HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
1. [klager 1],
2. [klager 2],
3. [klager 3],
4. [klager 4],
5. [klager 5],
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
Zaaknummer: SXM202600498-GAZ 18/2026
Datum: 24 augustus 2026
In het geding van:
hierna afzonderlijk te noemen: klager sub 1 tot en met klager sub 5, en gezamenlijk te noemen: klagers,
allen procederende in persoon,
tegen
zetelende te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.I. SCHRAM,
Procesverloop
Bij e-mailbericht van 20 maart 2026 hebben klagers verweerder onder meer verzocht om de salarissen van de leden van het Openbaar Ministerie overeenkomstig de toepasselijke regelgeving te indexeren en deze indexering met terugwerkende kracht toe te passen.
Op 7 mei 2026 hebben klagers beroep ingesteld bij het Gerecht tegen het uitblijven van een beschikking.
Verweerder heeft een contra- memorie ingediend.
De openbare behandeling van het bezwaar heeft op 17 augustus 2026 plaatsgevonden. Klagers sub 1, 2 en 3 zijn in persoon verschenen en hebben mede namens de overige klagers het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Klagers hebben ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Feiten
Klager sub 1 tot en met klager sub 4 zijn werkzaam als officier van justitie bij het Openbaar Ministerie van Sint Maarten. Klager sub 5 was ten tijde van het instellen van het beroep werkzaam als advocaat-generaal bij het parket van de procureur-generaal. Klagers zijn op verschillende momenten in dienst getreden. De benoemingstermijn van klager sub 5 als advocaat-generaal is in juli 2026 verstreken.
Op 2 oktober 2024 hebben klagers zich schriftelijk tot de procureur-generaal gewend met het verzoek de wettelijke indexering van de salarissen toe te passen.
De kwestie van de salarisindexering is vervolgens binnen het openbaar ministerie onder de aandacht gebleven. De procureur-generaal heeft een voorstel tot indexering als agendapunt ingebracht voor het Justitieel Vierlandenoverleg (hierna: JVO) van januari 2026. Het voorstel is tijdens dat overleg door de betrokken ministers van Justitie besproken.
Naar aanleiding van die bespreking heeft verweerder de procureur-generaal verzocht om een uitwerking van de financiële implicaties van de voorgestelde indexering.
Bij e-mailbericht van 20 maart 2026 hebben klagers zich tot verweerder gewend met het verzoek om de salarissen van de leden van het openbaar ministerie overeenkomstig de toepasselijke regelgeving te indexeren en deze indexering met terugwerkende kracht toe te passen. Daarnaast hebben zij verzocht om inzicht te verschaffen in de redenen waarom in de voorafgaande jaren geen (automatische) indexeringen hebben plaatsgevonden.
Bij brief van 27 maart 2026 heeft verweerder klagers bericht dat vooralsnog geen formeel voorstel was ontvangen waarin de financiële implicaties van de voorgestelde indexering waren uitgewerkt en waarop het land een standpunt zou kunnen baseren. Verweerder heeft meegedeeld dat het verzoek van klagers per direct in behandeling was genomen. Voorts is meegedeeld dat eerst de financiële consequenties van een eventuele toepassing van de gevraagde indexering voor het land zouden worden geïnventariseerd, waarna verweerder zich nader zou beraden en klagers daarover zou informeren. Ten aanzien van het verzoek om inzicht in de redenen waarom in het verleden geen (automatische) indexeringen hadden plaatsgevonden, heeft verweerder in dezelfde brief een toelichting gegeven.
Bij brief van 2 april 2026 hebben klagers verweerder verzocht om binnen twee weken een besluit te nemen dan wel een concrete termijn voor besluitvorming te formuleren.
Verweerder heeft vervolgens geen beschikking gegeven en daarvoor evenmin een concrete termijn geformuleerd.
De standpunten van partijen
Klagers hebben beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op hun verzoek van 20 maart 2026. Zij verzoeken het Gerecht verweerder op te dragen binnen een door het Gerecht te bepalen termijn alsnog op hun verzoek te beslissen. Voorts verzoeken zij verweerder op te dragen inzicht te verschaffen in de indexeringen van de salarissen van de leden van het openbaar ministerie in de drie landen over de periode 2019 tot en met 2026 en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek niet strekt tot een individuele rechtspositionele beslissing, maar tot een algemene aanpassing van de bezoldigingsschalen en daarmee tot vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift waartegen geen beroep openstaat. Subsidiair voert verweerder aan dat het beroep prematuur is ingesteld, omdat tussen het verzoek van 20 maart 2026 en het instellen van het beroep op 7 mei 2026 onvoldoende tijd is verstreken. Voorts stelt verweerder dat de bevoegdheid om de bedoelde salarisaanpassing vast te stellen bij “Onze Ministers” gezamenlijk berust en niet bij de Minister van Justitie van Sint Maarten afzonderlijk.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig, in het hierna volgende nader ingegaan.
Toetsingskader
Artikel 25, eerste lid, van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet) bepaalt dat tegen een rechtspositionele beschikking of handeling waarbij een lid van het openbaar ministerie als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, een belanghebbende beroep kan instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van het land waar belanghebbende woont.
Artikel 25, vierde lid, van de Rijkswet bepaalt dat op de behandeling van het beroep en het hoger beroep de regels van het procesrecht voor de behandeling van ambtenaarrechtelijke geschillen van het land waarin het beroep wordt behandeld van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 25, vijfde lid, van de Rijkswet bepaalt dat met een beschikking of handeling bedoeld in dit artikel een weigering te beschikken of te handelen wordt gelijkgesteld.
Artikel 10, vierde lid, van het Rijksbesluit rechtspositie leden openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Rijksbesluit) bepaalt dat onze Ministers het salaris van de leden van het openbaar ministerie jaarlijks aanpassen op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
Volgens artikel 1, onderdeel g, van de Rijkswet zijn Onze Ministers: de Minister van Justitie van Curaçao, de Minister van Justitie van Sint Maarten en de Minister van Justitie van Nederland gezamenlijk.
Is sprake van het uitblijven van een rechtspositionele beschikking waartegen beroep openstaat?
Het Gerecht dient allereerst te beoordelen waarop het verzoek van klagers van 20 maart 2026 betrekking heeft. In dat verzoek is verzocht om de salarissen van de leden van het openbaar ministerie overeenkomstig de toepasselijke regelgeving te indexeren en deze indexering met terugwerkende kracht toe te passen. Deze formulering laat op zichzelf ruimte voor de uitleg dat tevens wordt verzocht om aanpassing van de in de bijlage bij het Rijksbesluit opgenomen salarisschalen. Klagers hebben ter zitting evenwel uitdrukkelijk bevestigd dat hun verzoek niet daarop ziet, maar uitsluitend op toepassing van de volgens hen verschuldigde salarisindexering op hun individuele salarissen, met terugwerkende kracht. Het Gerecht zal het verzoek overeenkomstig deze toelichting verstaan.
Het verzoek heeft daarmee betrekking op de individuele rechtspositie van klagers. Zij verlangen immers vaststelling van hun salaris overeenkomstig de volgens hen toepasselijke geïndexeerde salarisschalen en uitbetaling van het daaruit voortvloeiende verschil. Een beslissing op een dergelijk verzoek betreft een rechtspositionele beslissing als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Rijkswet. Dat voor de beoordeling van die aanspraak mede moet worden vastgesteld welke salarisindexering op grond van artikel 10, vierde lid, van het Rijksbesluit had moeten plaatsvinden, maakt dat niet anders.
Voor zover het beroep ziet op het uitblijven van een beslissing op de individuele aanspraak van klagers op toepassing van de volgens hen verschuldigde salarisindexering, staat daartegen derhalve beroep open.
Uit de stukken volgt dat verweerder op dit verzoek geen beschikking heeft gegeven. In zoverre is derhalve sprake van het uitblijven van een beschikking als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Rijkswet.
Is het beroep prematuur ingesteld?
Volgens vaste jurisprudentie van het Gerecht wordt in het algemeen als redelijke termijn, waarbinnen het bevoegd gezag geacht wordt een weigering om te beschikken op een verzoek te hebben uitgesproken, een termijn van tussen vier maanden en één jaar na indiening van het schriftelijke verzoek aangenomen. Welke termijn in een concreet geval redelijk is, hangt evenwel af van de omstandigheden van het geval.
Tussen het verzoek van 20 maart 2026 en het instellen van het beroep op 7 mei 2026 zijn nog geen vier maanden verstreken. Dat tijdsverloop is in dit geval echter niet doorslaggevend. Klagers hebben ter zitting onweersproken naar voren gebracht dat de verplichting tot salarisindexering reeds in 2016 bij de minister van Justitie onder de aandacht is gebracht en ook in de daaropvolgende jaren onderwerp van bespreking is gebleven. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat de aan de individuele aanspraak van klagers ten grondslag liggende indexeringskwestie voor verweerder ten tijde van het verzoek geenszins een nieuw onderwerp was.
Daarbij komt dat de kwestie enkele maanden voor het indienen van het verzoek uitdrukkelijk de aandacht had van verweerder. De procureur-generaal heeft een concreet voorstel tot indexering in januari 2026 immers als agendapunt ingebracht in het JVO, waarover de betrokken ministers van Justitie hebben gesproken. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de procureur-generaal verzocht om een uitwerking van de financiële implicaties van de voorgestelde indexering. De kwestie bevond zich daarmee reeds vóór het verzoek van klagers in een fase van inhoudelijke bespreking en voorbereiding.
Verder wordt meegewogen dat verweerder bij brief van 27 maart 2026 heeft meegedeeld dat het verzoek van klagers per direct in behandeling was genomen. Klagers hebben verweerder vervolgens bij brief van 2 april 2026 verzocht om binnen twee weken een besluit te nemen dan wel een concrete termijn voor besluitvorming te formuleren. Verweerder heeft daarna geen beschikking gegeven en evenmin een concrete termijn genoemd.
Onder deze omstandigheden kan het beroep naar het oordeel van het Gerecht niet als prematuur worden aangemerkt. Het verzoek van 20 maart 2026 moet worden bezien tegen de achtergrond van een bij verweerder reeds jarenlang bekende en voorafgaand aan het verzoek opnieuw besproken indexeringskwestie, die ten grondslag ligt aan de individuele aanspraak van klagers.
Het beroep is derhalve niet prematuur ingesteld. Het Gerecht is van oordeel dat op 7 mei 2026, toen klagers hun beroepschrift bij het Gerecht indienden, een redelijke beslistermijn om te beslissen op het verzoek van klagers was verstreken.
De bevoegdheid van verweerder
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid om de in artikel 10, vierde lid, van het Rijksbesluit bedoelde salarisaanpassing vast te stellen bij “Onze Ministers” gezamenlijk berust.
Zoals uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt, berust de bevoegdheid tot de in artikel 10, vierde lid, van het Rijksbesluit bedoelde jaarlijkse salarisaanpassing bij “Onze Ministers” gezamenlijk. Deze bepaling ziet op de jaarlijkse aanpassing van de salarissen als zodanig. Het verzoek van klagers ziet evenwel op de toepassing van de volgens hen verschuldigde salarisindexering op hun individuele salarissen.
Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt dat voor de beoordeling en toepassing van een dergelijke individuele aanspraak eveneens gezamenlijke besluitvorming van de betrokken ministers is vereist. De enkele verwijzing naar artikel 10, vierde lid, van het Rijksbesluit is daarvoor onvoldoende.
Dit geldt temeer nu de kwestie reeds in het JVO van januari 2026 is besproken en verweerder naar aanleiding daarvan aan de procureur-generaal om een uitwerking van de financiële implicaties heeft verzocht. Uit de ter zitting overgelegde correspondentie blijkt voorts dat een concreet voorstel tot indexering vanaf 2024 aan klagers is voorgelegd, met de mededeling dat bij intrekking van het beroep een en ander direct in gang zou worden gezet bij of met de financial controller. Het verzoek bevond zich daarmee reeds in een concrete fase van behandeling.
Onder deze omstandigheden kan verweerder zich niet aan een inhoudelijke beslissing op het individuele verzoek van klagers onttrekken met een beroep op de gezamenlijke bevoegdheid van de betrokken ministers. Van verweerder mocht worden verlangd dat hij binnen een redelijke termijn op het verzoek besliste en, indien voor de behandeling daarvan enige vorm van gezamenlijke besluitvorming noodzakelijk was, daartoe de nodige stappen zette en daarover duidelijkheid verschafte.
Het bevoegdheidsverweer slaagt gelet op al het voorgaande niet. Het beroep is derhalve ontvankelijk.
Gevolgen van het uitblijven van een beschikking
Nu het beroep betrekking heeft op het uitblijven van een beschikking en ontvankelijk is, is het beroep gegrond. Verweerder heeft ook ten tijde van deze uitspraak nog geen beschikking op het verzoek van klagers gegeven. Het Gerecht zal verweerder dan ook opdragen alsnog op het verzoek van klagers te beslissen.
Het Gerecht acht daarvoor een termijn van twee maanden na de datum van deze uitspraak redelijk. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de kwestie van de salarisindexering reeds geruime tijd bij verweerder en het openbaar ministerie bekend is, dat het voorstel in januari 2026 in het JVO is besproken en dat verweerder reeds vóór het verzoek van 20 maart 2026 om een uitwerking van de financiële implicaties heeft verzocht. Ter zitting is voorts gebleken dat het volgende JVO in september 2026 is gepland. Deze termijn biedt verweerder gelegenheid om de noodzakelijke voorbereiding en, gelet op de door verweerder gestelde vereiste gezamenlijke besluitvorming, de nodige afstemming voorafgaand aan dat overleg te verrichten.
De overige verzoeken van klagers
Het verzoek van klagers om verweerder op te dragen inzicht te verschaffen in de indexeringen van de salarissen van de leden van het openbaar ministerie in de drie landen over de periode 2019 tot en met 2026, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het verschaffen van het gevraagde inzicht heeft geen zelfstandig rechtsgevolg en betreft geen beschikking of handeling als bedoeld in artikel 25 van de Rijkswet. Dit verzoek valt daarom buiten het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Klagers procederen in persoon en voor het instellen van het beroep wordt geen griffierecht geheven.
Beslissing
Het Gerecht in eerste aanleg:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 24 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.