GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[klaagster],
wonende te Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen:
de Regering van Curaçao,
hierna: de Regering,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht:
Klaagster heeft op 6 november 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van 6 oktober 2025. Op 29 december 2025 heeft klaagster aanvullende gronden ingediend.
Op 8 maart 2026 heeft klaagster een bezwaarschrift tegen de stopzetting van haar salaris ingediend en om een bijbehorende voorlopige voorziening verzocht.
De Regering heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen contramemorie ingediend.
Het Gerecht heeft de bezwaren op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt de bezwaren van klaagster aan de hand van de door haar daartegen aangevoerde gronden.
Uit het oogpunt van rechtsbescherming merkt het Gerecht de brief van 6 oktober 2025 aan als een beschikking ter beëindiging van het dienstverband per 31 december 2025. Het Gerecht acht zich daarom bevoegd om van het bezwaar tegen de brief van 6 oktober 2025 kennis te nemen.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar tegen de beschikking van 6 oktober 2025 gegrond is. Door het handelen in strijd met de ontslagvereisten van artikel 97, eerste lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) is het tijdelijk dienstverband van klaagster niet rechtsgeldig (tussentijds) beëindigd per 31 december 2025. Dat betekent dat het dienstverband doorloopt tot de oorspronkelijke einddatum 15 februari 2026 en dat de Regering het salaris tot die datum moet doorbetalen.
Nu de Regering het salaris van klaagster moet doorbetalen tot de oorspronkelijke einddatum van het dienstverband, 15 februari 2026, heeft klaagster geen belang meer bij de beoordeling van haar bezwaar tegen de stopzetting van haar salaris per februari 2026. Dat bezwaar (CUR202600767) zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
Klaagster is bij landsbesluit van 9 juli 2024 aangesteld in tijdelijke dienst met ingang van 15 augustus 2024 tot 15 augustus 2025 als financieel controller-C bij het ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening (BPD). Het betreft een aanstelling voor een proeftijd volgens artikel 5, derde lid en onder f, van de LMA.
Bij landsbesluit van 18 augustus 2025 is de proeftijd verlengd met zes maanden, met ingang van 15 augustus 2025 tot 15 februari 2026, omdat er aandachtspunten zijn in het functioneren van klaagster en aan haar een verbeterkans wordt gegund.
Op 10 september 2025 heeft een voorval plaatsgevonden waarbij klaagster in slaap is gevallen op haar werkplek. Diezelfde dag had klaagster een gesprek met de financieel directeur en de secretaris-generaal (SG). De SG heeft in dat gesprek het tijdelijk dienstverband van klaagster opgezegd per 31 december 2025 en klaagster direct naar huis gestuurd. Van dit gesprek is geen verslag gemaakt.
Op verzoek van klaagster is er op 23 september 2025 een gesprek geweest waarbij de minister van BPD, de SG, de vakbond ABVO, de financieel directeur en klaagster aanwezig waren.
In een brief van 6 oktober 2025 gericht aan de voorzitter van de vakbond ABVO schrijft de minister van BPD dat het tijdelijk dienstverband van klaagster per 31 december 2025 eindigt en dat het formele besluit hiervan binnenkort aan klaagster zal worden uitgereikt. Ook deelt de minister in de brief mede dat de periode vanaf september 2025 tot en met 31 december 2025 geldt als opzeggingstermijn met inachtneming van artikel 99 van de LMA. Ter zitting heeft de Regering toegelicht dat deze brief een vastlegging is van het gesprek van 23 september 2025 en daarom gericht is aan de ABVO. Klaagster heeft deze brief ontvangen op 17 oktober 2025 en heeft daartegen bezwaar gemaakt bij het Gerecht.
In de maand januari 2026 heeft klaagster nog salaris ontvangen. In februari 2026 heeft klaagster geen salaris ontvangen. Deze situatie veroorzaakte onduidelijkheid bij klaagster over het al dan niet beëindigd zijn van haar dienstverband per 31 december 2025. Klaagster heeft daarom ook bezwaar ingediend tegen het stopzetten van de betaling van haar salaris.
Ter zitting heeft de Regering het landsbesluit van 15 januari 2026 overgelegd waarin het tijdelijk dienstverband van klaagster per 31 december 2025 is beëindigd. Dit landsbesluit is op 19 maart 2026 aan klaagster uitgereikt. Het landsbesluit noemt als reden voor de vroegtijdige beëindiging dat zich situaties hebben voorgedaan.
De Regering heeft op de zitting toegelicht dat het salaris van januari 2026 per abuis is uitbetaald, omdat de salarisadministratie niet tijdig beschikte over het landsbesluit. De Regering heeft ook verklaard dat het betaalde salaris van januari 2026 is verrekend met het restant aan verlofdagen en de bashi-premie en dat er nog een bedrag resteert dat klaagster zou moeten terugbetalen. Klaagster heeft op de zitting verklaard dat zij in maart 2026 zonder uitleg een klein bedrag heeft ontvangen.
Is de brief van 6 oktober 2025 aan te merken als een beschikking?
4. De vraag die allereerst aan het Gerecht voorligt is of de brief van 6 oktober 2025, die later is bekrachtigd door het landsbesluit van 15 januari 2026, kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 35, eerste lid, van de RAr.
Artikel 35, eerste lid, van de RAr bepaalt kort gezegd dat een bezwaarschrift kan worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
Het derde lid van artikel 35 van de Rar bepaalt dat voor de toepassing van het eerste lid de beschikkingen, handelingen of weigeringen, namens of in opdracht van een administratief orgaan bevoegdelijk genomen, verricht of uitgesproken, worden geacht genomen, verricht of uitgesproken te zijn door het orgaan, in welks opdracht of namens hetwelk gehandeld is.
Klaagster heeft op de zitting verklaard dat zij ervan was uitgegaan dat de brief van 6 oktober 2025 het formele besluit was om haar dienstverband per 31 december 2025 te beëindigen. Klaagster had zich niet gerealiseerd dat het landsbesluit van 15 januari 2026 het formele besluit was, mede omdat zij dat landsbesluit pas geruime tijd na 31 december 2025 had ontvangen en daarin naar de brief van 6 oktober 2025 wordt verwezen.
Het Gerecht is van oordeel dat het uit het oogpunt van rechtsbescherming onwenselijk zou zijn als aan klaagster door het ontbreken van een (tijdig genomen) formeel landsbesluit de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beëindiging van haar dienstverband zou worden onthouden. De brief van 6 oktober 2025, opgesteld door de minister van BPD, is onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht en bevat een besluit tot beëindiging van het tijdelijk dienstverband van klaagster per 31 december 2025. Het landsbesluit is eerst op 15 januari 2026 genomen en op 19 maart 2026 aan klaagster uitgereikt. Klaagster heeft de brief dus -niet onbegrijpelijk- kunnen opvatten als een (formeel) besluit en moet daar tegen in rechte op kunnen komen. Het Gerecht merkt daarom de brief van 6 oktober 2025 aan als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Rar en acht zich bevoegd om van het daartegen gerichte bezwaar kennis te nemen.
Heeft de Regering het dienstverband van klaagster rechtsgeldig beëindigd?
5. Het geschil richt zich in de kern op de vraag of het tijdelijk dienstverband in proeftijd van klaagster rechtsgeldig tussentijds is beëindigd per 31 december 2025. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Wat is het wettelijk kader?
Het Gerecht baseert zich op het volgend wettelijk kader.
Artikel 97, eerste lid, van de LMA bepaalt dat ontslag wordt gegeven door het tot het benoemen tot het ambt bevoegde gezag. Het ontslag wordt schriftelijk verleend. De ontslagbeschikking vermeldt de dag van ingang van het ontslag dan wel een aanduiding van die dag.
Artikel 97, tweede lid, van de LMA schrijft voor dat bij ongevraagd ontslag de ambtenaar de reden van het ontslag schriftelijk wordt medegedeeld.
Artikel 99, eerste lid, van de LMA luidt: Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die blijkens zijn benoeming voor een bepaalde tijd of voor een proeftijd is benoemd, wordt, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra die tijd is verstreken.
Artikel 99, vijfde lid, van de LMA luidt: Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid kan eervol ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd of de proeftijd. In dat geval vindt het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid overeenkomstige toepassing.
Het tweede lid van artikel 99 van de LMA bepaalt kort gezegd dat een opzeggingstermijn van drie maanden in acht wordt genomen, ingeval de ambtenaar bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk ten minste twaalf maanden onafgebroken in dienst was.
Hoe oordeelt het Gerecht?
Toepassing van het wettelijk kader op deze zaak betekent het volgende. Tussentijds ontslag van een ambtenaar in een tijdelijke proeftijdaanstelling is volgens artikel 99, vijfde lid, van de LMA mogelijk mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen. Ook moet volgens artikel 97, tweede lid, van de LMA bij een ongevraagd ontslag de reden van het ontslag schriftelijk worden medegedeeld.
Niet in geschil is dat klaagster op de dag waarop het ontslag is gegeven, 10 september 2025, meer dan twaalf maanden onafgebroken in dienst was en dat daarom een opzeggingstermijn van drie maanden geldt. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het op 10 september 2025 door de SG gegeven ontslag rechtsgeldig is.
Volgens de ontslagvereisten van artikel 97, eerste lid, van de LMA moet een ontslag per 31 december 2025, gelet op de opzeggingstermijn van drie maanden, schriftelijk worden gegeven door het bevoegd gezag op 30 september 2025.
Ter zitting heeft de Regering toegelicht dat er voorafgaand aan het op 10 september 2025 gegeven ontslag overleg is geweest tussen de SG en de minister en dat mag worden aangenomen dat het ontslag door de SG namens de Regering is gegeven. Zo is dat ook vastgelegd in het latere landsbesluit, aldus de Regering. Het Gerecht stelt vast dat het ontslag op 10 september 2025 weliswaar namens het bevoegd gezag is uitgesproken, maar niet door het bevoegd gezag schriftelijk is verleend. Naar het oordeel van het Gerecht is het ontslag van 10 september 2025 gelet op het bepaalde in artikel 97, eerste lid, van de LMA dus niet rechtsgeldig.
In de als beschikking aangemerkte brief van 6 oktober 2025 van de minister van BPD is een opzeggingstermijn aangeduid als “vanaf september 2025 tot en met 31 december 2025.” Omdat een ontslag niet met terugwerkende kracht kan worden gegeven, merkt het Gerecht de datum van de brief, 6 oktober 2025, aan als het moment waarop het ontslag is gegeven. Maar ook dit ontslag kan niet leiden tot een einde van het dienstverband per 31 december 2025, omdat de opzeggingstermijn van drie maanden niet in acht is genomen. Evenmin is de beslissing genomen door het bevoegd gezag.
Het Gerecht concludeert dat het tijdelijk dienstverband van klaagster als gevolg van handelen in strijd met de ontslagvereisten van artikel 97, eerste lid, van de LMA niet rechtsgeldig is beëindigd per 31 december 2025. Dit leidt ertoe dat de beschikking van 6 oktober 2025 niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Hiermee ontvalt ook de juridische grondslag aan het landsbesluit van 15 januari 2026.
Waarom is het bezwaar tegen de stopzetting van het salaris niet-ontvankelijk?
6. Nu het Gerecht heeft geoordeeld dat het dienstverband van eiseres niet rechtsgeldig is beëindigd per 31 december 2025, is de consequentie dat de Regering het salaris van eiseres vanaf januari 2026 moet doorbetalen tot 15 februari 2026, de oorspronkelijke einddatum van het tijdelijk dienstverband. Dat betekent dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar bezwaar tegen de stopzetting van haar salaris. Daarom is dat bezwaar niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
7. De slotsom is dat het bezwaar tegen de beschikking van 6 oktober 2025 gegrond is. Deze beschikking zal worden vernietigd. Dat betekent dat het tijdelijk dienstverband niet per 31 december 2025 is geëindigd en doorloopt tot de oorspronkelijke (verlengde) einddatum van 15 februari 2026. Met ingang van 15 februari 2026 eindigt het tijdelijk dienstverband van klaagster van rechtswege op grond van artikel 99, eerste lid, van de LMA.
8. Dat betekent ook dat de Regering geen titel meer heeft voor het niet betalen van het salaris vanaf januari 2026 tot 15 februari 2026. Na de ontvangst van deze uitspraak dient de Regering het alsnog verschuldigde salaris tot 15 februari 2026 aan klaagster uit te betalen en daarbij de verrekening van het -naar nu blijkt terecht- uitbetaalde salaris van januari 2026 ongedaan te maken.
9. In het voorgaande ziet het Gerecht aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klaagster. Deze vergoeding wordt bepaald op Cg 1.400,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende bijstand (1 punt voor het bezwaarschrift CUR202504525 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,- en wegingsfactor 1).
10. Nu met deze uitspraak het bezwaar tegen de stopzetting van het salaris CUR202600767 niet-ontvankelijk is verklaard, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening (CUR202600768) te treffen. Het Gerecht wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
CUR202504525:
- verklaart het bezwaar van klaagster tegen de beschikking van 6 oktober 2025 -de beëindiging van haar dienstverband per 31 december 2025- gegrond;
- vernietigt de beschikking van 6 oktober 2025;
- bepaalt dat de Regering het salaris vanaf januari 2026 tot 15 februari 2026 alsnog aan klaagster uitbetaalt;
CUR202500767:
- verklaart het bezwaar van klaagster tegen de stopzetting van haar salaris vanaf februari 2026 niet-ontvankelijk;
CUR202500768:
- wijst af het verzoek om een voorlopige voorziening;
CUR202504525:
- veroordeelt de Regering tot betaling aan klaagster van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,-.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.