ECLI:NL:OGEAM:2026:123

ECLI:NL:OGEAM:2026:123

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer SXM202500828
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Artikel 611g Rv. Dwangsommen Simpson Bay Sint Maarten gedeeltelijk verjaard.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202500828

Vonnisdatum: 14 april 2026

in de zaak van

SIMPSON BAY ESTATES N.V.,

Wonende in Sint Maarten,

eiser(es),

gemachtigde: mr. L.G.J. Berman,

tegen

OCEAN HOLDING B.V.,

Wonende in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B. Brooks,

Partijen zullen hierna SBE en Ocean Holding worden genoemd.

De zaak in het kort

Dit geschil gaat over verbeurde dwangsommen. Het Gerecht komt tot het oordeel dat de dwangsommen gedeeltelijk zijn verjaard. De overige dwangsommen worden toegewezen.

The case in brief This dispute concerns forfeited penalty payments. The Court finds that the penalty payments are partially time-barred. The remaining penalty payments are awarded.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het inleidend verzoekschrift met producties, op 7 augustus 2025 ter griffie ingediend;

de conclusie van antwoord met producties op 18 november 2025;

de door Ocean Holding op 17 maart 2026 overgelegde offerte van ICE.

De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2026 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigde. Ocean Holding werd vertegenwoordigd door de heer [naam]. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting hebben verklaard.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op 6 augustus 2024 heeft dit Gerecht een vonnis gewezen in een zaak betreffende een grensoverschrijdende muur. In het vonnis is bepaald dat de muur binnen vier weken na het vonnis verwijderd moet worden, anders zou er een dwangsom van USD 500,- per dag, maximaal USD 100.000, - moeten worden betaald. Het vonnis is op 21 augustus 2024 aan de gedaagde partij betekend. De muur is tot heden niet verwijderd en de dwangsom is niet betaald.

Bij deurwaardersexploot van 11 juni 2025 heeft SBE een brief van 6 juni 2025 aan Ocean betekend.

3. Het geschil

SBE vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

(i) Gedaagde te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van USD 100.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

(ii) Gedaagde te veroordelen voor de buitengerechtelijke kosten, begroot op USD 5.000,-, alsmede voor de nakosten, zoals omschreven in het probandum van dit verzoekschrift, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis;

(iii) De dwangsom uit het vonnis van 6 augustus 2024 te verhogen USD 2500.- per dag met een maximum van USD 500.000.-.

(iv) Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure en het salaris van gemachtigde, met inbegrip van nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in dezen het in dezen te wijzen vonnis.

SBE legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ocean Holding is bij vonnis van 6 augustus 2024 veroordeeld om de op haar perceel aanwezige, grensoverschrijdende muur binnen vier weken na 6 augustus 2024 te verwijderen. Dit vonnis is op 21 augustus 2024 aan Ocean Holding betekend. Desondanks heeft gedaagde nagelaten aan deze veroordeling te voldoen, waardoor zij dwangsommen heeft verbeurd. Op 11 juni 2025 is de maximale dwangsom van USD 100.000,- aan Ocean Holding aangezegd en is tevens betaling gevorderd, maar betaling is uitgebleven.

SBE is van mening dat Ocean Holding derhalve blijft gehouden tot nakoming van het vonnis en tot betaling van de verbeurde dwangsommen. Door de voortdurende weigering van Ocean Holding om aan haar verplichtingen te voldoen, vindt SBE dat zij grond heeft om verhoging van de dwangsom te vorderen.

Ocean Holding heeft het volgende tot verweer gevoerd. Ocean Holding stelt dat het vonnis op 21 augustus 2024 is betekend en dat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Verzoeken van SBE in hoger beroep voor een descente zijn aangehouden en uiteindelijk doorverwezen naar januari 2026. Het Hof is ter plaatse geweest en partijen zijn nu in overleg om tot een oplossing te komen. Ocean Holding voert aan dat de verbeurde dwangsommen verjaard zijn. Ook wijst Ocean Holding erop dat het vonnis van 6 augustus 2024 een uitvoerbare titel is, waardoor een nieuwe procedure voor dezelfde dwangsommen niet gerechtvaardigd is.

Daarnaast stelt Ocean Holding dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten van USD 5.000 onredelijk zijn, omdat er geen kosten zijn gemaakt die deze vordering rechtvaardigen.

Ten slotte voert Ocean Holding aan dat de muur niet verwijderd kan worden zonder schade aan de woning door erosie en dat verwijdering bovendien geen verbreding van de weg oplevert. Ocean Holding B.V. stelt dat Simpson Bay Estate N.V. misbruik maakt van haar executiebevoegdheid, aangezien eerdere rechterlijke uitspraken geen verwijdering hebben bevolen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vordering dwangsommen

SBE vordert een bedrag van USD 100.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2025. Ocean Holding betwist de vorderingen en stelt dat de dwangsommen zijn verjaard. Het Gerecht overweegt dat de dwangsommen zijn verbeurd, iedere dag vanaf 4 september 2024, de dag na het verstrijken van de nakomingstermijn van het vonnis van 6 augustus 2024. In totaal maximaal 200 dagen, eindigende op 22 maart 2025. Artikel 611g Rv bepaalt dat een dwangsom zes maanden na verbeuring verjaart, tenzij de verjaring wordt gestuit. Partijen zijn het erover eens dat SBE de verjaring op 11 juni 2025 heeft gestuit. Dat betekent dat de vóór 11 december 2024 verbeurde dwangsommen zijn verjaard. Het Gerecht is van oordeel dat op datum indiening verzoekschrift, rekening houdend met de stuiting en de verjaring, 102 dagen opeisbaar zijn: van 11 december 2024 tot en met 22 maart 2025. Dit komt overeen met een bedrag van USD 51.000,- (102 dagen × USD 500,- per dag).

De vordering tot betaling van dwangsommen zal daarom gedeeltelijk toegewezen worden tot USD 51.000,-.

Vordering buitengerechtelijke kosten

SBE vordert een bedrag van USD 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten. Ocean heeft betwist dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. SBE heeft hier verder niet op gereageerd.

Bij de door SBE overgelegde stukken treft het Gerecht geen correspondentie aan of andere documentatie, die ziet op een buitengerechtelijke afdoening van het geschil. SBE heeft uitsluitend een exploot van 11 juni 2025 van de deurwaarder overgelegd, waarbij een brief van SBE van 6 juni 2025 aan Ocean werd betekend. Volgens het exploot had die brief als onderwerp: “Notice and summation for payment liquidated penalties”. Dat is dus een brief, waarin de verbeurde dwangsommen aan Ocean zijn aangezegd. Van buitengerechtelijke werkzaamheden is niet gebleken, zodat dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is.

Vordering verhoging dwangsombedrag 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in het kader van het door Ocean ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van dit Gerecht, het Hof in aanwezigheid van partijen in januari van dit jaar een descente heeft gehouden. Partijen zijn nadien in overleg getreden over het afbreken en opbouwen van de muur. Ocean heeft een recent (17 maart 2026) rapport van ICE in het geding gebracht, waarin de kosten van het verplaatsen van de muur worden onderbouwd. Hieruit volgt dat Ocean op dit moment bezig is om ervoor te zorgen dat de muur gaat worden verplaatst. Mede gelet op het feit dat de uitkomst van de procedure in hoger beroep niet vaststaat en al een bedrag van USD 51.000,- aan verbeurde dwangsommen aan SBE zal worden toegewezen, ziet het Gerecht geen aanleiding om een nieuwe beslissing te geven, waarin de dwangsommen worden verhoogd.

Proceskosten

De hiervoor weergegeven oordelen van het Gerecht komen erop neer dat beide partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld. Daarin ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5. De beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt Ocean Holding tot betaling aan SBE van een bedrag van USD 51.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, ieder draagt de eigen kosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door N.S. Rogers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.J. Saarloos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand