GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202601164
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
STICHTING PARTICULIER FONDS AJ-JAYCEE, gevestigd te Curaçao, eiseres, hierna ook: verhuurder gemachtigde: R.A. Ramazan,
tegen
1. [huurder sub 1],
wonende in [woonplaats]
gedaagde sub 1, hierna ook: huurder sub 1
2. [huurder sub 2],
wonende in [woonplaats], gedaagde sub 2, hierna ook: huurder sub 2.
1. Het procesverloop
Op 9 april 2026 heeft verhuurder een verzoekschrift in kort geding ingediend.
De behandeling van het kort geding heeft plaatsgehad op 29 april 2026.
Verhuurder is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder, bijgestaan door
de gemachtigde voornoemd. Huurder sub 1 en sub 2 zijn in persoon verschenen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Huurder sub 1 huurt sinds 1 juli 2025 van verhuurder een woning aan [het gehuurde] te [plaats] (hierna: het gehuurde) voor een huurprijs van Cg 1.350,- per
maand.
Gedaagde sub 1 heeft op enig moment het gehuurde verlaten met achterlating
van gedaagde sub 2 in het gehuurde.
De huur over de maanden februari, maart en april 2026 is onbetaald gelaten.
De verschuldigde huurpenningen bedragen Cg 4.050,-.
Bij brieven van 8 maart, 15 maart en 13 maart 2026 heeft eiser gedaagden
bericht over de huurachterstand en aangemaand tot betaling van een bedrag van
Cg 2.700,- aan huurachterstand. Gedaagden hebben dit bedrag onbetaald gelaten.
3. Het geschil
Eiseres vordert dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt
veroordeeld:
- om het gehuurde binnen één week na dit vonnis te ontruimen en te verlaten en indien de ontruiming in gebreke blijft, dat eiser de ontruiming desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie kan bewerkstelligen;
- tot betaling aan eiser van Cg 4.050,- aan achterstallige huurpenningen, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf datum van indiening van het verzoekschrift tot en met de dag van de algehele voldoening;
- in de kosten van deze procedure, inclusief griffierecht.
Eiseres heef ter zitting gesteld dat gedaagden structureel tekort zijn geschoten
in hun betalingsverplichtingen, ondanks meerdere gesprekken en toezeggingen dat
de huur zou worden voldaan. Volgens eisers zijn na februari 2026 geen betalingen
meer ontvangen en is er ook niet gereageerd op meerdere schriftelijke aanmaningen.
Zij acht het ongeloofwaardig dat gedaagden alsnog tot betaling zullen overgaan,
mede omdat eerdere toezeggingen niet zijn nagekomen en geen structurele
deelbetalingen hebben plaatsgevonden.
Gedaagde sub 2 heeft ter zitting de betalingsachterstand erkend, maar voert
aan dat deze is ontstaan door persoonlijke omstandigheden, waaronder ziekte en
verlies van werk. Zij stelt dat zij wel degelijk contact heeft geprobeerd te onderhouden
en dat het nooit haar intentie is geweest de huur niet te betalen. Inmiddels heeft
gedaagde sub 2 een nieuwe baan en acht zij zich in staat de lopende huur te voldoen
en de achterstand geleidelijk af te lossen.
Gedaagde sub 1 heeft ter zitting verklaard dat hij niet langer in de woning
verblijft, maar nog wel op de huurovereenkomst staat en zich verantwoordelijk acht
voor (een deel van) de huur. Hij heeft erkend dat eerder is toegezegd dat betaling zou
plaatsvinden, maar dat dit niet is gelukt. Daarnaast heeft hij aangegeven bereid te zijn
de helft van de huurachterstand te voldoen.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang van eiseres volgt uit de aard van de vordering en de
daaraan ten grondslag gelegde stellingen.
In de procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten,
zonder nader onderzoek, de vraag worden beantwoord of de vordering van eisers in
een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat
vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is voldoende gebleken dat
gedaagden tot 1 mei 2026 een bedrag van Cg. 4.050,- aan huur onbetaald hebben
gelaten. Dat hebben zij ook niet betwist. Dit bedrag is daarom toewijsbaar.
Eiseres heeft gevorderd gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hoofdelijk te
veroordelen tot betaling van de huurachterstand. Het gerecht overweegt dat de
huurovereenkomst uitsluitend op naam van gedaagde sub 1 is gesteld. Niet is
gebleken dat gedaagde sub 2 als medehuurder of anderszins contractspartij bij de
huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Reeds hierom ontbreekt een
rechtsgrond om gedaagde sub 2 te veroordelen tot betaling van de huurachterstand.
De gevorderde hoofdelijke veroordeling wordt dan ook afgewezen, met dien
verstande dat uitsluitend gedaagde sub 1 zal worden veroordeeld.
De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde ontruiming
van het gehuurde, zodat dit deel van de vordering eveneens toewijsbaar is. Daarbij
geldt volgens vaste rechtspraak dat een huurachterstand van drie maanden in
beginsel voldoende grond oplevert voor ontruiming, van welke situatie in dit geval
sprake is.
De gevorderde ontruiming is toewijsbaar jegens zowel gedaagde sub 1 als
gedaagde sub 2. Hoewel gedaagde sub 2 geen partij is bij de huurovereenkomst, is zij
feitelijk gebruiker van het gehuurde en verblijft zij daarin met toestemming van
gedaagde sub 1. Een ontruimingsveroordeling kan zich in een dergelijk geval mede
uitstrekken tot derden die geen huurder zijn, maar wel feitelijk het gebruik van het
gehuurde uitoefenen en daaraan hun verblijf ontlenen (vergelijk . het arrest van het
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2405).
Daarbij geldt dat de ontruimingsveroordeling zich ook richt tot gedaagde
sub 1, ondanks het feit dat hij de woning inmiddels zou hebben verlaten. In dat geval
ondervindt hij feitelijk geen nadeel of last van de veroordeling. Voor de verhuurder
is de veroordeling echter van belang als waarborg, omdat daarmee wordt voorkomen
dat gedaagde sub 1 zich in de toekomst opnieuw toegang tot het gehuurde verschaft
of de feitelijke ontruiming belemmert. Juist door de veroordeling jegens beide
gedaagden wordt de effectieve ontruiming en oplevering van het gehuurde aan de
verhuurder voldoende gewaarborgd.
Het gerecht bepaalt de termijn voor ontruiming op zes weken in plaats van de
door eiser gevorderde termijn van één week. Een ontruiming is een ingrijpende
maatregel, waarbij gedaagde sub 2 als feitelijk bewoner voldoende gelegenheid moet
krijgen om vervangende woonruimte te vinden en haar inboedel te verplaatsen.
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een termijn van één week rechtvaardigen. De termijn van zes weken wordt daarom redelijk geacht, nu deze enerzijds het belang van de verhuurder bij een spoedige ontruiming dient en anderzijds gedaagde sub 2 in staat stelt de woning op zorgvuldige wijze te verlaten.
Gedaagden sub 1 en sub 2 dienen derhalve het gehuurde binnen zes weken na
betekening van het vonnis te verlaten en ontruimd achter te laten.
Gedaagde sub 1 moet de huur blijven betalen tot en met de maand waarin het
gehuurde is ontruimd. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen.
De vordering van eiseres om de ontruiming desnoods met behulp van de
sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen wordt op na te melden wijze
toegewezen.
Gedaagden worden, omdat zij (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld,
veroordeeld in de proceskosten.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten
uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht, rechtdoende in kort geding:
veroordeelt gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 om de woning gelegen aan de [het gehuurde] te [plaats] binnen zes weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, met alle daarin aanwezige goederen en de woning schoon achter te laten en ter vrije beschikking van eiseres te stellen;
verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden als huurder in gebreke blijft met de ontruiming, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en 444 lid 2 Rv;
veroordeelt gedaagde sub 1 om aan eiseres te betalen een bedrag van Cg 4.050,- aan achterstallige huurpenningen tot en met april 2026 vermeerderd met de wettelijke rente over Cg 4.050,- vanaf 9 april 2026 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt gedaagde sub 1 om aan eiseres te betalen een bedrag van Cg1.350,- per maand vanaf 1 mei totdat de woning is ontruimd, telkens vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de vervaldata van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening, en verminderd met eventueel al gedane betalingen; ;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van de procedure, die worden begroot op Cg 450,- aan griffierecht , Cg 1.000,- aan salaris gemachtigde en Cg 633 aan explootkosten;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.