Uitspraak van 12 augustus 2026
BBZ nrs. SXM202500807, SXM202501053 t/m SXM202501059 en SXM202501080, SXM202500808, SXM202501060 t/m SXM202501062 en SXM202500085, SXM202500032, SXM202500809, SXM202501063 t/m SXM202501065
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:
[Belanghebbende], gevestigd in Sint Maarten,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn naar aanleiding van de bevindingen van een boekenonderzoek naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd in de winstbelasting (WB), loonbelasting (LB), AVBZ, AOV/AWW en belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over de jaren 2017 tot en met 2020 (hierna: de naheffingsaanslagen). Het betreffen de volgende naheffingsaanslagen:
Middel
Jaar
Datum naheffingsaanslag
Belasting (NAf)
Boete (NAf)
BBO
2017
19.12.2022
31.940
7.985
BBO
2018
28.04.2023
38.385
9.596
BBO
2019
28.04.2023
40.582
10.146
BBO
2020
12.06.2023
51.108
12.777
WB
2017
23.12.2022
39.510
19.755
WB
2018
28.04.2023
73.632
36.816
WB
2019
28.04.2023
64.101
32.051
WB
2020
28.04.2023
180.584
90.292
LB
2017
30.12.2022
5.251
1.313
LB
2018
17.05.2023
4.190
1.048
LB
2019
17.05.2023
1.395
349
LB
2020
17.05.2023
4.981
1.245
AOV/AWW
2017
19.12.2022
14.363
7.181
AOV/AWW
2018
17.05.2023
4.763
595
AOV/AWW
2019
10.07.2023
2.701
338
AOV/AWW
2020
17.05.2023
5.223
652
AVBZ
2017
30.12.2022
2.052
513
AVBZ
2018
17.05.2023
882
110
AVBZ
2019
10.07.2023
386
48
AVBZ
2020
17.05.2023
820
103
Met dagtekening 28 april 2023 heeft de Inspecteur een nadere naheffingsaanslag winstbelasting 2017 opgelegd.
Op 17 mei 2023 vermindert de Inspecteur ambtshalve de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes WB, LB en AVBZ over het jaar 2017, naar de volgende verschuldigde bedragen:
- WB 2017: NAf 13.630, alsmede NAf 6.815 (50% vergrijpboete)
- LB 2017: NAf 1.817, alsmede NAf 454 (25% vergrijpboete)
- AVBZ 2017: NAf 721, alsmede NAf 180 (25% vergrijpboete)
Belanghebbende heeft op 1 september 2023 tegen de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes, met uitzondering van de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes AOV/AWW, pro forma bezwaar gemaakt. Hierbij heeft belanghebbende verzocht om 3 maanden uitstel voor het motiveren van het bezwaarschrift.
Bij brief van 6 september 2023 heeft de Inspecteur verzocht het bezwaarschrift binnen 6 weken nader te motiveren. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat, indien geen motivering zou volgen uiterlijk op 30 november 2023, het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Op 29 november 2023 verzoekt belanghebbende om nadere verlenging van het termijn (tot eind maart 2024), voor de motivering van het bezwaarschrift.
Op 7 mei 2024 heeft belanghebbende (wederom) bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes BBO en WB met betrekking tot het jaar 2020.
Aan belanghebbende is op 21 september 2024 een naheffingsaanslag winstbelasting 2022 opgelegd.
Belanghebbende heeft op 29 oktober 2024 bezwaar tegen de in 1.2 genoemde naheffingsaanslag en de in 1.8 genoemde naheffingsaanslag (afzonderlijk) ingediend.
De Inspecteur doet op 15 november 2024 uitspraak op bezwaar tegen de in 1.8 genoemde naheffingsaanslag, waarbij het bezwaar ontvankelijk wordt geacht, doch gehandhaafd blijft wegens het ontbreken van enige grond voor vermindering.
Belanghebbende tekent op 14 januari 2025 beroep aan tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de in 1.8 genoemde naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft hierbij NAf 150 betaald aan griffierecht.
Belanghebbende tekent tevens op 14 januari 2025 beroep aan tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar tegen de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen. Belanghebbende heeft hierbij NAf 150 betaald aan griffierecht.
De Inspecteur heeft op 17 juni 2025, hangende de beroepsprocedure, alsnog uitspraken op bezwaar gedaan betreffende de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en heeft deze bezwaren niet ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de Inspecteur de bezwaren als een verzoek om ambtshalve vermindering behandeld en de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes gehandhaafd.
Belanghebbende heeft op 1 augustus 2025 wederom beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar genoemd in 1.13. Belanghebbende heeft hierbij NAf 450 (3x NAf 150) betaald aan griffierecht.
Belanghebbende heeft op 1 november 2025 een pleitnota ingediend.
De Inspecteur heeft op 22 en 29 november 2025 verweerschriften betreffende de in 1.1 en 1.8 genoemde naheffingsaanslagen ingediend.
Belanghebbende heeft op 7 december 2025 haar beroepschrift betreffende de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen aangevuld.
Belanghebbende heeft op 8 december 2025 haar beroepschrift betreffende de in 1.8 genoemde naheffingsaanslag aangevuld.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025 te Philipsburg. Namens belanghebbende zijn verschenen I. Concinción verbonden aan [X], [A] (via videoverbinding) en [B] (directeur). Namens de Inspecteur zijn verschenen drs. [C], mr. [D], [E] en mr. [F].
2. FEITEN
De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit de verkoop van meubels en stoven en de fabricage van matrassen. De bedrijfsactiviteiten worden vanuit 2 vestigingen uitgeoefend, een hoofdvestiging gelegen aan de [plaats 1] en een filiaal gelegen aan de [plaats 2].
De onderneming wordt gedreven in de vorm van een N.V., waarvan 100% van de aandelen in bezit zijn van [B].
Er heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het controlerapport van 29 november 2022. Het boekenonderzoek is ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften winstbelasting, loonbelasting (waaronder begrepen AOV/AWW en AVBZ) en belasting op bedrijfsomzetten over de jaren (tijdvakken) 2017 tot en met 2020.
De bevindingen uit het rapport hebben geleid tot de oplegging van de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten.
In de periode van september 2023 tot en met april 2025, heeft belanghebbende diverse vertegenwoordigers gehad, zoals: [Y], [Z] en [X].
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
In geschil is:
I de ontvankelijkheid van de beroepen;
II het beroep tegen het niet tijdig beslissen;
III de ontvankelijkheid van het bezwaar, en indien aan een inhoudelijke behandeling wordt toegekomen;
IV de rechtmatigheid van de (nadere) naheffingsaanslag WB 2017;
V of de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes tot de juiste bedragen zijn vastgesteld;
VI of de in 1.8 genoemde naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de beroepen ontvankelijk zijn. Zij voert daartoe aan dat eventuele termijnoverschrijdingen en het ontbreken van een (volledige) motivering zijn veroorzaakt door bijzondere administratieve omstandigheden, waaronder de noodzaak tot reconstructie van de administratie en het vaststellen van de beginbalans. Volgens belanghebbende was het daardoor feitelijk onmogelijk om tijdig een deugdelijke motivering van de bezwaren te geven. Voorts stelt zij dat de wisseling van administrateurs niet heeft bijgedragen aan een tijdige en adequate afhandeling van de bezwaarprocedure.
Verder stelt belanghebbende dat, indien zij ontvankelijk wordt verklaard in haar bezwaar en beroep, de nadere naheffingsaanslag winstbelasting 2017 niet rechtsgeldig is opgelegd, althans dient te worden verminderd tot nihil nu deze na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn is vastgesteld. Volgens belanghebbende had de Inspecteur derhalve niet meer de bevoegdheid om de naheffingsaanslag op te leggen.
Daarnaast betoogt belanghebbende dat de naheffingsaanslagen genoemd in 1.1 tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Volgens haar zijn de door de Inspecteur aangebrachte correcties, waaronder ten aanzien van omzet, crediteuren en buitengewone lasten, onjuist of onvoldoende onderbouwd. Belanghebbende stelt dat zij, zodra de administratie volledig is gereconstrueerd, juiste en controleerbare cijfers zal kunnen overleggen.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat zowel de bezwaren als de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Hij voert aan dat zowel de bezwaren als de beroepen niet tijdig zijn ingesteld en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarnaast stelt de Inspecteur dat de bezwaren, ondanks herhaalde verzoeken en verleend uitstel, niet of onvoldoende zijn gemotiveerd, zodat deze terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Voorts stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de nadere naheffingsaanslag winstbelasting 2017 niet in stand kan blijven. Hij voert aan dat de naheffingsaanslag, gelet op de toepasselijke wettelijke termijnen en de omstandigheden van het geval, niet had mogen worden opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud toegezegd dat hij de naheffingsaanslag ambtshalve zal verminderen tot nihil.
Voor wat betreft de naheffingsaanslagen vermeldt onder 1.1 stelt de Inspecteur dat, gesteld dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar en beroep, deze naheffingsaanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld en dat hetzelfde heeft te gelden voor de opgelegde vergrijpboeten. Gelet op de geconstateerde gebreken in de administratie is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur niet doen blijken dat en in hoeverre de naheffingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld.
Belanghebbende heeft ook beroep ingediend tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2022. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar en beroep ontvankelijk is. Belanghebbende heeft evenwel, tot op heden, geen aangifte winstbelasting voor het jaar 2022 ingediend. Ter zitting is met partijen afgesproken dat de zaak over de naheffingsaanslag winstbelasting 2022 zal worden aangehouden tot een volgende zitting teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog jaarstukken in te dienen en aangifte te doen.
4. OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid van het beroep tegen de naheffingsaanslagen genoemd in 1.1
Alvorens tot een eventuele inhoudelijke beoordeling van het geschil te kunnen overgaan, dient het Gerecht eerst de ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep te beoordelen.
Belanghebbende heeft op 1 september 2023 tegen de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen, behoudens tegen de naheffingsaanslagen AOV/AWW 2017 tot en met 2020, bezwaar gemaakt.
Ingevolge artikel 30, tweede 2 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is een uitspraak op bezwaar niet tijdig gedaan als de Inspecteur niet binnen 9 maanden, na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk 1 juni 2024, een uitspraak heeft gedaan.
Bij het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar door de Inspecteur, kan belanghebbende ingevolge artikel 31, eerste lid, ALL, binnen twaalf maanden nadat de termijn hiervoor is verstreken, dus uiterlijk op 1 juni 2025, in beroep komen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Belanghebbende is op 14 januari 2025 in beroep gekomen tegen (naar het Gerecht begrijpt) het uitblijven van uitspraken op bezwaar (zie 1.12) door de Inspecteur. Dit beroep is tijdig ingesteld.
Hangende de beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 17 juni 2025, alsnog uitspraken op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het beroep niet tijdig beslissen is mitsdien niet-ontvankelijk.
Het door belanghebbende ingestelde beroep van 1 september 2023 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de reële uitspraak op bezwaar van 17 juni 2025 (GEA Curaçao, 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57). Ook deze uitspraak is derhalve onderwerp van onderhavige procedure.
Voor zover belanghebbende op 1 augustus 2025 wederom beroep heeft ingesteld, merkt het Gerecht dit aan als een bevestiging dan wel aanvulling van het reeds ingestelde beroep.
Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen genoemd in 1.1, met uitzondering van de naheffingsaanslag AVBZ 2019 en vergrijpboete
Op grond van artikel 29 ALL kan degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur.
Belanghebbende heeft op 1 september 2023 pro forma bezwaar aangetekend tegen de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen. Deze naheffingsaanslagen hebben de volgende dagtekeningen: 28 april 2023, 17 mei 2023 of 12 juni 2023. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.
Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.
Desgevraagd heeft belanghebbende verklaard dat de reden voor het te laat instellen van bezwaar, gelegen is in het feit dat belanghebbende haar administratie niet op orde had vanwege een wisseling van administrateur.
Het Gerecht overweegt dat deze omstandigheden voor rekening en risico van belanghebbende komen en geen verschoonbare reden vormen voor het niet tijdig indienen van bezwaar. Dat belanghebbende haar administratie diende te reconstrueren en te maken had met wisselingen van administrateurs, doet daaraan niet af.
Het Gerecht is van oordeel dat het vorengaande geen verschoonbare grond oplevert voor de termijnoverschrijding en concludeert alsdan dat de Inspecteur in diens uitspraak van 17 juni 2025 terecht de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag AVBZ 2019 en de ter zake daarvan opgelegde vergrijpboete
Op grond van artikel 29 ALL kan degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd [cursivering door het Gerecht] bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur.
De naheffingsaanslag AVBZ en vergrijpboete over het jaar 2019 is opgelegd met een dagtekening van 10 juli 2023.
Belanghebbende heeft op 1 september 2023 pro forma bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag AVBZ 2019 en de ter zake daarvan opgelegde boete. Dit bezwaarschrift is dus binnen de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.
In het bezwaarschrift is verzocht om uitstel voor het indienen van de nadere onderbouwing. De adviseur had uitstel verzocht om de financiële administratie en het rapport van het boekenonderzoek door te nemen. De Inspecteur heeft belanghebbende op 6 september 2023 geïnformeerd, uitstel te verlenen tot 30 november 2023.
Op 28 november 2023 heeft de administrateur een nadere reactie ingediend strekkende tot het verkrijgen van aanvullend uitstel, onder verwijzing naar het feit dat de administratie van belanghebbende niet op orde was.
Nadien is met diverse adviseurs alsmede de directeur van belanghebbende gecorrespondeerd over het verstrekken van juiste, afgestempelde aangiften winstbelasting (inclusief jaarrekeningen) voor de jaren 2017 tot en met 2020.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij e-mail van 12 maart 2025 verzocht de gronden van het bezwaar nader te onderbouwen en de relevante bewijsstukken/documenten over te leggen. De toenmalige adviseur heeft diezelfde dag meegedeeld belanghebbende niet langer te vertegenwoordigen. De Inspecteur heeft vervolgens op 12 maart 2025 rechtstreeks de aandeelhouder van belanghebbende aangeschreven met een verzoek om de onderbouwing en bewijsstukken uiterlijk op 18 maart 2025 in te dienen.
Toen ook een reactie uitbleef, heeft de Inspecteur belanghebbende bij e-mail van 19 maart 2025 gerappelleerd en daarbij een nadere termijn gesteld tot 20 april 2025 voor het overleggen van de gevraagde stukken.
Ten tijde van het doen van de uitspraken op bezwaar op 17 juni 2025 had de Inspecteur nog steeds geen inhoudelijke motivering of onderbouwing van het bezwaar ontvangen, en heeft hij belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de Inspecteur belanghebbende voldoende in de gelegenheid heeft gesteld het bezwaar te motiveren en dat het uitblijven daarvan voor rekening en risico van belanghebbende komt. Het bezwaar is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Ambtshalve vermindering boetes wegens overschrijding redelijke termijn
Het Gerecht dient met betrekking tot de vergrijpboetes ambtshalve te beoordelen of inbreuk is gemaakt op het recht van belanghebbende op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).
Belanghebbende is tijdens het eindgesprek met betrekking tot het boekenonderzoek op 2 november 2022 bekend geworden met de gevolgen van het onderzoek. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (11 augustus 2026), is de redelijke termijn met een jaar en tien maanden overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boetes verminderen met 15%, en een maximale vermindering van NAf 10.000, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
Het vorenstaande brengt mee dat de vergrijpboetes genoemd in 1.1 worden verminderd als volgt.
Omschrijving
Boete (NAf)
Af: 15% (4.26)
Saldo (NAf)
BBO 2017
7.985
1.198
6.787
BBO 2018
9.596
1.440
8.156
BBO 2019
10.146
1.522
8.624
BBO 2020
12.777
1.917
10.860
WB 2017
6.815
1.023
5.792
WB 2018
36.816
5.523
31.293
WB 2019
32.051
4.808
27.243
WB 2020
90.292
10.000
80.292
LB 2017
454
69
385
LB 2018
1.048
158
890
LB 2019
349
53
296
LB 2010
1.245
187
1.058
AVBZ 2017
180
27
153
AVBZ 2018
110
17
93
AVBZ 2019
48
8
40
AVBZ 2020
103
16
87
Ten overvloede
In het verweerschrift (slotzin van onderdeel 6.1) heeft de Inspecteur verklaard dat de nadere naheffingsaanslag winstbelasting 2017 ten onrechte is opgelegd en dat deze zal worden verminderd tot nihil.
Slotsom
Nu het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
De Inspecteur heeft niet tijdig uitspraak op het bezwaar gedaan, waarna belanghebbende daartegen beroep heeft ingesteld en de Inspecteur vervolgens alsnog uitspraak heeft gedaan.
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (vgl. HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4638). Dat het onderhavige geding voor het Gerecht niet tot een vermindering van enige naheffingsaanslag heeft geleid, doet daaraan niet af.
In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 700 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 0,5 (beroep tegen niet tijdig beslissen)).
Belanghebbende heeft per abuis te veel c.q. dubbel aan griffierechten betaald. Zie in dit verband 1.12 en 1.14. Nadat op 14 januari 2025 reeds Cg 150 aan griffierechten is betaald, is nogmaals op 1 augustus 2025 Cg 450 aan griffierechten betaald voor het instellen van beroep tegen de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen.
Het Gerecht zal de griffier gelasten de te veel betaalde griffierechten van Cg 450 terug te betalen.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Brinkenberg, rechter, en is uitgesproken op 12 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel- van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Frontstreet 58 (The Courthouse)
Philipsburg
Sint Maarten
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd.