GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400602
Vonnis van 2 december 2025 in de zaak van
1. [eiser 1],
2. [ [eiser 2],
2. [ [eiser 3],
2. [ [eiser 4],
2. [ [eiser 5],
allen wonende in Sint Maarten,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,
tegen
1. [gedaagde 1],in persoon en mede in diens hoedanigheid van statutair
directeur van de naamloze vennootschap United Management Group N.V.,
verblijvend in Sint Maarten,
2. [ [gedaagde 2], met onbekende woonplaats,
2. [ [naam N.V.], h.o.d.n. EL ZAFIRO SXM, gevestigd in Sint
Maarten,
gedaagden in conventie,
4. UNITED MANAGEMENT GROUP N.V.,
gevoegde partij, eiseres in reconventie,
inmiddels procederend zonder gemachtigde.
Partijen worden als volgt aangeduid:
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, dat op 15 mei 2024 is ingediend;
het vonnis in het incident van 21 januari 2025;
de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis is reconventie, met producties;
de conclusie van repliek in reconventie, met eiswijziging, tevens van antwoord in reconventie.
[gedaagden]. hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie te nemen. Bij brief van 8 juni 2025 hebben de voormalige gemachtigden van [gedaagden]. en UMG zich als gemachtigden onttrokken.
De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Het Gerecht gaat, in conventie en in reconventie, uit van de volgende feiten.
UMG is op 3 november 2022 opgericht. Haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel vermeldt dat zij zich onder meer bezig houdt met de handel in auto’s en de exploitatie van een autowasserij. Zij handelt onder de naam Golden Touch Auto Spa. [gedaagde1] is benoemd als haar enig statutair directeur.
eisers] houden ieder 10% van de aandelen in UMG, gezamenlijk dus 50%. [eiser1], [eiser2] en [eiser4] hebben ieder, ter volstorting van hun aandelen,
$ 25.000,- betaald aan [gedaagde1]. [eiser3] en [eiser5] hebben die volstorting verricht door levering van bouwmaterialen. [gedaagde2], de moeder van [gedaagde1], heeft de andere 50% van de aandelen gehouden. Zij heeft op enig moment, ter verkrijging van een geleend geldbedrag, 30% van haar aandelen bij wijze van zekerheid overgedragen aan [naam].
Op 24 januari 2024 is een op 5 januari 2024 gedateerde brief van de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde1] betekend met daarin een oproeping door [eisers] voor een op 29 januari 2024 te houden aandeelhoudersvergadering.
Bij e-mail van 27 februari 2024 heeft de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde1] meegedeeld dat [gedaagde1] heeft geweigerd een aandeelhoudersvergadering te houden, dat [gedaagde1] bepaalt wie er wordt aangenomen en tegen welk loon en ook zelf loon uit de onderneming haalt en als enige de onderneming drijft zonder (financiële) verantwoording af te leggen zodat sprake is van wanbeheer door [gedaagde1], met het verzoek aan [gedaagde1] diverse schriftelijk stukken te verschaffen.
Op 16 april 2024 hebben [eisers] conservatoir beslag laten leggen op roerende zaken op het bedrijfsterrein van UMG.
3. De (gewijzigde) vordering in conventie
[eisers] hebben gevorderd, zoals geformuleerd in de conclusie van repliek, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad vijf verklaringen voor recht worden gegeven, en verder, kort samengevat, gevorderd:
De eis is tevens gewijzigd zoals hierna bij de beoordeling zal worden overwogen.
Aan hun vordering hebben [eisers], zakelijk weergegeven, de volgende stellingen ten grondslag gelegd.
eisers] hebben aanzienlijke bedragen geïnvesteerd en aan [gedaagde1] ter beschikking gesteld. [gedaagde1] heeft wanbeleid gevoerd door als enige, en steeds met bewuste buitensluiting van [eisers] als aandeelhouders, de bedrijfsvoering ter hand te nemen. [gedaagde1] initieerde de door [eisers] ongewilde aandelenoverdracht aan zijn moeder [gedaagde2], die die aandelen vervolgens liet beheren door [gedaagde1], die de situatie dat [gedaagde2] haar aandelenkapitaal van in totaal $ 125.000,- niet heeft volgestort in stand liet. [gedaagde1] verzuimt om een deugdelijke bedrijfsadministratie te voeren. Op verzoeken van [eisers] om inzage in de bedrijfsvoering en om financiële gegevens reageerde [gedaagde1] niet of inadequaat. In plaats daarvan verschafte [gedaagde1] onvolledige en onduidelijk gegevens. [eisers] hebben geprobeerd een aandeelhoudersvergadering te laten houden door [gedaagde1] om zo’n vergadering te verzoeken en zelf zo’n vergadering bijeen te roepen. [gedaagde1] heeft zo’n vergadering bewust verhinderd om inspraak in de onderneming tegen te gaan. [gedaagde1] liet na te bevestigen dat de onderneming een bankrekening heeft en is geregistreerd bij de autoriteiten van Sint Maarten (SZV, Belastingdienst, Arbeidsbureau). [gedaagde1] kende zichzelf salaris toe en deed winstuitkeringen aan [gedaagde2], terwijl hij verliezen meldde. [gedaagde1] maakte onbekende mensen tot managers, nam zonder overleg werknemers aan en verhuurde eveneens zonder overleg de ”tire shop” en ”bay”. Uit niets blijkt dat de ingebrachte bouwmaterialen worden aangewend voor de bouw van faciliteiten van UMG. De huur heeft [gedaagde1] op naam van zichzelf gesteld in plaats van die van UMG. Er zijn onherleidbare transacties in contanten. Goed mogelijk is ook dat [gedaagde1] buiten medeweten van [eisers] met de door hen ingelegde gelden een investering heeft gedaan in [N.V.]. [eisers] ontvingen betaalbewijzen op naam van [N.V.] daags voordat [gedaagde1] deze bedrijfsvoering op discontinued” plaatste bij de Kamer van Koophandel. Bij het uitblijven van helderheid hebben [eisers] het sterke vermoeden dat [gedaagde1] gelden voor zichzelf heeft aangewend. Al met al levert dit wanbeheer een onrechtmatige daad van [gedaagde1] jegens [eisers] op. Als bestuurder is [gedaagde1] ook zelf aansprakelijk, omdat hem een ernstig verwijt worden gemaakt.
De investeringen van [eisers] renderen nu niet. In ieder geval voelen [eisers] zich bedrogen door [gedaagde1], aan wie zij bij de oprichting hun inleg hebben toevertrouwd en met wie zij hebben afgesproken dat hij die inleg op de juiste manier zou inzetten voor de oprichting van UMG en een correcte bedrijfsvoering.
Voor de vordering tegen [gedaagde2] geldt dat zij haar aandelen niet heeft volgestort. Haar betaling is, ondanks een afgegeven betalingsbewijs, in ieder geval niet in de onderneming van UMG terecht gekomen. [gedaagde2] was ook niet bevoegd haar aandelen over te dragen aan [naam]. [gedaagde2] houdt zich verder onbereikbaar voor [eisers] en laat [gedaagde1] bewust zijn gang gaan.
Voor de vordering tegen [N.V.] geldt dat [gedaagde1] zonder toestemming, als bestuurder van [N.V.], heeft gehandeld en op naam van [N.V.] personeel heeft ingehuurd en ingezet. [N.V.] heeft door toedoen van [gedaagde1] ook andere, onduidelijke handelingen verricht jegens UMG waarover de gemachtigde van [eisers] [gedaagde1] heeft aangeschreven. Hoe dan ook participeert [N.V.] zonder toestemming van de aandeelhouders in UMG. Indien er zonder onderliggende overeenkomst onverschuldigde betalingen aan [N.V.] zijn gedaan, dan moet [N.V.] die terugbetalen.
4. Het verweer in conventie
[gedaagden]. hebben, zakelijk weergegeven, als volgt verweer gevoerd.
gedaagde1] is niet aansprakelijk. [gedaagde1] heeft het gehuurde terrein en de opstallen, die in deplorabele staat waren, verbouwd en professioneel opgeknapt. Voor het optimaal benutten van de locatie was onderverhuren noodzakelijk. Een ernstig verwijt kan [gedaagde1] niet worden gemaakt. Het vermeende tegenhouden van aandeelhoudersvergaderingen is niet onderbouwd. Bewijs van een verzoek om zo’n vergadering te houden is niet geleverd. Om een bevestiging dat de onderneming is aangemeld bij de autoriteiten hebben [eisers] niet gevraagd. [gedaagde1] heeft geen wanbeleid gevoerd en heeft wel degelijk een bij de bescheiden onderneming passende, summiere boekhouding bijgehouden. Alles wat voor de onderneming van belang is, waaronder de positie van debiteuren en crediteuren, staat in die boekhouding. Die gegevens heeft [gedaagde1] ook met de aandeelhouders gedeeld in maandelijkse rapportages. Desnoods hadden [eisers] kunnen klagen bij het Gemeenschappelijk Hof, zodat een onderzoek had kunnen volgen, maar dat is niet gebeurd. Concrete schade hebben [eisers] niet geleden en het verband tussen eventuele schade en [gedaagde1] is er niet. Misgelopen winst is speculatief.
gedaagde2] is ook niet aansprakelijk. Met bedrijfsvoering of -resultaten en operationele aspecten heeft zij niets van doen gehad. Als aandeelhouder is zij ook niet aansprakelijk boven het bedrag van de storting op haar aandelen, die wel heeft plaatsgevonden. Zie een balance sheet van Altidor & Associates per 31 december 2023. Van misbruik van bevoegdheden door [gedaagde2] is geen sprake geweest.
Aansprakelijkheid van [N.V.] wordt eveneens betwist. Wat [eisers] hebben gesteld leidt niet tot zo’n aansprakelijkheid.
5. De vordering in reconventie
UMG heeft gevorderd dat het Gerecht [eisers] bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad beveelt om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis over te gaan tot opheffing van het op UMG gelegde beslag, op straffe van een dwangsom van $ 5.000,- voor ieder dag of gedeelte daarvan dat [eisers] niet volledig voldoen aan de veroordeling, met een maximum van $ 500.000,-, dan wel het beslag ambtshalve door het Gerecht op te laten heffen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.
UMG stelt dat de wijze waarop het beslag is gelegd onjuist is en disproportioneel.
6. Het verweer in reconventie
[eisers] hebben niet gereageerd op het standpunt van UMG.
7. De beoordeling
in conventie
Tijdens de comparitie van partijen hebben [eisers] naar voren gebracht dat hun eis zo moet worden begrepen, dat primair de (waarde van de) inleg van [eisers] van ieder $ 25.000,- aan hen door [gedaagde1] wordt terugbetaald, en subsidiair [gedaagde1] uit de (leiding van) de onderneming wordt verwijderd, zodat [eisers] de onderneming verder zelf kunnen exploiteren. [gedaagde1] heeft tijdens de comparitie van partijen geen bezwaar gemaakte tegen deze uitleg en uiteindelijke eiswijziging. Op die uiteindelijk gewijzigde eis wordt dan ook beslist.
De vordering tegen [gedaagde1]
Het Gerecht verstaat de stellingen van [eisers] met betrekking tot [gedaagde1]
zo, dat in de visie van [eisers] bij de oprichting van UMG een overeenkomst met [eisers] hebben gesloten, inhoudend dat [eisers] ieder een (waarde of) bedrag van $ 25.000,- aan [gedaagde1] zouden geven en dat [gedaagde1] die inleg op de juiste manier zou inzetten voor de oprichting van UMG en een correcte bedrijfsvoering. En dat [gedaagde1] zodanig tekort is geschoten in de verplichtingen die voor hem uit die overeenkomst voortvloeien, dat in verband daarmee die overeenkomst ontbonden moet worden geacht en [gedaagde1] als ongedaanmakingsverplichting de inleg van ieder van [eisers] aan hen moet terugbetalen. De wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen.
Het Gerecht zal die stellingen van [eiser1] volgen en [gedaagde1], zoals primair is gevorderd, veroordelen tot terugbetaling van $ 25.000,- aan ieder van [eisers], waarbij de termijn voor terugbetaling wordt gesteld op veertien dagen na dit vonnis. [gedaagde1] heeft tegenover de klachten over zijn functioneren te weinig ingebracht. [gedaagde1] heeft met wat hij naar voren heeft gebracht met name niet aangetoond dat hij heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek en die, kort gezegd, kort gezegd, inhouden dat het bestuur een administratie moet voeren van de vermogenstoestand van de vennootschap en van alle betreffende werkzaamheden van die vennootschap zo’n administratie te voeren en daartoe gegevensdragers te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Zo heeft [gedaagde1] in de maandelijkse rapporten uitsluitend een omzet vermeld, daarmee geen zicht tonend in de debiteuren- en crediteuren-positie. Met wie [gedaagde1], al dan niet namens UMG, arbeidsovereenkomsten heeft gesloten met het personeel van de wasstraat, is evenmin inzichtelijk geworden. In reactie op de klacht van [eisers] dat [gedaagde1] de onderneming niet heeft aangemeld bij (een bank en) de autoriteiten van Sint Maarten heeft [gedaagde1] slechts gesteld dat [eisers] niet hebben bewezen daarnaar te hebben gevraagd bij [gedaagde1]. Dit zonder ook maar een aanwijzing te verstrekken dat die aanmelding is gebeurd. Het belemmeren van een aandeelhoudersvergadering heeft [gedaagde1] ook betwist, maar dat hem een oproeping tot het houden van zo’n vergadering is betekend staat vast en dat hij geen medewerking heeft verleend aan het houden van zo’n belangrijke vergadering, heeft hij daarom onvoldoende gemotiveerd betwist.
De vordering tegen [gedaagde2]
Voor zover de vordering gericht is tegen [gedaagde2] slaagt deze niet en wordt deze afgewezen. Dat [gedaagde1] betalingen aan [gedaagde2] heeft gedaan, wordt betwist en is door [eisers] niet onderbouwd. [eisers] hebben onvoldoende gesteld om aansprakelijkheid van [gedaagde2] naast die van [gedaagde1] aan te nemen.
De vordering tegen [N.V.]
Datzelfde geldt voor zover de vordering is gericht tegen [N.V.]. [eisers] hebben onvoldoende toegelicht, waaruit de tekortkoming van [N.V.] jegens [eisers] bestaat. Het enkele sluiten van een huurovereenkomst levert geen tekortkoming op.
Omdat de primaire vordering, althans die tegen [gedaagde1], wordt toegewezen behoeft de subsidiaire vordering geen beoordeling meer.
Proceskosten
gedaagde1] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [eisers] tot op heden worden begroot op Cg 7.060,50 (Cg 240,50 explootkosten, Cg 750,- griffierecht, Cg 30,- zegels, Cg 40,- uittreksels en (3 punten x tarief van Cg 2.000,- =) Cg 6.000,- salaris voor de gemachtigde). [eisers] zal als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde2] en [N.V.] gezamenlijk. Deze kosten worden tot op heden begroot op Cg 2.000,- (1 punt voor conclusie van antwoord x tarief Cg 2.000,-).
in reconventie
eisers] hebben bij verzoekschrift van 29 maart 2024 aan het Gerecht verlof gevraagd om conservatoir beslag te mogen leggen op roerende zaken van UMG. Zij voerden daartoe aan dat zij gegronde vrees hadden voor volledig verlies van hun investering. Een beslag op apparatuur en de faciliteit opgemaakt uit containers, alsmede de dagelijkse inkomsten was noodzakelijk om verdere uitholling tegen te gaan, aldus [eisers] Het gevraagde verlof werd op 10 april 2024 verleend, inclusief de verzochte “verzegeling van de bedrijfsvoering”.
Op 16 april 2024 heeft de deurwaarder uit kracht van dit verlof aan [adres] in Cole Bay, Sint Maarten, conservatoir beslag gelegd op de roerende zaken van UMG. Gelet op de aan het proces-verbaal van beslag gehechte foto’s en de verklaring van [gedaagde1] ter zitting heeft de deurwaarder kennelijk met een slot op het hek ervoor gezorgd dat de bedrijfsvoering ter plaatse stil kwam te liggen.
Het beslag is betekend aan [gedaagde1], [gedaagde2] en [N.V.] en aan de deurwaarder, die zichzelf als bewaarder heeft aangewezen.
Een conservatoir beslag moet worden gevolgd door een eis in de hoofdzaak. Die eis moet er bij toewijzing toe leiden dat het conservatoire beslag executoriaal wordt en dat de beslagen goederen kunnen worden uitgewonnen. Alleen al hierom moet het beslag worden opgeheven. [eisers] hebben hun eis immers ingesteld tegen [gedaagde1], [gedaagde2] en [N.V.], terwijl de beslagen goederen van UMG zijn. Bovendien wordt door UMG terecht aangevoerd dat zij door het beslag onevenredig in haar belangen wordt getroffen, omdat zij door het beslag in het geheel geen omzet meer kan creëren.De vordering zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
eisers] zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van UMG tot op heden begroot op Cg 1.250,- (1 punt voor de eis in reconventie x tarief Cg 1.250,-) als salaris voor de gemachtigde.
8. De beslissing
Het Gerecht:
in conventie
veroordeelt [gedaagde1] om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiser1], [eiser2], [eiser3], [eiser4] en [eiser5] te betalen een bedrag van $ 25.000,- (voor iedere eiser), met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot de voldoening;
veroordeelt [gedaagde1] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op
heden begroot op Cg 7.060,50;
veroordeelt [eiser1] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde2] en [N.V.] gezamenlijk tot op heden begroot op Cg 1.250,-.
in reconventie
beveelt [eisers] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot opheffing van het op de roerende zaken van UMG gelegde beslag, op verbeurte van een dwangsom van $ 2.000,- per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [eisers] niet voldoen aan dit bevel, met een maximum van
$ 100.000,-;
veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van UMG tot op heden begroot op Cg 1.250,- te vermeerderen met de nakosten van Cg 250,- zonder betekening en Cg 400,- na betekening van dit vonnis, en bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
in conventie en in reconventie voorts:
verklaart de onderdelen 8.1. tot en met 8.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst alles wat meer of anders is gevorderd af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
de griffier, de rechter