althans wat daarvan in deze procedure is gebleken, niet dat deze niet kan worden beëindigd en het partijen daarna niet zou zijn toegestaan ieder huns weegs gaan en te blijven doen wat zij al jaren doen en deden, in het geval van [X] het als advocaat verlenen van juridische bijstand aan partijen die daarvoor bij hem aankloppen.
Los van wat partijen daarover hebben gesteld, komt het het Gerecht voor dat als er nog iets moet worden afgerekend, mogelijk in verband met vorderingen waarvoor nog juridische procedures lopen, SBGOK daarvoor verantwoordelijk is en niet [X] en/of LMS. Immers, aan SBGOK zijn de te incasseren vorderingen van de spelers gecedeerd, en van wat haar uit hoofde daarvan toekomt, moeten [Y] en [X] en/of LMS worden betaald. Daaraan doet niet af dat deze vorderingen mogelijk feitelijk op de bankrekeningen van LMS en van [Y] werden gestort omdat SBGOK niet over een bankrekening zou beschikken. Immers, in dat geval houden LMS of [Y] deze gelden voor SBGOK, althans heeft SBGOK daarvoor een vordering op hen. Ter zake daarvan hebben LMS en [Y] geen vordering op elkaar.
Uit al het voorgaande volgt dat de beslagen moet worden opgeheven. De vorderingen van [Y] zijn onvoldoende aannemelijk geworden, waardoor haar belang om daarvoor zekerheid te verkrijgen onvoldoende is om de beslagen in stand te houden. Daarentegen is het belang van [X] en LMS bij opheffing van de beslagen groot. Het beslag op een bankrekening is doorgaans zeer ingrijpend, zeker voor een advocatenkantoor als LMS. Ook met een belangenafweging wordt de voorgaande overweging dat de beslagen moeten worden opgeheven dus niet anders.
Aan de veroordeling tot opheffing van de beslagen zal, zoals gevorderd, een dwangsom van Cg 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag worden verbonden. Ambtshalve zal daaraan een maximum van Cg 100.000,00 worden verbonden.
De vordering van [X] en LMS om verder geen beslagen meer te mogen leggen, zal worden afgewezen. Het moet tot de mogelijkheid blijven behoren om op grond van een verandering in de situatie of naar aanleiding van een mogelijke concretisering van de vordering in een later stadium, beslag te kunnen leggen. Het behoeft geen betoog dat, gelet op het bepaalde in artikel 18c Rv [Y] bij een eventueel volgend verzoek een afschrift van dit vonnis zal moeten aanhechten, waardoor een lichtvaardige toewijzing van een dergelijk verzoek kan worden voorkomen.
Y] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [X] en LMS begroot op Cg 450,00 voor het griffierecht en Cg 1.500,00 aan salaris advocaat.
In reconventie
De vordering tot het afgeven van of inzage in bescheiden ex artikel 843a Rv zal worden afgewezen bij gebreke van een spoedeisend belang daarbij. In de reeds ingestelde bodemprocedure heeft [Y] al veroordeling van [X] en LMS gevraagd om berekeningen en onderliggende bewijsstukken te overleggen, onder andere bestaande uit een overzicht van aan spelers gefactureerde bedragen, betaalbewijzen en schikkingsovereenkomsten over de periode vanaf januari 2016 tot en met heden. Niet valt in te zien dat [Y] daarnaast belang heeft om deze gegevens in de onderhavige procedure in kort geding te verkrijgen. [Y] heeft in de genoemde bodemprocedure verzocht om een schadebegroting bij staat. Als hij zijn vordering wil wijzigen in een concrete schadevordering, waarvoor hij, zoals hij in zijn verzoekschrift in die procedure heeft vermeld, zijn rechten voorbehoudt, dan vereist een goede procesorde dat hij deze gegevens in diezelfde procedure direct verzoekt - ex artikel 141 Rv - of vordert - ex artikel 843a Rv - en niet vordert als een eindbeslissing, zoals hij in die procedure heeft gedaan. Na een antwoord daarop van [X], LMS en SBGOK in die procedure en een daarin te houden comparitie van partijen dan wel door partijen te nemen conclusies van re- en dupliek kan, als daaraan wordt toegekomen, door de rechter die in die procedure over de vordering van [Y] heeft te oordelen, meer precies worden beoordeeld wat van welke partij aan stukken kan worden verlangd.
Het gevorderde voorschot op schadevergoeding zal worden afgewezen. Daarvoor volstaat een verwijzing naar hetgeen over deze vordering in conventie is overwogen.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [Y] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [X] en LMS begroot op Cg 1.500,00.
5. De beslissing
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,
In conventie
veroordeelt [Y] om binnen twee dagen na dit vonnis alle ten laste van [X] en LMS gelegde conservatoire beslagen zoals gespecificeerd in productie 2 van hun verzoekschrift op te heffen, op straffe van een dwangsom van Cg 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [Y] hiermee in gebreke blijft, dit tot een maximum van Cg 100.000,00,
bepaalt dat dit vonnis in de plaats kan treden voor de vereiste wilsverklaring van [Y] met betrekking tot het opheffen van bedoelde beslagen,
veroordeelt [Y] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [X] en LMS begroot op Cg 1.950,00,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst voor het overige de vorderingen af,
In reconventie
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [Y] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [X] en LMS begroot op Cg 1.500,00,
verklaart het bepaalde onder 5.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.