GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202500618
Vonnis in het incident d.d. 20 januari 2026
de stichting LAGOON GARDEN APARTMENTS FOUNDATION,
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: mr. V.C. Choennie,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde sub 1,
gemachtigde mr. Z. Bary,
2. [gedaagde 2],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde sub 2,
procederend in persoon.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het inleidend verzoekschrift met producties op 2 juni 2025 ter griffie ingediend;
de conclusie van antwoord van [gedaagde 2];
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde 1];
het antwoord in het incident van de stichting.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald op vandaag.
2. De feiten
In het incident wordt van de volgende feiten uitgegaan.
gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gewezen echtelieden. Tot hun onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap behoort een appartement dat deel uitmaakt van het appartementencomplex Lagoon Garden Apartments.
De stichting is belast met het beheer van de “common facilities” van het appartementencomplex. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten daarvoor een jaarlijkse bijdrage betalen.
gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vanaf 26 augustus 2015 gezamenlijk een achterstand in de jaarlijkse bijdrage laten ontstaan. Bij vonnis van 8 februari 2022 van dit Gerecht zijn zij hoofdelijk veroordeeld tot betaling daarvan tot en met 2021.
3. De vordering
In de hoofdzaak vordert de stichting hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van een achterstand in de jaarlijkse bijdrage die opnieuw, vanaf 2022, is ontstaan.
gedaagde 1] vordert in zijn incidentele conclusie om [gedaagde 2] in vrijwaring te mogen oproepen. Daartoe stelt hij dat indien de vordering jegens hem zal worden toegewezen, [gedaagde 2] daarvoor jegens hem voor de helft draagplichtig is. Hij zou
al Cg 37.106,36 aan de stichting hebben betaald, terwijl [gedaagde 2] geen enkele betaling zou hebben gedaan. De interne draagplicht tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vormt een afzonderlijke rechtsverhouding die in de hoofdzaak niet aan de orde komt. Een vrijwaringsprocedure is nodig om ervoor te zorgen dat [gedaagde 1] onevenredig (verder) wordt belast met (een deel van) de schuld van [gedaagde 2].
Meer specifiek wil [gedaagde 1] dat [gedaagde 2] bij vonnis in vrijwaring wordt veroordeeld tot a) betaling aan hem van Cg 18.553,18 zijnde de helft van wat hij aan de stichting heeft betaald en b) alles boven de helft van het bedrag waartoe hij wordt veroordeeld in de hoofdzaak.
De stichting voert verweer. Zij wijst erop dat [gedaagde 2] reeds als gedaagde is betrokken in de procedure. Zij stelt dat [gedaagde 2] om die reden niet als een in vrijwaring op te roepen derde kan worden aangemerkt. Voorts stelt zij als verweer dat een procedure in vrijwaring niet kan bijdragen aan de beslissing in de hoofdzaak. Ook daarom zou de incidentele vordering moeten worden afgewezen
4. De beoordeling
Het verzoek wordt afgewezen, echter op andere dan de door de stichting aangevoerde gronden. Er staat namelijk in het algemeen niets in de weg aan het oproepen in vrijwaring van een medegedaagde in de hoofdzaak. Ook is het geen voorwaarde dat een vrijwaringsprocedure moet bijdragen aan een beslissing in de hoofdzaak. De hoofdzaak en de vrijwaring zijn twee gescheiden procedures.
De reden voor afwijzing van het verzoek is dat het bij het onder a) te vorderen bedrag van Cg 18.553,18 kennelijk gaat om de interne draagplicht met betrekking tot de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar aanleiding van het vonnis van 8 februari 2022 en daarom een vrijwaring daarvoor niet meer aan de orde is. Die vordering is reeds afgedaan. De vordering in de onderhavige procedure gaat over de achterstand die vanaf 2022 is ontstaan.
Ook de hiervoor genoemde vordering onder b) geeft geen reden voor een vrijwaring. De vordering heeft betrekking op de in de hoofdzaak gevorderde achterstand vanaf 2022, maar reeds nu is duidelijk dat die in te stellen vordering niet toewijsbaar is. Als [gedaagde 1] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de achterstand, heeft hij een regresvordering op [gedaagde 2] in zoverre hij daarvan meer dan zijn helft daarvan zou betalen. Vooralsnog is er echter niets betaald. Een vrijwaringsprocedure is dus zinloos en zal leiden tot een onnodige vertraging van het geding.
Het vrijwaringsincident zal daarom worden afgewezen. [gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van de stichting begroot op Cg 1.250,00 (1 punt x tarief 5).
5. De beslissing
Het Gerecht,
in het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van de procedure, die aan de zijde van de stichting worden begroot op Cg 1.250,00, en in de nakosten van Cg 250,00 zonder betekening en te vermeerderen met Cg 150,00 indien betekening plaatsvindt, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na dit vonnis tot de algehele voldoening daarvan;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de AR-rol van 17 februari 2026 om 8:30 uur voor conclusie van antwoord zijdens [gedaagde 1] (P1);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.