GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening
in de zaak tussen:
[naam verzoeker 1],
wonende in Curaçao,
en
[namen verzoekers 2, 3 en 4],
allen wonende in Nederland,
en
de stichting FUNDASHON PRO MONUMENTO,
gevestigd te Curaçao,
verzoekers,
gemachtigde: mr. ir. R. Rijnberg, advocaat,
tegen
de minister van Gezondheid Milieu en Natuur,
verweerder,
gemachtigden: mr. H.W. Braam, advocaat, en mr. G.N. Hollander,
met als derde-belanghebbende:
de besloten vennootschap Flamingo Ontwikkelingsmaatschappij B.V.,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mr. M.G. Woudstra en mr. R.C.M.S. van der Heide, advocaten.
Partijen worden hierna geduid als verzoekers, de minister en de ontheffinghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht de verzoeken om voorlopige voorziening gericht tegen de ontheffing voor het afbreken, afzagen of op enige andere wijze losmaken van koralen voor verplaatsing ten behoeve van een (land)uitbreidingsproject (de ontheffing).
De minister heeft bij ministeriële beschikking van 21 april 2026 aan de ontheffinghouder deze ontheffing verleend. Aan de ontheffing is een compensatieplan verbonden.
Verzoekers hebben op 28 april 2026 respectievelijk 6 mei 2026 daartegen beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de nummers CUR202601478 en CUR202601518. Verzoekers hebben het Gerecht vervolgens bij verzoekschrift van 4 respectievelijk 6 mei 2026 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de ontheffing te schorsen (de verzoeken). Zij hebben op 11 mei 2026 de gronden van de verzoeken aangevuld.
De minister heeft op 7 mei 2026 de op de ontheffing betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en heeft op 12 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De ontheffinghouder heeft op 12 mei 2026 een schriftelijke reactie op de verzoeken ingediend.
Het Gerecht heeft op 5 mei 2026 een ordemaatregel getroffen en de ontheffing geschorst tot aan het einde van de mondelinge behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening op 13 mei 2026 om 9.00 uur.
Het Gerecht heeft de verzoeken op 13 mei 2026 om 9.00 uur op zitting behandeld.
Verzoeker 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder is met verzoekers verschenen de heer prof. dr. [naam hoogleraar], hoogleraar Tropische Mariene Ecologie aan de Universiteit van Amsterdam.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verder zijn namens de minister verschenen de sectordirecteur ing. [naam sectordirecteur] Msc, het hoofd van de uitvoeringsorganisatie natuur en milieu [naam hoofd], specialistisch adviseur natuur [naam specialistisch adviseur], adviseur [naam adviseur 1] en adviseur [naam adviseur 2].
De ontheffinghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeuren [naam directeur 1 en naam directeur 2], projectontwikkelaar [naam projectontwikkelaar] en projectleider [naam projectleider].
Aan het einde van de zitting heeft het Gerecht de ordemaatregel verlengd en de ontheffing geschorst tot aan deze uitspraak.
De beoordeling van het Gerecht
Het Gerecht wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe en schorst de ontheffing tot zes weken na de uitspraak van het Gerecht op de beroepen van verzoekers in de zaken CUR202601478 en CUR2026001518.
De door verzoekers aangevoerde grond dat de minister in de ontheffing niet heeft gemotiveerd waarom dit landaanwinningsproject een zodanig zwaarwegend algemeen belang vertegenwoordigt dat aantasting van de beschermde koralen gerechtvaardigd is slaagt. De discussie tussen partijen over de vraag of de minister bij beantwoording van die vraag de maritieme natuurwaarden kan betrekken en over de vraag of verplaatsing van de koralen gelet op de staat van het projectgebied noodzakelijk is, gaat het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure te buiten en dient in de bodemprocedure gevoerd te worden. Om te voorkomen dat zich onomkeerbare gevolgen voordoen voordat op de beroepen is beslist en na afweging van alle betrokken belangen, is het Gerecht van oordeel dat de ontheffing moet worden geschorst.
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
De ontheffinghouder werkt sinds 2021 aan een plan om haar [naam resort]resort uit te breiden. Zij wil aan de oostkant van het resort een uitbreiding van 10 kamers realiseren door middel van landaanwinning. De ontheffinghouder heeft verschillende onderzoeken laten uitvoeren, onder andere naar het koraal op de plek waar de landaanwinning is beoogd. Ook heeft zij onderzoeken gedaan naar de mogelijkheden van koraalverplaatsing.
Voor de realisatie van de uitbreiding heeft de ontheffinghouder onder andere een vergunning nodig als bedoeld in artikel 20 van de Landsverordening maritiem beheer (Lmb-vergunning) en een ontheffing als bedoeld in artikel 5 van Rifbeheersverordening Curaçao. De Lmb-vergunning heeft de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP) verleend bij beschikking van 1 april 2026. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de minister van VVRP de Lmb-vergunning gewijzigd. Verzoekers hebben tegen die vergunning beroep ingesteld.
Verzoekster [naam verzoeker 1] heeft het naast [naam resort]resort gelegen perceel [adres perceel] en het daarop staande woonhuis in vruchtgebruik. Verzoekers [namen verzoeker 2, 3 en 4] zijn bloot eigenaren van het perceel en het woonhuis. De landaanwinning is beoogd aan de zuidzijde van het perceel [adres perceel].
Verzoekster fundashon Pro Monumento zet zich onder andere in voor het behoud van de natuur in Curaçao.
Wat heeft de minister aan de ontheffing ten grondslag gelegd?
4. De minister heeft aan de ontheffing meerdere adviezen en onderzoeken ten grondslag gelegd. Het betreft onder meer adviezen van het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN) en onderzoeksrapporten van EcoVision N.V. In de ontheffing staat onder andere “dat ten behoeve van de ontwikkeling van een project circa 2.800 m2 van algemeen belang een ingreep plaatsvindt in een marien ecosysteem met aanwezigheid van koraalriffen”. Verder heeft de minister voorschriften aan de ontheffing verbonden die verband houden met een compensatieplan. Het compensatieplan voorziet in maatregelen gericht op koraalverplaatsing, habitatverbetering en langjarige ecologische compensatie en verrijking van minimaal 3.000 m2 aan koraalrif habitats voor een periode van minimaal 10 jaar. In de ontheffing staat ook dat ontheffinghouder jaarlijks een bedrag van Cg 50.000,- inzet ter uitvoering van het compensatieplan over een periode van 10 jaar.
Wat is het toetsingskader van het Gerecht bij een verzoek om voorlopige voorziening?
5. De indiener van een beroep kan het Gerecht verzoeken de beschikking waartegen het beroep is gericht te schorsen op de grond dat de uitvoering daarvan een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het met een onmiddellijke uitvoering te dienen belang. Ook kan een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van bedoeld nadeel. De rechter die beslist op het verzoek, wordt ook wel de voorzieningenrechter genoemd. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak (in dit geval de beroepen geregistreerd onder nummers CUR202601478 en CUR2026001518). De gevraagde schorsing of voorlopige voorziening is in beginsel een tijdelijke maatregel, waardoor wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zich voordoen voordat in de hoofdzaak is beslist. De voorzieningenrechter kan daarbij zijn verwachtingen over de uitkomst van de hoofdzaak alsmede het gewicht van de betrokken belangen betrekken.
Wat voeren verzoekers aan tegen de ontheffing en wat vindt het Gerecht?
6. Verzoekers betogen onder andere dat de minister in de ontheffing niet heeft gemotiveerd waarom dit landaanwinningsproject een zodanig zwaarwegend algemeen belang vertegenwoordigt dat aantasting van de beschermde koralen gerechtvaardigd is. Volgens verzoekers kan niet worden ingezien hoe een commercieel project als de onderhavige landaanwinning ten behoeve van uitbreiding van het [naam resort]resort met 10 hotelkamers in het algemeen belang is.
7. Deze grond slaagt. De ontheffing is op dit punt inderdaad gebrekkig gemotiveerd. De voorzieningenrechter motiveert dat als volgt.
Artikel 2, eerste lid, van de Ribeheersverordening Curaçao bepaalt dat het verboden is om in onze wateren koralen af te breken, af te zagen of op enige andere wijze los te maken. Artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaalt voor zover hier relevant dat de minister van het in artikel 2 genoemde verbod schriftelijk ontheffing kan verlenen voor wetenschappelijke en opvoedkundige doeleinden en op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat ontheffing niet is verleend voor wetenschappelijke en opvoedkundige doeleinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan de minister is om in de ontheffing te motiveren op welke gronden aan het algemeen belang ontleend hij overgaat tot verlening van de ontheffing. In de ontheffing staat enkel de passage “dat ten behoeve van de ontwikkeling van een project circa 2.800 m2 van algemeen belang een ingreep plaatsvindt in een marien ecosysteem met aanwezigheid van koraalriffen”. Waarom de ontwikkeling van dit project van algemeen belang is, staat niet in de beschikking.
Evenmin is dit gemotiveerd in de adviezen van het ministerie van GMN die aan de beschikking ten grondslag liggen. In de adviezen wordt de vraag of de ontwikkeling van dit project van algemeen belang is wel opgeworpen. Zo staat in het advies van 25 september 2023 dat “een aandachtspunt voor het beoordelen van een ontheffingsverzoek volgens de Rifbeheersverordening is dat deze alleen mag worden verleend voor wetenschappelijke doeleinden of in het algemeen belang. Het is de vraag of landuitbreiding ten behoeve van de bouw tot deze criteria behoort.” In het advies van 23 december 2025 staat dat “niettemin een structurele aantasting van het marine milieu resteert in de vorm van verlies van koraalrifareaal en er is geen garantie dat alle koralen die verplaatst worden overleven. Indien de noodzaak voor dit ontwikkelproject hoog staat en het belang van sociaaleconomische aspecten overwogen zijn, bestaat er een mogelijkheid om compensatie te realiseren onder voorwaarden.” In het advies van 31 maart 2026 staat dat “ten aanzien van het criterium ‘algemeen belang’ wordt overwogen dat het onderhavige project primair een particulier initiatief betreft. Niettemin dient het project mede te worden beoordeeld in het licht van het bredere sociale economische belang van Curaçao waarin de toeristische sector een belangrijke pijler vormt voor werkgelegenheid, economische ontwikkeling en overheidsinkomsten. Voor zover aannemelijk is dat het project bijdraagt aan deze bredere doelstellingen, kan sprake zijn van een belang dat het individuele belang van de initiatiefnemer overschrijdt.” De opgeworpen vraag of het project in het algemeen belang is, wordt echter in geen van deze adviezen beantwoord.
Soms kan een motiveringsgebrek tijdens de bodemprocedure worden hersteld, bijvoorbeeld met een nieuwe beschikking of met een nadere toelichting in het verweerschrift of op de zitting. Als de voorzieningenrechter een motiveringsgebrek constateert, is er dus niet altijd reden om een voorlopige voorziening te treffen. In dit geval bestaat deze reden echter wel. De voorzieningenrechter motiveert dat als volgt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister (pas) in het verweerschrift en tijdens de zitting heeft toegelicht dat het algemeen belang dat wordt gediend met de ontheffing in dit geval is gelegen in het verbeteren van de maritieme natuurwaarden. Volgens de minister is het gebied waar de landaanwinning is beoogd een gedegradeerd gebied met voornamelijk afgestorven koralen. De condities in dit gebied zijn voor de koralen niet ideaal om te kunnen overleven en voortplanten. De overheid heeft echter geen middelen om de situatie te verbeteren en werkt daarom samen met de private sector om een gezond en duurzaam marien milieu te bevorderen. Door uitvoering van het compensatieplan zal Curaçao voordelen trekken in de vorm van gezonde koraalriffen. Het compensatieplan voorziet immers in maatregelen gericht op koraalverplaatsing, habitatverbetering en langjarige ecologische compensatie en verrijking van minimaal 3.000 m2 aan koraalrif habitats voor een periode van minimaal 10 jaar. Verder moet de ontheffinghouder over een periode van 10 jaar jaarlijks een bedrag van Cg 50.000,- inzetten ter uitvoering van het compensatieplan, aldus de minister. Volgens ontheffinghouder gaat het zelfs om dat bedrag in dollars.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het echter de vraag of verbetering van maritieme natuurwaarden in dit geval kan worden aangemerkt als een aan het algemeen belang ontleende grond als bedoeld in artikel 5. De ontheffing is aangevraagd in verband met een landaanwinningsproject ten behoeve van de uitbreiding van het [naam resort]resort. Betoogd zou daarom kunnen worden dat gronden aan het algemeen belang betrekking moeten hebben op het achterliggende project waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, en niet op neveneffecten die daarmee mogelijk worden bereikt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een nadere beoordeling van deze vraag het bestek van deze voorlopige voorzieningenprocedure te buiten gaat en thuishoort in de bodemprocedure. Daarbij kan dan worden betrokken de Memorie van Toelichting bij artikel 5, die het Gerecht in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure nog niet heeft kunnen achterhalen.
Ter zitting heeft de ontheffinghouder zich op standpunt gesteld dat niet ter beoordeling voorligt of het landaanwinningsproject als zodanig het algemeen belang dient, maar uitsluitend of dit geldt voor de verplaatsing van de koralen. Volgens de ontheffinghouder ziet de verleende ontheffing immers niet op het landaanwinningsproject zelf, maar uitsluitend op de verplaatsing van de koralen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de ontheffinghouder aangevoerd dat bij het verlenen van de Lmb-vergunning door de minister van VVRP al de effecten van de aanleg en het gebruik van het voorgenomen bouwwerk op het mariene milieu zijn beoordeeld. In dat kader is advies ingewonnen bij het ministerie van GMN. Volgens dit advies is sprake van een gedegradeerd gebied, maar wel met aanwezige koralen. Die omstandigheden vormden voor de minister van GMN aanleiding om te in te stemmen met de Lmb-vergunning onder de voorwaarde dat een compensatieplan voor de aanwezige koralen zou worden opgesteld. Een dergelijk compensatieplan is vervolgens opgesteld, waarvan de verplaatsing van koralen deel uitmaakt. Voor de verplaatsing van de koralen is de ontheffing aangevraagd. Volgens de ontheffinghouder heeft de minister van GMN de ontheffing kunnen verlenen, omdat kan worden betoogd dat het verplaatsen van de koralen uit het gedegradeerde gebied in het algemeen belang is. De minister heeft tijdens de zitting hieraan toegevoegd dat hij en de minister van VVRP voor dit gehele project steeds gezamenlijk zijn opgetrokken.
Deze toelichting van de ontheffinghouder tijdens de zitting brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel over de motiveringplicht van de minister. De minister heeft in artikel 5 van de Rifbeheersverordening Curaçao van de wetgever een eigen bevoegdheid gekregen om ontheffing te verlenen van het verbod in artikel 2 (onder andere) op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het is dan ook aan de minister zelf om in de ontheffing te motiveren waarom volgens hem sprake is van gronden aan het algemeen belang ontleend. De voorzieningenrechter volgt de stelling van de ontheffinghouder niet dat de ontheffing alleen ziet op de verplaatsing van de koralen en daarom uitsluitend moet worden beoordeeld of daarmee het algemeen belang is gediend. De verplaatsing staat namelijk niet op zichzelf, maar is onlosmakelijk verbonden met het landaanwinningsproject. De ontheffing is op dit punt dus gebrekkig gemotiveerd.
8. Zoals onder 4 van deze uitspraak is overwogen, kan de voorzieningenrechter in zijn oordeel zijn verwachtingen over de uitkomst van de hoofdzaak betrekken. Ook als de uitkomst van de hiervoor bedoelde discussie in de bodemprocedure zou zijn dat de minister voor het verlenen van ontheffing niet alleen kijkt of het landaanwinningsproject ten behoeve van uitbreiding van het [naam resort]resort valt onder gronden aan het algemeen belang ontleend maar daarbij de maritieme natuurwaarden kan betrekken, dan nog is het de vraag of het verplaatsen van de koralen op zichzelf in het algemeen belang is. Die conclusie kan de voorzieningenrechter op basis van de op dit moment beschikbare stukken en het tot nu toe gevoerde debat tussen partijen daarover niet trekken. Hierbij is het volgende van belang.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het compensatieplan met veel zorg tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit compensatieplan is echter de verplaatsing van de koralen. Volgens de minister is verplaatsing aangewezen en noodzakelijk, omdat de geconstateerde achteruitgang van de kwaliteit van het projectgebied zich zal voortzetten. Verzoekers hebben de noodzaak van die verplaatsing echter gemotiveerd betwist. De heer [naam hoogleraar] heeft namens verzoekers ter zitting toegelicht dat de minister weliswaar uitgaat van een verdere achteruitgang, maar dat in dergelijke gebieden fluctuaties mogelijk zijn en daarmee ook herstel kan optreden. Een deel van de koralen is volgens [naam hoogleraar] mogelijk resistent tegen ziekte en andere aanwezige stressoren in het gebied, waardoor deze koralen een gunstig effect op het onderwatersysteem ter plaatse kunnen hebben. De voorzieningenrechter merkt op dat deze toelichting aansluit bij het beeld dat in de rapporten van EcoVision wordt geschetst. Uit deze rapporten volgt weliswaar dat de gemiddelde koraalbedekking van 7,2% 2023 naar 2,67% in 2025 is gegaan en dat de SPAW-beschermde koralen zijn afgestorven, maar ook dat er nog meerdere grote koloniën van bijvoorbeeld de soort Pseudodiploria strigosa aanwezig zijn. EcoVision schrijft dat het belang van deze langzaam groeiende koralen, die bovendien kritisch bedreigd zijn, steeds meer toeneemt. Uit de rapporten van EcoVision volgt niet dat verplaatsing noodzakelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een nadere beoordeling van de vraag of het verplaatsen van de koralen op zichzelf in het algemeen belang is ook het bestek van deze voorlopige voorzieningenprocedure te buiten gaat en thuishoort in de bodemprocedure.
9. Het voeren van de hiervoor bedoelde twee discussies in de bodemprocedure is zinledig als de koralen al verplaatst zijn. Om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zich voordoen voordat in de hoofdzaak op dit punt is beslist, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen en de ontheffing schorsen. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het stilleggen van de verplaatsing van de koralen behalve voor de al losgemaakte koralen die nog niet zijn herplaatst geen nadelige gevolgen heeft. Voor ontheffinghouder heeft deze stillegging wel gevolgen. De directeuren van ontheffinghouder hebben die gevolgen toegelicht tijdens de zitting. Die gevolgen zijn fors en vooral financieel van aard, onder andere vanwege reeds aangegane contractuele verplichtingen in het kader van de uitvoering van de landaanwinning. De voorzieningenrechter heeft zeer wel oog voor deze belangen van ontheffinghouder, maar die wegen in dit geval niet op tegen voorkomen van een onomkeerbare situatie en een zinledige beoordeling in de bodemprocedure. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het voor ontheffinghouder ook duidelijk was dat in ieder geval mevrouw [naam verzoeker 1] zou gaan procederen over een eventueel te verlenen ontheffing. Daarmee had ontheffinghouder rekening kunnen houden bij het aangaan van de contracten ten behoeve van het realiseren van de landaanwinning.
10. Verzoekers voeren verder aan dat er in het projectgebied wel onder het SPAW-protocol beschermde koralen zijn. Voor deze koralen geldt het strengere regime als bedoeld in artikel 8A en 8B van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming. Verplaatsing is niet toegestaan, ook niet met een ontheffing op grond van de Rifbeheersverordening Curaçao. Alleen bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen vrijstellingen worden verleend en pas nadat de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie als bedoeld in SPAW-protocol daarover een positief oordeel heeft gegeven. Verzoekers hebben een foto overgelegd van 9 oktober 2025 van een onder het SPAW-protocol beschermde koraal. Verder hebben zij een email van de heer [naam hoogleraar] overgelegd van 11 mei 2026 waarin hij schrijft dat ten minste één koraal beschermd onder het SPAW-protocol zich in het projectgebied bevindt en waarschijnlijk meer kleinere koralen. De onderzoeken die de minister en ontheffinghouder hebben verricht, zijn immers niet gericht op kleinere koralen, aldus [naam hoogleraar].
11. Deze grond slaagt niet. De voorzieningenrechter motiveert dit als volgt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister heeft geconcludeerd dat er aanvankelijk wel onder het SPAW-protocol beschermde koralen zijn aangetroffen in het projectgebied, maar dat die inmiddels allemaal zijn afgestorven. De minister heeft deze conclusie gebaseerd op de waarnemingen van EcoVision (zoals vastgelegd in de rapporten van 26 maart 2025 en 26 augustus 2025) en van Corales de Paz (zoals gedaan op 5 juli 2025 en vastgelegd in het rapport van Corales de Paz) en op waarnemingen van zijn eigen adviseur [naam specialistisch adviseur].
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers tegenover de onderbouwde conclusie van de minister dat zich in het projectgebied geen onder het SPAW-protocol beschermde koralen bevinden onvoldoende hebben aangevoerd. Zo kan van de overgelegde foto niet worden vastgesteld waar die foto precies is genomen en datzelfde geldt voor de observatie van de heer [naam hoogleraar]. De voorzieningenrechter ziet dus in deze grond geen (extra) reden voor de te treffen voorlopige voorziening. Nu die voorlopige voorziening wel getroffen wordt, is het aan verzoekers om te bepalen of zij deze grond in de bodemprocedure nader willen onderbouwen of niet.
12. De overige door verzoekers aangevoerde gronden leveren ook geen (extra) reden op voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat de minister in strijd met de tijdens een eerdere zitting gemaakte afspraken verzoekster [naam verzoeker 1] niet in de gelegenheid heeft gesteld om zienswijzen tegen de conceptontheffing in te dienen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter weliswaar in strijd met het formele zorgvuldigheidsbeginsel, maar dat is een gebrek dat ziet op de procedurele gang van zaken en niet op de inhoud van de ontheffing. De gronden die zien op de professionaliteit van Corales del Paz zien op de uitvoering van de ontheffing en niet op de inhoud van de ontheffing. De gronden die zien op de formulering van de ontheffing zijn door verzoekers niet duidelijk geformuleerd en lijken vooral te raken aan de hierboven bedoelde discussies.
Conclusie en gevolgen
13. De door verzoekers aangevoerde grond dat de minister in de ontheffing niet heeft gemotiveerd waarom dit landaanwinningsproject een zodanig zwaarwegend algemeen belang vertegenwoordigt dat aantasting van de beschermde koralen gerechtvaardigd is slaagt. De discussie tussen partijen over de vraag of de minister bij beantwoording van die vraag de maritieme natuurwaarden kan betrekken en over de vraag of verplaatsing van de koralen gelet op de staat van het projectgebied noodzakelijk is, gaat het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure te buiten en dient in de bodemprocedure gevoerd te worden. Om te voorkomen dat die discussie zinledig is, zal de voorzieningenrechter de ontheffing schorsen tot zes weken nadat op de beroepen (CUR202601478 en CUR2026001518) is beslist.
14. In de bodemprocedure kan dan een nadere beoordeling plaatsvinden over in ieder geval de twee hiervoor genoemde vragen. Partijen kunnen ten behoeve daarvan in de bodemprocedure hun stellingen nader onderbouwen.
15. De gevolgen van deze beslissing zijn dat de ontheffinghouder de werkzaamheden die plaatsvinden op grond van de ontheffing niet mag uitvoeren tot zes weken nadat op de beroepen is beslist. Het gaat dan concreet om het afbreken, afzagen of op enige andere wijze losmaken van koralen in het projectgebied. Zoals ter zitting al door de voorzieningenrechter is uitgesproken, is het ontheffinghouder wel toegestaan om de voor inwerkingtreding van de ordemaatregel losgemaakte koralen (die zich los in de zee en of in een krat in de zee bevinden) te plaatsen in het daarvoor aangewezen gebied.
16. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding aan verzoekers van de door hen gemaakte proceskosten in het kader van deze voorlopige voorziening. Die proceskosten begroot het Gerecht op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700,-) aan kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
Het Gerecht:
Deze uitspraak is gegeven op 20 mei 2026 door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.