ECLI:NL:OGEAC:2026:78

ECLI:NL:OGEAC:2026:78

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 500.00206/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Vrijspraak voor het plaatsen van drugs in containers op het haventerrein in Curaçao. Betrouwbaarheidsverweer, stemherkenning en ontbreken van ondersteunend bewijs.

Uitspraak

Parketnummer: 500.00206/24

Uitspraak: 30 januari 2026

Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1973] te [Land],

thans gedetineerd.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van der Zee en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. E.F. Sulvaran naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, vanwege de in diverse processen-verbaal opgenomen eigen meningen, veronderstellingen, gissingen en conclusies van de politie. Subsidiair heeft de raadsman bewijsuitsluiting bepleit van deze processen-verbaal. Ten slotte heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

primair

dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 te Curaçao en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 819.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 te Curaçao en/of Nederland en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit bedoeld in artikel 3 van de Opiumlandsverordening 1960, te weten

 het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren en/of

 het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren

van verdovende middelen voor te bereiden en/of te bevorderen,

een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten(en) heeft getracht te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

 telefoon(s) voorhanden gehad en/of al dan niet met die telefoon(s) contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met mededader(s)over het invoeren en/of uitvoeren en/of vervoeren van verdovende middelen en/of verdovende middelen vervoerd en/of

 als beveiligingsmedewerker van de haven van Curaçao inlichtingen verschaft en/of uitgewisseld met mededader(s) over locaties van een of meerdere (zee)container(s) en/of zichzelf en/of anderen de toegang tot het haventerrein verschaft en/of

 cocaïne vervoerd in/met een auto en/of het haventerrein op gebracht en/of

 cocaïne in een container geladen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Gerecht deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, vanwege de in diverse processen-verbaal opgenomen eigen meningen, veronderstellingen, gissingen en conclusies van de politie. Wat de raadsman betreft is, gelet op eerdere waarschuwingen van het Gerecht aan het openbaar ministerie en/of de politie in andere strafzaken, sprake van een doelbewust handelen en een structureel probleem. Fictie en waarheid zijn niet meer te onderscheiden, waardoor geen sprake meer is van een eerlijk proces.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van artikel 413 Sv – dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit – is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval in het (voorbereidend) onderzoek een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het vérstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – the proceedings as a whole were not fair.

Daarvan is naar het oordeel van het Gerecht in dit geval geen sprake.

Als in het onderhavige geval al sprake is van een inbreuk op de rechten van de verdachte is in ieder geval niet duidelijk gemaakt dat deze inbreuk zodanig ernstig is dat het strafproces in zijn geheel niet meer voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Reeds daarom wordt dit verweer gepasseerd.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1]

De verdediging heeft voorts bepleit dat sprake is van opzettelijk afgelegde leugenachtige verklaringen van [medeverdachte 1] en dat die verklaringen daarom niet kunnen bijdragen tot het bewijs.

Van een kennelijk leugenachtige verklaring van een verdachte of een getuige is sprake indien aan de hand van andere wettige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de desbetreffende verklaring aantoonbaar vals is of onverenigbaar met die bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen in ieder geval niet worden gerekend bewijsmiddelen die verklaringen van de verdachte zelf inhouden of van een andere persoon die slechts inhouden wat de verdachte hen heeft meegedeeld. Het moet verder gaan om een verklaring die opzettelijk is afgelegd en dient om de waarheid te bemantelen. Het enkele feit dat een verklaring onaannemelijk is geworden, is dus onvoldoende.

De verdediging heeft bij pleidooi zeer uitvoerig stilgestaan bij de persoon van de [medeverdachte 1], bij (zo begrijpt het Gerecht:) mogelijke toezeggingen die het openbaar ministerie aan [medeverdachte 1] heeft gedaan en bij de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van [medeverdachte 1]. Het is evident dat de verdediging het niet eens is met de inhoud van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen. Dit is echter onvoldoende om van een leugenachtige verklaring te spreken. De verdediging heeft in al hetgeen het naar voren heeft gebracht nagelaten om aan de hand van andere wettige bewijsmiddelen vast te stellen dat de desbetreffende verklaringen aantoonbaar vals zijn of onverenigbaar met die bewijsmiddelen.

Voor bewijsuitsluiting bestaat dan ook geen grond. Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

Op 2 september 2022 is in een zeecontainer in de haven van Curaçao in totaal 819 kilo cocaïne aangetroffen. Deze cocaïne is, zo blijkt uit de camerabeelden, in de nacht van 24 op 25 augustus 2022, in een Toyota 4-Runner naar de container gebracht. Op de beelden is te zien dat de Toyota 4-Runner zonder controle door de beveiliging het haventerrein op rijdt. Ook is te zien dat een persoon het haventerrein via een gat in het hek betreedt.

Op 6 juni 2023 is [medeverdachte 1] als verdachte in deze zaak aangehouden. Hij is daarna vele malen door de politie gehoord en hij heeft in die verklaringen de verdachte belast.

De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij deze partij cocaïne.

Het openbaar ministerie gaat uit van de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 1], stellende dat zijn verklaringen betrouwbaar zijn en steun vinden in ander bewijsmateriaal, te weten de telefoon van de verdachte – evenals de telefoons van [medeverdachte 1] en de twee beveiligers – die in de nacht van 24 op 25 augustus 2022 tussen 23:31 uur en 01:14 uur een zendmast aanstraalt rondom het havengebied en het feit dat de verdachte in verband kan worden gebracht met hiervoor genoemde Toyota 4-Runner.

De verklaringen van [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] is op 6 juni 2023 aangehouden en is vervolgens in de periode van 6 juni 2023 tot en met 5 oktober 2023 in totaal 22 keer door de politie gehoord. In zijn derde verhoor verklaart hij uitgebreid over de illegale praktijken bij de haven, bestaande uit het plaatsen van cocaïne in containers, ook in de nacht van 24 op 25 augustus 2022, waar hij bij betrokken was. In het vierde verhoor verklaart [medeverdachte 1] specifiek over de hier aan de orde zijnde partij cocaïne. Hoewel hij geen namen noemt verklaart hij voor deze klus te zijn benaderd door zijn contactpersoon, een ex-havenmedewerker. Hij geeft nog aan dat het RST heeft geprobeerd die persoon aan te houden, maar dat diegene toen al naar het buitenland was vertrokken. Hij verklaart dat hij ervan uitging dat degene die hem heeft benaderd die avond de Toyota 4-Runner bestuurde, en dat de bestuurder hem heeft betaald. Hij geeft aan dat hij de bestuurder niet heeft gezien. Hij weet dus niet zeker of het de ex-havenmedewerker was die de auto bestuurde. Hij weet wel zeker dat die persoon die nacht in de auto zat. In het dertiende verhoor op 11 juli 2023 verklaart hij dat hij is betaald door de contactpersoon. Omdat [medeverdachte 1] blijft weigeren een naam te noemen, geven de verbalisanten aan dat zij denken dat het om [naam verdachte] gaat. [medeverdachte 1] beantwoordt die vraag bevestigend. Ook de vraag of [verdachte] de contactpersoon was die hem heeft betaald, beantwoordt [medeverdachte 1] bevestigend. Hij blijft erbij dat [verdachte] één van de inzittenden van de Toyota 4-Runner was omdat hij de stem van [verdachte] heeft herkend. Hij heeft [verdachte] niet gezien. In zijn zestiende verhoor tonen de verbalisanten [medeverdachte 1] een foto en hij bevestigt dat de persoon op die foto [verdachte] is, over wie hij het in zijn verklaringen heeft.

In de vele andere verhoren gaat het niet om de in deze zaak ten laste gelegde partij cocaïne en wordt de naam van de verdachte ook niet genoemd.

Het Gerecht overweegt in dit verband als volgt.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan diverse wegen open. Zo kan onder meer worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de desbetreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kunnen tijdverloop en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen, evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring.

Hoewel de verdediging uitvoerig heeft gewezen op inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 1] acht het Gerecht zijn verklaringen wel betrouwbaar. Het Gerecht overweegt dat die inconsistenties niet de kern van zijn verklaring betreffen, namelijk dat hij samen met anderen mensen op het haventerrein toeliet om verdovende middelen in containers te stoppen. Op dat onderdeel vinden zijn verklaringen steun in objectief bewijsmateriaal, waaronder hetgeen te zien is op de camerabeelden van de nacht van 24 op 25 augustus 2022 en het aantreffen van 819 kilo cocaïne in een container op het haventerrein op 2 september 2022. Daarbij is ook van belang dat [medeverdachte 1] met zijn verklaringen niet alleen anderen, onder wie de verdachte, maar ook zichzelf heeft belast.

Vervolgens acht het Gerecht het van belang om te kijken naar wat [medeverdachte 1] specifiek over de rol van de verdachte met betrekking tot deze partij cocaïne heeft verklaard.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat de verdachte hem heeft benaderd in verband met deze partij cocaïne, dat de verdachte hem heeft verteld wanneer één en ander moest gebeuren en dat de verdachte hem heeft betaald. Volgens [medeverdachte 1] was de verdachte, als één van de inzittenden van de Toyota 4-Runner, die nacht bovendien in het havengebied aanwezig. [medeverdachte 1] weet dit omdat hij de verdachte daar en toen aan zijn stem heeft herkend.

Het Gerecht overweegt dat het dossier geen bewijs bevat voor de eerdere ontmoeting tussen de verdachte en [medeverdachte 1], noch voor de betaling (door de verdachte) aan [medeverdachte 1].

Het Gerecht overweegt verder dat hoewel een stemherkenning door een medeverdachte/getuige vanzelfsprekend kan meewerken tot het bewijs, behoedzaamheid geboden is. De bewijswaarde van een stemherkenning hangt immers af van de omstandigheden waaronder deze herkenning tot stand is gekomen. In dit concrete geval is niet meer komen vast te staan dan dat [medeverdachte 1] verklaart de stem van de verdachte te hebben herkend. Hij heeft de verdachte daar en toen nadrukkelijk niet gezien. Over de inhoud en de duur van het gesprek en/of de woorden of klanken waaraan [medeverdachte 1] de stem van de verdachte heeft herkend, is het Gerecht niets gebleken. Datzelfde geldt voor de vraag in hoeverre deze (stem)herkenning is beïnvloed doordat [medeverdachte 1] verklaart de verdachte daar op dat tijdstip te hebben verwacht.

Het Gerecht overweegt voorts dat deze stemherkenning moet worden bezien in het licht van de aard en de omvang van het overige bewijs tegen de verdachte.

In dit geval, kort gezegd, de zendmastgegevens en de Toyota 4-Runner.

Naar het oordeel van het Gerecht volstaan die ondersteunende gegevens in dit geval niet voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Uit de zendmastgegevens kan immers niet meer worden afgeleid dan dat (de telefoon) van de verdachte omstreeks het relevante tijdstip een zendmast aanstraalt met een behoorlijk dekkingsgebied, waarin ook het haventerrein ligt. Ondubbelzinnig bewijs voor verdachtes aanwezigheid in de haven levert dit niet op. Dat de verdachte achteraf geen controleerbare verklaring heeft gegeven over waar hij op dat moment was, maakt dat niet anders.

Met betrekking tot de Toyota 4-Runner overweegt het Gerecht dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte omstreeks 24 augustus 2022 de eigenaar van die auto was noch dat hij die auto die nacht heeft geleend van de eigenaar.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat er, naast de verklaring van [medeverdachte 1] onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, dat redengevend is voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde, in het bijzonder voor verdachtes aanwezigheid bij de haven in de nacht van 24 op 25 augustus 2022.

Het Gerecht zal de verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.

Gelet op de beslissing van het Gerecht om de verdachte vrij te spreken, behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren geen bespreking, nu daarbij geen belang meer is.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door

mr. J. Mulder, griffier, en op 30 januari 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand