Het verzoek
Verzoekster heeft bij schriftelijk verzoek van 18 augustus 2026, ingediend door tussenkomst van haar gemachtigden, mr. B. Brooks en mr. A. Richardson, advocaten te Sint Maarten, verzocht om de in het verzoekschrift omschreven voorziening.
De officier van justitie heeft op 19 augustus 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
In raadkamer van 19 augustus 2026 zijn verzoekster, haar gemachtigden en de officier van
justitie, mr. V. Awadhpersad, gehoord. De gemachtigden hebben het verzoek nader toegelicht. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gevraagde voorziening.
Beoordeling van het verzoek
Ingevolge artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering kan een verzoek om een voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het Wetboek van Strafvordering zelf daaromtrent geen regeling bevat.
Nu het verzoek is ingediend in verband met de voorgenomen tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van verzoekster, is de rechter-commissaris op grond van artikel 43, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegd op het verzoek te beslissen.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat verzoekster, indien voorlopige hechtenis wordt bevolen, niet vanuit Sint Maarten naar Curaçao dient te worden overgebracht. De gemachtigden hebben daartoe, kort weergegeven, aangevoerd dat verzoekster in Sint Maarten wordt vervolgd, dat het strafrechtelijk onderzoek hier plaatsvindt en dat haar raadslieden hier zijn gevestigd. Een overbrenging naar Curaçao zou de verdediging daardoor bemoeilijken, in het bijzonder nu mogelijk een gerechtelijk vooronderzoek zal worden ingesteld. Voorts is aangevoerd dat de capaciteitsproblematiek op Sint Maarten reeds langere tijd bestaat en niet zonder meer ten nadele van verzoekster kan worden gebracht. De gemachtigden hebben zich daarnaast beroepen op artikel 6 EVRM. Subsidiair is verzocht verzoekster bij gebrek aan geschikte detentiecapaciteit op Sint Maarten onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgenomen overbrenging een wettelijke grondslag heeft in artikel 36 in verbinding met artikel 38 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) en de Onderlinge regeling van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten inzake beschikbaarstelling detentiecapaciteit (hierna: de ORD-regeling).
Volgens de officier van justitie is op Sint Maarten op dit moment geen geschikte en veilige detentieafdeling voor vrouwen beschikbaar. De vrouwenafdeling van het Huis van Bewaring wordt thans voor mannelijke gedetineerden gebruikt. De bouw van een nieuwe gevangenis is inmiddels aangevangen en de eerste fase daarvan zal naar verwachting in augustus of september 2027 gereed zijn. Volgens de officier van justitie kan verzoekster vanuit Curaçao contact met haar raadslieden onderhouden en kunnen noodzakelijke onderzoekshandelingen in Sint Maarten plaatsvinden. Indien haar aanwezigheid noodzakelijk is, zal zij naar Sint Maarten worden overgebracht.
De rechter-commissaris komt tot de volgende beoordeling.
Wettelijk kader
Artikel 40 van het Statuut bepaalt dat in het ene land van het Koninkrijk uitgevaardigde rechterlijke bevelen in het gehele Koninkrijk ten uitvoer kunnen worden gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Artikel 36 van het Statuut brengt mee dat de landen binnen het Koninkrijk elkaar hulp en bijstand verlenen.
In dat kader is de ORD-regeling tot stand gekomen. Artikel 3, eerste lid, bepaalt, voor zover hier van belang, dat landen ten behoeve van elkaar tijdelijk detentiecapaciteit beschikbaar stellen indien onderbrenging van een gedetineerde in een ander land noodzakelijk is doordat vanwege bijzondere omstandigheden de eigen detentiecapaciteit tijdelijk onvoldoende is, dan wel met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
Het Gemeenschappelijk Hof heeft in zijn beschikking van 4 februari 2011 (ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP9119) geoordeeld dat er in beginsel geen beletsel bestaat om een bevel tot voorlopige hechtenis in een ander land ten uitvoer te leggen dan het land waarin het bevel is gegeven. De ORD-regeling leent zich daarbij niet voor het rechtstreeks ontlenen van rechten door de gedetineerde. Wel dient een beslissing tot overplaatsing te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De concrete overplaatsing moet daarom worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Noodzaak voor overplaatsing
De rechter-commissaris stelt vast dat op Sint Maarten op dit moment geen geschikte en veilige detentieafdeling voor vrouwelijke gedetineerden beschikbaar is. De officier van justitie heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit een daadwerkelijk capaciteitsprobleem betreft. De voormalige vrouwenafdeling van het Huis van Bewaring wordt thans gebruikt voor mannelijke gedetineerden, terwijl reeds aanzienlijke aantallen mannelijke gedetineerden elders binnen het Koninkrijk worden gedetineerd.
Dat de huidige situatie mede het gevolg is van beleidskeuzes en van een reeds langer bestaande capaciteitsproblematiek, maakt dit niet anders. Die omstandigheden kunnen bij de proportionaliteitsbeoordeling worden betrokken, maar brengen niet mee dat de feitelijk bestaande detentiesituatie buiten beschouwing moet worden gelaten. Het gaat erom of de voorlopige hechtenis van verzoekster op dit moment op een veilige en rechtmatige wijze op Sint Maarten kan worden ten uitvoer gelegd. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Vervolgens moet worden beoordeeld of de overplaatsing, gelet op de concrete omstandigheden van verzoekster, proportioneel is en of een minder ingrijpend alternatief voorhanden is.
Bij deze beoordeling komt aanzienlijk gewicht toe aan het strafvorderlijk belang dat met de voorlopige hechtenis wordt gediend. Verzoekster wordt verdacht van mensenhandel, een ernstig misdrijf waarbij fundamentele belangen van betrokken personen, waaronder hun persoonlijke vrijheid, lichamelijke en geestelijke integriteit en menselijke waardigheid, in het geding kunnen zijn. Gelet op de aard en ernst van de verdenking bestaat, indien de voorlopige hechtenis wordt bevolen, een zwaarwegend strafvorderlijk belang bij de daadwerkelijke, veilige en rechtmatige tenuitvoerlegging daarvan.
Daartegenover staat het belang van verzoekster om haar voorlopige hechtenis in Sint Maarten te ondergaan. Zij heeft daar in het verleden gewoond en gewerkt, haar raadslieden zijn hier gevestigd en het strafrechtelijk onderzoek vindt in Sint Maarten plaats. Van een bijzonder zwaarwegend gezins- of sociaal belang dat door een overplaatsing naar Curaçao wordt geraakt, is echter niet gebleken. Verzoekster heeft geen familie in Sint Maarten. Haar eerdere woon- en werkverleden brengt mee dat zij banden met Sint Maarten heeft, maar maakt de overplaatsing naar Curaçao op zichzelf niet disproportioneel.
Daarbij komt dat de huidige situatie naar de thans verstrekte informatie een tijdelijk karakter heeft. De bouw van een nieuwe gevangenis is aangevangen en de eerste fase daarvan is voorzien voor augustus of september 2027. De voorgenomen overplaatsing is daarmee, naar het zich thans laat aanzien, niet van onbepaalde duur.
Namens verzoekster is als alternatief voor de overplaatsing aangevoerd dat zij, bij gebrek aan geschikte detentiecapaciteit in Sint Maarten, in vrijheid zou moeten worden gesteld. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Indien de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd en noodzakelijk is, brengt het ontbreken van geschikte detentiecapaciteit in Sint Maarten niet mee dat verzoekster om die reden in vrijheid moet worden gesteld, terwijl elders binnen het Koninkrijk passende detentiecapaciteit beschikbaar is. De omstandigheid dat verzoekster in Sint Maarten niet kan worden geplaatst, maakt een overplaatsing naar Curaçao onder deze omstandigheden dan ook niet disproportioneel.
Artikel 6 EVRM
De gemachtigden hebben aangevoerd dat de overplaatsing het recht van verzoekster op effectieve rechtsbijstand als bedoeld in artikel 6 EVRM zal bemoeilijken.
Ook dit argument leidt niet tot een ander oordeel. Niet aannemelijk is geworden dat verzoekster vanuit Curaçao geen regelmatig en vertrouwelijk overleg met haar raadslieden kan voeren. Evenmin is gebleken dat haar verblijf in Curaçao eraan in de weg staat dat noodzakelijke onderzoekshandelingen in Sint Maarten plaatsvinden of dat zij, indien haar persoonlijke aanwezigheid noodzakelijk is, naar Sint Maarten wordt overgebracht. Het door de verdediging ingediende verzoek tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek maakt dit niet anders.
Het Gemeenschappelijk Hof heeft in zijn beschikking van 4 februari 2011 bovendien overwogen dat het optreden als advocaat in strafzaken binnen het Koninkrijk extra inspanningen kan vergen, waaronder het reizen naar andere eilanden. Niet is gesteld of gebleken dat de verdediging door het verblijf van verzoekster in Curaçao zodanig wordt bemoeilijkt dat zij daardoor daadwerkelijk en ernstig in haar verdedigingsrechten wordt geschaad. Extra kosten en reistijd zijn onder de huidige omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om de overplaatsing disproportioneel te achten.
Het Openbaar Ministerie en de betrokken detentieautoriteiten dienen er wel voor te zorgen dat noodzakelijk en vertrouwelijk contact tussen verzoekster en haar raadslieden daadwerkelijk kan plaatsvinden en dat verzoekster, indien haar aanwezigheid bij een proces- of onderzoekshandeling noodzakelijk is, tijdig naar Sint Maarten kan worden overgebracht.
Het beroep op het arrest inzake Reymond
De gemachtigden hebben voorts gewezen op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 juni 2026 inzake Reymond.
Dit leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak had de detentie in Nederland ten tijde van de beslissing bijna negen jaar geduurd en speelde het door artikel 8 EVRM beschermde familieleven van Reymond een belangrijke rol. Het Hof achtte de voortduring van de aanvankelijk tijdelijk bedoelde detentie buiten Sint Maarten gelet op die duur niet langer proportioneel.
Van een vergelijkbare situatie is hier geen sprake. De voorgenomen overplaatsing staat aan het begin van de voorlopige hechtenis, heeft naar de thans bekende omstandigheden een tijdelijk karakter en raakt niet aan een concreet zwaarwegend belang van verzoekster bij het onderhouden van familieleven op Sint Maarten. Bij de beoordeling van de proportionaliteit komt mede betekenis toe aan de duur en de concrete gevolgen van de overplaatsing.
Conclusie
De rechter-commissaris acht de overplaatsing naar Curaçao, alle betrokken belangen in onderlinge samenhang bezien, noodzakelijk en niet disproportioneel.
Dit oordeel heeft betrekking op de omstandigheden zoals die thans voorliggen. Indien de duur of de gevolgen van de overplaatsing wezenlijk toenemen, dan wel in Sint Maarten opnieuw een geschikte en veilige detentievoorziening voor vrouwen beschikbaar komt, zal opnieuw aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten worden getoetst.
De conclusie is dat het verzoek om te bepalen dat verzoekster niet naar Curaçao wordt overgebracht, wordt afgewezen. Ook het verzoek om haar bij gebreke van geschikte detentiecapaciteit in Sint Maarten onmiddellijk in vrijheid te stellen, wordt afgewezen. Het meer of anders verzochte wordt eveneens afgewezen.
De navolgende beslissing is genomen op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
De rechter-commissaris:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven op 19 augustus 2026 om 17:00 uur door mr. B. Martinez-Hammer, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken te Sint Maarten, in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier.
griffier, rechter-commissaris,