ECLI:NL:OGEAM:2026:128

ECLI:NL:OGEAM:2026:128

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer SXM202600193
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Tussen partijen bestond een overeenkomst met betrekking tot de verbouwing van het pand van GBMC. Na het einde van de overeenkomst heeft GBMC abusievelijk een bedrag van USD 5.000,- overgemaakt aan DAM. DAM weigert dit terug te betalen en verzoekt het betaalde bedrag te verrekenen met het door haar gestelde meerwerk ten bedrage van USD 5.575,90, dat zij bij GBMC in rekening brengt.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600193

Vonnis d.d. 7 juli 2026

inzake

de naamloze vennootschap GREAT BAY MEDICAL CLINIC HOLDING N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

tegen

de naamloze vennootschap DAM CARIBBEAN N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

Partijen zullen hierna GBMC en DAM worden genoemd.

De zaak in het kort

Tussen partijen bestond een overeenkomst met betrekking tot de verbouwing van het pand van GBMC. Na het einde van de overeenkomst heeft GBMC abusievelijk een bedrag van USD 5.000,- overgemaakt aan DAM. DAM weigert dit terug te betalen en verzoekt het betaalde bedrag te verrekenen met het door haar gestelde meerwerk ten bedrage van USD 5.575,90, dat zij bij GBMC in rekening brengt.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het inleidend verzoekschrift met producties, op 20 februari 2026 ter griffie ingediend;

de conclusie van antwoord van 31 maart 2026;

de “aanvulling op het verweer specificatie van de tegenvordering” van DAM van 9 juni 2026.

Op 11 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig de heer [X] namens GBMC en namens DAM de heer [Y].Partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht en vragen van de rechter beantwoord.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op 25 juni 2024 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten voor de verbouwing van een gebouw van GBMC. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Architectural design Cost Overview:

Drawing Existing situation Architectural US$ 3,500.-

Develop Program of requirements US$ 1,750.-

Sketch design US$ 3,950.-

Preliminary design US$ 4,950.-

Final design US$ 5,750.-

TOTAL US$ 19,900.-

6. Management Services

Management services are not encompassed within this quotation. However, DAM Caribbean provides extensive supervision to ensure the project’s success, even during construction. This includes cost estimates, kick-off meetings, weekly inspections, bi-weekly meetings, and a detailed exit report. Average fee for bi-weekly invoices on projects is US$ 1250,- More details on these services can be provided on request and of course upon design output.

Included:

Including in this quotation are the architectural design, guidance files, print works, all taxes and insurance costs, travel costs, a schematic MEP design and fire safety according to article 2 and 8 of the “Bouwbesluit”

Exclusions

Permit requests.

Structural analyze and engineering by VASCON

MEP analyze of installation conditions and design by WEC or MEC

Geotechnical investigation, structural engineering, procurements, building permit requests and cost estimates.”

Daarnaast is in de overeenkomst een prijslijst met (uur)tarieven opgenomen.

Op 24 juni 2025 heeft DAM een ‘PPHA closing invoice’ verstuurd aan GBMC ten bedrage van USD 19.900,-. Deze is eind juli 2025 volledig betaald door GBMC.

De overeenkomst is beëindigd op 4 augustus 2025.

GBMC heeft op 30 augustus 2025 USD 5.000,00 betaald aan DAM. GBMC heeft DAM op 31 augustus 2025 verzocht dat bedrag aan haar terug te betalen, daarbij stellende dat deze betaling berust op een vergissing. Dit heeft DAM geweigerd.

DAM heeft op 8 september 2025 een factuur voor meerwerk ten bedrage van USD 5.757,90, waarop een reeds betaald bedrag van USD 5.000,- in mindering is gebracht, verzonden aan GBMC. Deze factuur is door GBMC onbetaald gelaten.

3. Het geschil

GBMC vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van DAM tot betaling van USD 5.000,00, vermeerderd met rente en kosten waaronder buitengerechtelijke kosten.

GBMC legt aan haar vordering ten grondslag dat zij het genoemde bedrag onverschuldigd heeft betaald. Na de betaling van de eindfactuur - “closing invoice” – was zij niets meer aan DAM verschuldigd. De betaling berust op een vergissing. Zij had bedoeld dit bedrag te betalen aan haar aannemer.

DAM voert gemotiveerd verweer. Zij beroept zich op verrekening met een meerwerkfactuur van USD 5.757,90, die zij nadien nog heeft gestuurd en zij vordert het meerdere daarvan van USD 757,90 in reconventie met rente en kosten.

GBMC betwist dat er sprake is van meerwerk en daarmee de daarop betrekking hebbende factuur.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Partijen zijn het erover eens dat op het moment van de betaling van de meergenoemde USD 5.000,00 door GBMC geen sprake was van een opeisbare vordering van DAM. Anders dan GBMC betoogt, betekent dat echter niet dat DAM de betreffende betaling niet kan verrekenen met een vordering die na de betreffende betaling is ontstaan. DAM beroept zich in dit verband op een meerwerkfactuur van USD 5.757,90. GBMC betwist deze factuur verschuldigd te zijn. Zij stelt dat geen meerwerk is overeengekomen en dat van meerwerk geen sprake was of geen resultaat heeft opgeleverd.

In haar verweer dat geen meerwerk is overeengekomen, althans de mogelijkheid om meerwerk in rekening te brengen, kan GBMC niet worden gevolgd. Uit het onder 2.1. aangehaalde citaat uit de overeenkomst volgt dat partijen een vaste prijs zijn overeengekomen voor het tekenwerk en dat het andere werk, daarin aangeduid als “management services”, separaat in rekening kan worden gebracht. Het weerwoord van GBMC is dat partijen daarna mondeling zijn overeengekomen dat deze werkzaamheden inclusief zouden zijn. GBMC heeft deze stelling niet gesubstantieerd zodat het Gerecht haar daarin niet zal volgen. Verder heeft DAM, anders dan GBMC stelt, geen afstand gedaan van haar recht om meerwerk in rekening te brengen door het versturen van genoemde “closing invoice.” Dat GBMC door deze invoice dacht dat dit de laatste was, betekent niet dat er daarna niet nog een aanvullende factuur kan komen.

Ook in haar verweer dat van meerwerk geen sprake was of dat dit geen resultaat zou hebben opgeleverd, kan GBMC niet worden gevolgd. GBMC erkent dat DAM contact heeft gehad met een aantal aannemers voor prijsopgaves, maar dat zij uiteindelijk met haar eigen vaste aannemer in zee is gegaan en DAM daaraan geen werk heeft gehad, ook niet in de zin van bouwbegeleiding. Het weerwoord van DAM daarop is dat zij behoorlijk wat tijd heeft besteed aan het uitvragen en beoordelen van offertes van aannemers en dat GBMC voor deze werkzaamheden moet betalen, ongeacht of deze uiteindelijk tot een opdracht aan (een van de) betreffende aannemers heeft geleid. In dat weerwoord wordt DAM gevolgd. Uit de overeenkomst volgt niet als voorwaarde voor betaling dat deze werkzaamheden direct tot een succesvolle aanbesteding hebben geleid.

Tot slot voert GBMC het verweer dat het opgegeven aantal uren dat DAM in rekening heeft gebracht niet klopt. Ook daarin kan zij niet worden gevolgd. De uren in de factuur zijn uitgebreid gespecificeerd. DAM heeft ter zitting toegelicht dat het aanzoeken van aannemers, de beantwoording van vragen en de beoordeling van offertes heel veel tijd kost. Gelet op die toelichting en specificatie van uren, is de eenvoudige stelling van GBMC dat de opgegeven uren niet zouden kloppen onvoldoende.

Uit het voorgaande volgt dat DAM de door GBMC betaalde USD 5.000,- kan verrekenen, althans kan aanmerken als een gedeeltelijke betaling van haar nadien gestuurde meerwerkfactuur, en dat GBMC het meerdere daarvan nog aan haar moet betalen. Dat betekent dat de vordering van GBMC zal worden afgewezen en de tegenvordering van DAM als hierna te bepalen zal worden toegewezen. Voor de ingangsdatum van de gevorderde wettelijke rente – die overigens lager is dan de overeengekomen rente van 1,5% per maand – zal worden uitgegaan van 22 september 2025, zijnde de datum waarop de factuur met daarin een betaaltermijn van twee weken, moest zijn betaald. GBMC zal in de proceskosten worden veroordeeld, die zowel in conventie als in reconventie aan de zijde van DAM worden begroot op nihil.

5. De beslissing

Het Gerecht:

In conventie

wijst het gevorderde af;

In reconventie

veroordeelt GBMC tot betaling aan DAM van een bedrag van USD 757,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

In conventie en in reconventie

veroordeelt GBMC in de proceskosten, aan de zijde van DAM tot op heden begroot op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.R. Veerman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand