GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202601217
Uitspraak van 13 mei 2026
in de zaak van
[EISERES IN KORT GEDING, VERWEERSTER IN HET VOORWAARDELIJK ONTBINDINGSVERZOEK], wonend in Curaçao,eiseres in kort geding, verweerster in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,gemachtigde: mr. A. Barendregt,
tegen
[…] B.V.,
gevestigd in Curaçao,gedaagde in kort geding, verzoekster in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,gemachtigde: mr. B.J.F. Stuart.
Partijen worden hierna [werkneemster] en [werkgever] genoemd.
1. Het procesverloop
In beide zaken
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift van [werkneemster] ingediend op 14 april 2026;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, van [werkgever];
de behandeling ter zitting van 6 mei 2026, alwaar partijen, [werkgever] vertegenwoordigd door haar aandeelhouders/bestuurder, zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigden;
de pleitnota van mr. Barendregt.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
In beide zaken
werkneemster] is per 14 januari 2024 bij [werkgever] in dienst gekomen als ‘eerste medewerkster verkoop’. In het contract en het een jaar later getekende tweede contract is opgenomen dat de werknemer op basis van een nul-urencontract zou werken, met een maximum van 40 uren per week.
Vanaf december 2025 is tussen partijen gesproken over de vakantie die [werkneemster] wilde opnemen in de zomer van 2026. Over de laatste week van juni bestond al gauw overeenstemming. [werkneemster] wilde ook de eerste week van juli vrij, waarmee [werkgever] uiteindelijk niet heeft ingestemd omdat haar aandeelhouders dan met vakantie wilden. Hierover heeft op 25 februari 2026 een laatste gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Bij dat gesprek heeft [werkgever] [werkneemster]s sleutels van [werkgever]’s winkel en opslag ingenomen. Later die dag heeft [werkgever] ook het wachtwoord van [werkgever] ’s Instagram-account gewijzigd, tot welke account [werkneemster] eerder toegang had.
Op diezelfde dag heeft [werkneemster] [werkgever] het volgende gemaild:
“Naar aanleiding van ons gesprek van vandaag wil ik graag schriftelijk bevestigen wat er is besproken. Zo voorkomen we misverstanden.
Tijdens het gesprek hebben jullie aangegeven dat jullie de samenwerking willen beëindigen en dat het beter is dat ik niet terugkeer in mijn functie. Dit voorstel kwam van jullie kant. lk heb zelf niet gevraagd om mijn dienstverband te beëindigen.
Graag ontvang ik daarom een schriftelijke bevestiging van de beëindiging van mijn dienstverband. Hierin ontvang ik graag:
- De officiële einddatum
- De reden van beëindiging
- De manier waarop dit administratief wordt verwerkt
Op dit moment sta ik nog ingepland tot en met half april. lk ben beschikbaar om daze diensten gewoon te werken. Als jullie besluiten mij niet meer in te roosteren, ontvang ik graag schriftelijk hoe de betaling van deze ingeplande uren wordt geregeld.
Bij beëindiging ontvang ik graag een volledige eindafrekening. Dit betreft:
- Alle gewerkte maar nog niet uitbetaalde uren
- Eventueel openstaande reserveringen
- Opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen
lk zie jullie schriftelijke bevestiging graag zo spoedig mogelijk tegemoet”
Twee dagen later heeft [werkgever] [werkneemster] het volgende gemaild:
“Wij verwijzen naar je e-mail en naar het overleg dat woensdag jl. tussen ons heeft plaatsgevonden.
Tijdens dit overleg is vastgesteld dat er een impasse is ontstaan in de arbeidsrelatie, waarbij partijen over en weer hebben uitgesproken dat de vertrouwensbasis ontbreekt om het dienstverband op constructieve wijze voort te zetten.
In dat licht doen wij jou hierbij het volgende voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden:
- De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 maart 2026, onder de voorwaarde dat je met dit voorstel Instemt.
- Het salaris over de maand februari 2026 is reeds uitbetaald. Zie bijgaande loonstrook.”
Overeenstemming is niet bereikt.
werkgever] heeft [werkneemster] niet meer voor het werk opgeroepen en heeft haar, behoudens een betaling voor februari 2026, niet meer betaald.
3. Het geschil
In kort geding ([werkneemster])
werkneemster] vordert, samengevat, om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [werkgever] te veroordelen aan [werkneemster] te betalen Cg 731,25 aan salaris over februari 2026;
2. [werkgever] te veroordelen aan [werkneemster] haar loon van Cg 3.375 bruto per maand te betalen ingaande 1 maart 2026 tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
3. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex art. &A:1614q BW over de reeds vervallen loonaanspraken;
4. [werkgever] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het verstrekken aan [werkneemster] van specificaties/loonstroken.
5. [werkgever] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
In het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding ([werkgever])
werkgever] verzoekt:
1. de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen in de zin van gewijzigde omstandigheden;
2. [werkneemster] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
4. De beoordeling
In het kort geding
Nu sprake is van een vordering tot doorbetaling van loon, is voor een kort geding vereist spoedeisend belang bij de vordering in beginsel gegeven. Aan de spoedeisendheid van de vordering staat niet in de weg dat [werkneemster] niet is ingegaan op de door [werkgever] gedane schikkingsvoorstellen.
Voor toewijzing van een loonvordering in kort geding is nodig dat in voldoende mate aannemelijk is dat die vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
werkneemster] legt aan haar vordering ten grondslag dat [werkgever] haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, dat zij daarvan de nietigheid heeft ingeroepen en dat zij zich beschikbaar heeft gehouden de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Voor zover [werkgever] haar niet zou hebben ontslagen, geldt volgens [werkneemster] evenzeer dat haar loonaanspraak voortduurt.
Uit haar verweerschrift en toelichting ter zitting blijkt dat [werkgever] van mening is dat zij [werkneemster] niet heeft ontslagen. Volgens [werkgever] is het [werkneemster] geweest die heeft besloten te vertrekken en de zaak daarna op de spits te drijven. Gelet op die stellingname staat tussen partijen vast dat geen sprake is geweest van een (rechtsgeldig) ontslag door [werkgever] van [werkneemster].
Voor zover [werkgever] zich op het standpunt stelt dat zelf ontslag heeft genomen, geldt dat niet kan worden aangenomen dat dat verweer in een eventuele bodemprocedure zal worden gevolgd. In de e-mail die [werkneemster] kort na het gesprek op 25 februari 2026 aan [werkgever] stuurde, schrijft zij dat [werkgever] de samenwerking wilde beëindigen en dat [werkneemster] daar niet om had gevraagd. Ook houdt [werkneemster] zich in die e-mail beschikbaar om weer te komen werken. [werkgever] heeft [werkneemster]s weergave van het gesprek van 25 februari 2026 niet per omgaande weersproken, hetgeen op haar weg als werkgever had gelegen indien [werkneemster] volgens [werkgever] een onjuiste voorstelling van zaken gaf en zij [werkneemster] weer tot het werk wilde toelaten.
Gelet op het voorgaande wordt in dit kort geding tot uitgangspunt genomen dat [werkneemster] is ontslagen noch ontslag heeft genomen, en dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt.
werkgever] kan evenmin worden gevolgd in haar verweer dat [werkneemster] geen aanspraak kon maken op een vast loon, omdat sprake was van een nul-uren(afroep)contract. Het gaat op dit punt niet slechts om wat er op papier staat, maar vooral om de werkelijke invulling van de overeenkomst. Vaststaat dat [werkneemster] in elk geval vanaf oktober 2025 voor 150 uur per maand werd betaald. Aannemelijk is geworden dat dit correspondeerde met de daadwerkelijk door haar gewerkte uren (en vakantiedagen) en met de volgens de planning nog te werken uren. In het kader van de loonvordering in dit kort geding ligt het dan ook in de rede om aan te sluiten bij deze praktijk en om uit te gaan van het door [werkneemster] gestelde brutoloon van Cg 3.375 per maand.
Op grond van het voorgaande moet in dit kort geding worden aangenomen dat de bodemrechter zal oordelen dat [werkneemster] aanspraak heeft op doorbetaling van loon van Cg 3.375. De vordering van [werkneemster] is dan ook toewijsbaar als hierna in de beslissing omschreven. De gevorderde verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW wegens de vertraging in de betaling van loon is eveneens toewijsbaar. Het gerecht ziet wel aanleiding om deze verhoging, die volgens de wet maximaal 50% kan zijn, in dit kort geding met het oog op de omstandigheden te matigen tot maximaal 10%.
De vordering van [werkneemster] tot het verstrekken van specificaties (loonstroken) op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen bij gebrek aan belang. Bij haar verweerschrift heeft [werkgever] specificaties tot 25 februari 2026 overgelegd. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat [werkgever] niet uit zichzelf ook de ingevolge deze uitspraak nog te volgen eindafrekening aan [werkneemster] zal verstrekken. Een veroordeling daartoe en een dwangsom lijken onnodig.
Beslist zal worden als hierna in de beslissing omschreven. [werkgever] zal als de in het kort geding overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
In het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding
Hetgeen hiervoor in het kort geding is overwogen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nu het loon van [werkneemster] doorbetaald moet worden, is de voorwaarde waaronder [werkgever] ‘s (tegen)verzoek is ingesteld vervuld.
Voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is onder meer plaats als sprake is van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve, dadelijk of op korte termijn, dient te worden ontbonden. Partijen hebben ter zitting al bevestigd dat dit hier het geval is. Geen van partijen acht het nog wenselijk en realistisch de draad weer op te pakken. De arbeidsovereenkomst zal bij deze uitspraak worden ontbonden per 1 juni 2026.
De ontbinding is voorwaardelijk - zoals door [werkgever] verzocht – in die zin dat deze haar rechtskracht verliest in geval in een bodemprocedure zal worden vastgesteld dat, anders dan in deze uitspraak voorshands aangenomen, na 25 februari 2026 geen sprake (meer) was van een arbeidsovereenkomst en van een loonaanspraak van [werkneemster].
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is een nadere beëindigingsvergoeding, dus bovenop de doorbetalingsverplichting van [werkgever] tot en met mei 2026, niet op haar plaats. Die omstandigheden omvatten:
de korte duur van het dienstverband;
de aannemelijk geachte kans dat [werkneemster], mede gelet op haar leeftijd en werkervaring, snel elders werk kan vinden;
de omstandigheid dat [werkneemster] sinds 25 februari 2026 niet meer voor [werkgever] heeft gewerkt en tot de datum van de ontbinding niet meer voor [werkgever] zal hoeven te werken;
de omstandigheid dat [werkgever] een kleine onderneming is;
de omstandigheid dat de verwijdering tussen partijen aan beide partijen is toe te schrijven, aan [werkgever] doordat zij na het gesprek en [werkneemster]s brief van 25 februari niet heeft gepoogd het volgens haar ontstane misverstand weg te nemen en aan [werkneemster] doordat zij zich niet heeft willen neerleggen (en in dat verband de nul-urenbepaling in de strijd heeft geworpen) bij de niet onredelijke eis van [werkgever] dat zij per 1 juli 2026 weer op het werk zou zijn.
De proceskosten in de ontbindingszaak zullen worden gecompenseerd.
5. De beslissing
Het gerecht:
In het kort geding
veroordeelt [werkgever] om aan [werkneemster] te betalen het loon van Cg 3.375 bruto per maand, te rekenen vanaf februari 2026, verminderd met wat haar over die maand al is betaald, tot en met 31 mei 2026, te vermeerderen met maximaal 10% aan vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW over het achterstallige loon tot en met de maand april 2026;
veroordeelt [werkgever] in de kosten van het geding, aan de zijde van [werkneemster] begroot op Cg 450 aan griffierecht en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
In de ontbindingszaak
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen – voor zover deze nog bestaat – met ingang van 1 juni 2026;
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Aldus gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.