GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202500514
Vonnis d.d. 20 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
kantoorhoudende in Sint Maarten,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. S.D.M. Roseburg,
tegen
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: E.I. Maduro.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het inleidend verzoekschrift met producties, op 12 mei 2025 ter griffie
ingediend;
- de conclusie van antwoord, met producties.
Op 18 december 2025 is de comparitie van partijen gehouden. [eiseres] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.D.M. Roseburg. [gedaagde] is niet verschenen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiseres] haar eis bij akte vermeerderd en nadere producties in het geding gebracht. [eiseres] heeft haar standpunten toegelicht en vragen van de rechter beantwoord.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
Op 1 augustus 2014 heeft [gedaagde] van [naam X] (hierna te noemen: [X].), de vader van [eiseres], een perceel met gebouw aan [adres], in Sint Maarten gehuurd om aldaar een auto-inspectiebedrijf te vestigen De huurprijs bedraagt USD 2.000,00 per maand. Op 1 april 2016 zijn [X]. en [gedaagde] een addendum overeengekomen op grond waarvan [gedaagde] nog twee containers als kantoorruimte van [eiseres] is gaan huren voor een huurprijs van USD 500,00 per maand.
Op 9 december 2016 heeft [X]. een testament laten maken waarin hij onder meer drie van zijn kinderen, waaronder [eiseres], tot zijn erven heeft benoemd en hij [eiseres] als executeur-testamentair heeft benoemd.
Op 9 juli 2020 heeft [X]. een notariele volmacht aan [eiseres] gegeven om, kort gezegd, [X]. in ruime zin te vertegenwoordigen in al zijn medische en zakelijke aangelegenheden.
Bij brief van 16 mei 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd een betalingsachterstand te betalen met betrekking tot het onder 2.1. vermelde gehuurde. Bij brief van 30 mei 2024 heeft [gedaagde] daarop gereageerd. Bij brief van
3 januari 2025 de heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd de huurachterstand met buitengerechtelijke kosten te betalen.
Bij beschikking van 7 april 2025, registratienummer EJ421/2024/
SXM202401430, heeft dit Gerecht [X]. onder curatele gesteld wegens, kort gezegd, een geestelijke stoornis, met benoeming van [eiseres] als curator.
Op 27 juni 2025 is [X]. overleden.
3. De vordering
eiseres] heeft gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorrraad:
I. [gedaagde] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen en te verlaten, onder
verbeurte van een dwangsom indien niet aan deze veroordeling wordt
voldaan;
II. [gedaagde] wordt veroordeeld aan [eiseres] te betalen USD 80.540,00, met
buitengerechtelijke kosten en rente;
III. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Aan haar vordering heeft [eiseres] de hiervoor vermelde feiten ten grondslag gelegd, die [eiseres] bij de comparitie van partijen als volgt heeft toegelicht. Het is [X]. geweest die tot aan zijde overlijden de eigenaar en verhuurder was van het onderhavige perceel met gebouw en containers. [gedaagde] had over de huurovereenkomsten en de huurachterstanden echter steeds contact met [eiseres], aan wie [gedaagde] ook de huur betaalde. Ook anderszins handelde [eiseres] met het gehuurde alsof zijzelf de verhuurder was. Het plan is om het gehuurde zelf te gaan gebruiken. In het testament van [X]. staat dat dit erfpachtperceel moet worden verkocht.
4. Het verweer
gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.
5. Beoordeling
gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] niet de contractspartij van [gedaagde] was of is geworden. Dat verweer slaagt. De vordering is ingesteld door [eiseres], die geen verhuurder is of in een andere directe rechtsverhouding tot [gedaagde] staat. Het moge zo zijn dat [eiseres] ten tijde van het indienen van het verzoek, op
12 mei 2025, de gevolmachtigde in ruime zin van [X]. was, maar dat maakt haar nog geen partij bij de overeenkomst. [eiseres] heeft het verzoekschrift uitsluitend voor zichzelf ingediend. Weliswaar heeft [eiseres] feitelijk contact met [gedaagde] gehad over de huurachterstand, heeft zij de huur voor [X]. ontvangen en heeft zij door het overlijden van [X]. waarschijnlijk ook de hoedanigheid van executeur-testamentair en mede-erfgenaam verkregen. Deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, leiden echter nog niet tot de concludie dat [eiseres] gerechtigd is voor zichzelf een vordering als de onderhavige in te dienen.
Wat hiervoor onder 5.1. is overwogen zou wellicht anders hebben kunnen uitpakken indien de uitdrukkelijke toestemming van [gedaagde] zou zijn gebleken van een wijziging van de persoon of de hoedanigheid van de eisende partij. Dergelijke toestemming van [gedaagde] is echter niet gebleken.
eiseres] wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Als de in het ongelijk te stellen partij wordt [eiseres] veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de kant van [gedaagde] tot op heden begroot op (1 punten x tarief Cg 1.250,00 per punt =) Cg 1.250,00 voor salaris van de gemachtigde van [gedaagde].
Het Gerecht merkt nog het volgende op. Gelet op de stellingen van [eiseres] zou er een enorme huurachterstand bestaan. Indien dat juist is, zou dat zonder meer de ontruiming van het gehuurde en de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. Om een nieuwe procedure (voor wat betreft de ontruiming al dan niet in kort geding) door de juiste eisende partij te voorkomen, doen [gedaagde] en zijn gemachtigde er goed aan zo spoedig mogelijk met [eiseres] en haar gemachtigde in overleg te treden over een minnelijke wijze van beëindiging van de huurovereenkomst.
6. De beslissing
Het Gerecht:
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot op heden begroot op Cg 1.250,00 voor salaris van de gemachtigde van [gedaagde];
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in het bijzijn van de griffier.