GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202403116
Vonnis van 12 januari 2026
in de zaak van
[Eiser], wonend in [woonplaats], eiser, gemachtigden: voorheen mrs. M.H.M. Janssen en T.E. Matroos,
thans procederend in persoon,
tegen
[Gedaagde],
wonend in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: voorheen mr. G.C.A. Scheperboer-Parris,
thans procederend in persoon.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 14 augustus 2024,
de conclusie van antwoord,
de akte wijziging van eis tevens van indiening producties van [eiser],
de producties van [gedaagde] ingediend op 1 april 2025,
de mondelinge behandeling van 4 april 2025,
de pleitnotities van de gemachtigden;
de akte van [gedaagde] van 26 mei 2025;
de akte uitlating producties van [eiser], ingekomen via e-mail aan het gerecht van 28 mei 2025.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
Partijen hebben tussen 2009 en 2013 samengewerkt bij het uitbaten van een kinderdagverblijf in Curaçao.
Per 1 januari 2014 is er een wijziging gekomen in de samenwerking in die zin dat [eiser] niet langer de bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf genaamd Dino’s Place op zich nam en dat [gedaagde] dit (weer) zou gaan doen.
3. De vordering en de standpunten van partijen
eiser] vordert dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot betaling van Cg 60.000, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen, althans zijn ex-echtgenote en [gedaagde], een koopovereenkomst is getekend op 27 december 2013 waarin is overeengekomen dat [gedaagde] voor het opnieuw in handen krijgen van de bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf een bedrag van Cg 60.000 zou betalen aan [eiser], welke betaling is uitgebleven.
gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat hij de betreffende koopovereenkomst nooit heeft ondertekend en dat zijn handtekening daarop is vervalst.
4. De beoordeling
Dit geschil draait om de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen zoals gesteld door [eiser]. Zijn vordering tot nakoming is daarop immers gegrond. Hij heeft een document in het geding gebracht waarop de handtekening van [gedaagde] te zien is. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij die handtekening daarop heeft geplaatst. De handtekening moet door of namens [eiser] daarop zijn geplaatst en van een ander document zijn gekopieerd, zo luidt samengevat zijn verweer.
Dit verweer slaagt. Uit de akte van [gedaagde] van 26 mei 2025 blijkt dat [eiser] na de zitting zelf heeft bevestigd dat de betreffende handtekening niet door [gedaagde] op de vermeende overeenkomst is geplaatst (productie 5, e-mail van 5 mei 2025) terwijl zijn ex-echtgenote al eerder in de tijd had aangegeven in een e-mail van 1 oktober 2024 (productie 8 conclusie van antwoord) dat zij zich een dergelijke overeenkomst niet kan herinneren. [eiser] heeft geen aanleiding gezien daarop nog een nadere toelichting te geven in zijn akte uitlating producties, zodat van dit feit in rechte moet worden uitgegaan.
Nu vast is komen te staan dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft ondertekend kan reeds daarom van die overeenkomst geen nakoming worden gevorderd, omdat deze niet geacht wordt tot stand te zijn gekomen. De vordering van [eiser] moet dan ook worden afgewezen.
Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 3.000 (2 punten x tarief 6) aan gemachtigdensalaris.
5. De beslissing
Het gerecht:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Cg 3.000;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.