Parketnummer 100.00435/26
HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN
BESCHIKKING EX ARTIKEL 43 WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Beschikking gewezen op het verzoek om een voorziening als bedoeld in artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering, van de verdachte:
naam: [achternaam verdachte]
voornamen: [voornamen verdachte]
geboren op: [geboortedatum] te [geboorteland]
adres: thans gedetineerd in het cellencomplex op het politiebureau in Philipsburg,
hierna te noemen: verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft bij schriftelijk verzoek van 10 augustus 2026, ingediend door tussenkomst van haar gemachtigde, mr. F. Roozen, advocaat te Sint Maarten, verzocht om de in het verzoekschrift omschreven voorziening.
De officier van justitie heeft op 11 augustus 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
In raadkamer van 12 augustus 2026 zijn verzoekster, haar gemachtigde en de officier van justitie, mr. M. Ridderbeks, gehoord. De gemachtigde heeft het verzoek nader toegelicht. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gevraagde voorziening.
Beoordeling van het verzoek
Ingevolge artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering kan een verzoek om een voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het Wetboek van Strafvordering zelf daaromtrent geen regeling bevat.
Nu het verzoek is ingediend tijdens het voorbereidend onderzoek in de strafzaak van verzoekster, is de rechter-commissaris op grond van artikel 43, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd op het verzoek te beslissen.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat een overplaatsing van verzoekster naar Curaçao in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM, omdat zij daardoor als jonge moeder ernstig zou worden beperkt in het onderhouden van contact met haar vijfjarige kind. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat het capaciteitsprobleem op Sint Maarten mede het gevolg is van keuzes die door de overheid zijn gemaakt. De voormalige vrouwenafdeling in Point Blanche is volgens de gemachtigde om capaciteitsredenen omgezet in een mannenafdeling. Verzoekster kan volgens de gemachtigde niet uitsluitend vanwege deze, door het Land zelf gecreëerde, situatie naar Curaçao worden overgeplaatst.
Verzoekster heeft primair verzocht te bepalen dat zij haar voorlopige hechtenis op Sint Maarten ondergaat en het voorgenomen transport naar Curaçao wordt verhinderd. Subsidiair is verzocht om bij een eventuele overplaatsing naar Curaçao kenbaar rekening te houden met artikel 8 EVRM en de belangen van het minderjarige kind en een adequate en praktisch uitvoerbare contact- en bezoekregeling te treffen. Meer subsidiair is verzocht om een andere voorziening die het contact tussen verzoekster en haar kind gedurende de voorlopige hechtenis waarborgt.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de overplaatsing van verzoekster naar Curaçao feitelijk noodzakelijk is, omdat op Sint Maarten vanwege de beperkte detentiecapaciteit en het ontbreken van een geschikte en veilige vrouwenafdeling geen veilige tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van verzoekster mogelijk is. Voor de overplaatsing bestaat volgens het Openbaar Ministerie een wettelijke basis in de Onderlinge regeling van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten inzake beschikbaarstelling detentiecapaciteit (hierna: de ORD-regeling).
De officier van justitie heeft voorts erkend dat de overplaatsing een inmenging vormt in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven, maar stelt zich op het standpunt dat deze inmenging gerechtvaardigd is. De inmenging is volgens het Openbaar Ministerie bij wet voorzien, dient een legitiem doel en is noodzakelijk en proportioneel, gelet op de ernst van de verdenking en de belangen van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is gewezen op de zeer ernstige verdenking waarvoor de voorlopige hechtenis van verzoekster is bevolen, te weten het medeplegen van moord dan wel doodslag. Bij gebreke van een veilige detentiefaciliteit voor verzoekster op Sint Maarten resteert volgens het Openbaar Ministerie feitelijk slechts invrijheidsstelling, hetgeen gelet op de ernst van de verdenking niet aan de orde kan zijn.
Ten aanzien van het contact met het kind heeft de officier van justitie aangevoerd dat verzoekster vanuit Curaçao telefonisch contact met haar familie kan onderhouden. Voor zover het gaat om contact met haar vijfjarige kind, dienen volgens het Openbaar Ministerie de belangen van het kind voorop te staan. Nu het kind aanwezig was in de auto ten tijde van het geweldsincident waarvan verzoekster wordt verdacht, bestaat volgens de officier van justitie aanleiding eerst zorgvuldig te onderzoeken op welke wijze contact tussen verzoekster en haar kind kan plaatsvinden.
De rechter-commissaris komt tot de volgende beoordeling.
De ORD-regeling voorziet in de mogelijkheid om gedetineerden tijdelijk in een ander land binnen het Koninkrijk onder te brengen. De rechter-commissaris is van oordeel dat de omstandigheden die in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de ORD-regeling als grond voor overplaatsing zijn genoemd, zich in dit geval voordoen.
Op Sint Maarten is sprake van een beperkte detentiecapaciteit. Daarnaast is de voormalige vrouwenafdeling in Point Blanche na een recente periode waarin zich meerdere ernstige geweldsincidenten hebben voorgedaan, ingezet voor de opvang van mannelijke verdachten. Hierdoor ontbreekt op dit moment een geschikte en veilige vrouwenafdeling waar verzoekster kan worden geplaatst. Deze omstandigheden brengen mee dat de beschikbare detentiecapaciteit op Sint Maarten ontoereikend is om de voorlopige hechtenis van verzoekster op een veilige wijze ten uitvoer te leggen. Daarnaast kan de veiligheid van verzoekster en van de overige gedetineerden bij plaatsing van verzoekster in de bestaande detentiefaciliteit op Sint Maarten onvoldoende worden gewaarborgd.
Dat de beperkte detentiecapaciteit op Sint Maarten mede het gevolg is van keuzes die door de overheid zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid kan worden betrokken bij de beoordeling van de noodzaak van de overplaatsing, maar brengt niet mee dat de thans bestaande feitelijke situatie bij die beoordeling buiten beschouwing moet worden gelaten. Het gaat er immers om of de voorlopige hechtenis van verzoekster op Sint Maarten op dit moment op een veilige en rechtmatige wijze ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet het geval.
De overplaatsing naar Curaçao vormt een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven. Deze inmenging is bij wet voorzien en dient een legitiem doel, te weten de veilige en ordelijke tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en het waarborgen van de orde en veiligheid binnen de detentie.
De vraag is vervolgens of de overplaatsing in de gegeven omstandigheden noodzakelijk en proportioneel is.
Bij deze beoordeling moet gewicht worden toegekend aan het belang van verzoekster om contact te onderhouden met haar vijfjarige kind. Dat verzoekster een jonge moeder is en dat de overplaatsing naar Curaçao het onderhouden van dat contact aanzienlijk bemoeilijkt, wordt door de rechter-commissaris onderkend. Ook het belang van het kind bij het onderhouden van contact met zijn moeder dient bij de beoordeling te worden betrokken.
Daar staat tegenover dat verzoekster wordt verdacht van een zeer ernstig geweldsmisdrijf met dodelijke afloop en dat de voorlopige hechtenis zich nog in een vroeg stadium bevindt. Daarnaast bestaat op Sint Maarten op dit moment geen geschikte en veilige detentiefaciliteit waarin verzoekster haar voorlopige hechtenis kan ondergaan. De overplaatsing is daarmee niet uitsluitend ingegeven door het feit dat verzoekster een vrouw is, maar door de combinatie van de beperkte detentiecapaciteit, het ontbreken van een geschikte en veilige vrouwenafdeling en de noodzaak de voorlopige hechtenis op een veilige wijze ten uitvoer te leggen.
De rechter-commissaris acht onder deze omstandigheden niet aannemelijk geworden dat op dit moment een minder ingrijpend alternatief voorhanden is waarmee de voorlopige hechtenis op Sint Maarten op een voldoende veilige en rechtmatige wijze kan worden voortgezet. De overplaatsing naar Curaçao is daarom, gelet op alle betrokken belangen, niet disproportioneel.
De omstandigheid dat de overplaatsing als zodanig gerechtvaardigd is, betekent echter niet dat de gevolgen daarvan voor het gezinsleven van verzoekster zonder nadere beoordeling en waarborgen aanvaardbaar zijn.
In raadkamer is naar voren gekomen dat het kind van verzoekster mogelijk getuige is geweest van het geweldsincident waarvan verzoekster wordt verdacht. De Voogdijraad is reeds feitelijk bij de situatie betrokken. Op dit moment is echter onvoldoende duidelijk wat de toestand en behoeften van het kind zijn en welke vorm van contact met verzoekster, gelet op die belangen, verantwoord is. Evenmin is thans een advies van de Voogdijraad beschikbaar over de wijze waarop dit contact zou kunnen worden vormgegeven.
Daarbij komt dat een fysieke bezoekregeling op dit moment feitelijk niet voor de hand ligt. Verzoekster beschikt niet over de financiële middelen om de kosten van reizen tussen Sint Maarten en Curaçao te dragen. Het enkele vaststellen van een bezoekregeling zou onder deze omstandigheden dan ook onvoldoende zijn om daadwerkelijk contact tussen verzoekster en haar kind mogelijk te maken. Juist daarom dient te worden bezien of een andere, praktisch uitvoerbare vorm van contact, zoals telefonisch contact of beeldbellen, mogelijk en in het belang van het kind is.
De rechter-commissaris acht het uitgangspunt van belang dat, voor zover dit gelet op de belangen en de toestand van het kind verantwoord is, wordt ingezet op het onderhouden van contact tussen verzoekster en haar kind. De overplaatsing naar Curaçao mag er niet zonder meer toe leiden dat het contact tussen verzoekster en haar kind gedurende de voorlopige hechtenis feitelijk wordt verbroken. Tegelijkertijd is het op dit moment niet aan de rechter-commissaris om zonder voldoende informatie zelf een inhoudelijke contactregeling tussen verzoekster en haar kind vast te stellen. Daarvoor is nader onderzoek naar de belangen en de toestand van het kind noodzakelijk. De Voogdijraad is reeds bij de situatie betrokken en kan bij dat onderzoek een belangrijke rol vervullen.
De rechter-commissaris ziet daarom aanleiding tot het treffen van een beperkte voorziening. Deze voorziening strekt er niet toe dat de overplaatsing naar Curaçao wordt verhinderd, noch dat thans een definitieve contact- of bezoekregeling wordt vastgesteld. Daarvoor ontbreekt op dit moment de noodzakelijke informatie over de belangen en de toestand van het kind.
Het belang van een goede strafrechtsbedeling brengt naar het oordeel van de rechter-commissaris wel mee dat niet kan worden volstaan met het afwachten van een eventueel nader onderzoek zonder daaraan enige termijn te verbinden. Het gaat immers om een jong kind en om een situatie waarin het risico bestaat dat het contact tussen verzoekster en haar kind door de overplaatsing naar Curaçao feitelijk wordt verbroken.
Het Openbaar Ministerie zal daarom worden bevolen zich ervoor in te spannen dat, in overleg met de Voogdijraad en met inachtneming van de belangen van het kind, binnen twee weken na de dagtekening van deze beschikking wordt vastgesteld welke vorm van contact tussen verzoekster en haar kind mogelijk en verantwoord is en op welke wijze dit contact kan worden gefaciliteerd. Daarbij dient mede te worden betrokken dat een fysieke bezoekregeling voor verzoekster vanwege haar financiële omstandigheden feitelijk niet uitvoerbaar is en dat daarom in het bijzonder dient te worden onderzocht of telefonisch contact of beeldbellen een passende en praktisch uitvoerbare vorm van contact kan zijn.
Het Openbaar Ministerie dient de rechter-commissaris en de gemachtigde van verzoekster binnen voornoemde termijn schriftelijk te informeren over de uitkomst van dit overleg en de wijze waarop het contact zal worden gefaciliteerd.
De conclusie is dat het primaire verzoek, strekkende tot het verhinderen van de overplaatsing naar Curaçao en het ondergaan van de voorlopige hechtenis op Sint Maarten, wordt afgewezen.
Het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek worden toegewezen in voormelde, beperkte zin.
De navolgende beslissing is genomen op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
De rechter-commissaris:
- wijst het primaire verzoek af;
- wijst het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek toe, in die zin dat het Openbaar Ministerie wordt bevolen zich ervoor in te spannen dat, in overleg met de Voogdijraad en met inachtneming van de belangen van het kind, binnen twee weken na de dagtekening van deze beschikking wordt vastgesteld welke vorm van contact tussen verzoekster en haar kind mogelijk en verantwoord is en op welke wijze dit contact kan worden gefaciliteerd;
- bepaalt dat bij die beoordeling mede rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een fysieke bezoekregeling voor verzoekster vanwege haar financiële omstandigheden feitelijk niet uitvoerbaar is en dat daarom wordt onderzocht of telefonisch contact of beeldbellen mogelijk en passend is;
- bepaalt dat het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris en de gemachtigde van verzoekster binnen twee weken schriftelijk informeert over de uitkomst van dit overleg en de wijze waarop het contact zal worden gefaciliteerd;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven op 12 augustus 2026 om 17:00 uur door mr. B. Martinez-Hammer, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken te Sint Maarten, in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier.
griffier, rechter-commissaris,