GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202600887
Vonnis in kort geding van: 9 oktober 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
tegen
1. [gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. B. Brooks,
en
2. 2. de besloten vennootschap JAIJO ENTERPRISES B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.R. Martinus.
Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde] en Jaijo worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure
eiser] heeft op 5 augustus 2026 een verzoekschrift ingediend. [gedaagde] heeft op 1 september 2026 30 producties ingediend. [eiser] heeft op 3 september 2026 een wijziging van eis ingediend en drie aanvullende producties overgelegd. Vervolgens heeft op 4 september 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen ([gedaagde] on-line) en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Van de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. De gemachtigden hebben gebruikgemaakt van pleitnotities, die zij aan het Gerecht hebben overgelegd.
Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling gevraagd om aanhouding van de beslissing, omdat zij naar aanleiding van wat ter zitting is besproken wilden proberen de kwestie onderling op te lossen. Bij navraag door het Gerecht is gebleken dat dat kennelijk niet is gelukt.
De datum van het vonnis is bepaald op vandaag2. De feiten
Jaijo B.V. is een vennootschap met als voornaamste bedrijfsvoering het onderhouden en verhuren van een gebouw, gelegen aan de Illidge Road op Sint Maarten, en alles wat daar verder bij komt kijken. Het Land Sint Maarten is huurder van het pand. De Landsrecherche is sinds 2012 gevestigd in het pand.
eiser] en [gedaagde] zijn ieder 50% aandeelhouder in Jaijo en zijn beiden statutaire bestuurders.
Partijen zijn in 2018 van echt gescheiden. In 2020 is [gedaagde] benoemd tot Minister van Justitie van Sint Maarten voor de termijn van vier jaar. Zij heeft haar belangen in Jaijo in die periode overgedragen aan haar moeder.
3. Het geschil
eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. gedaagde] met onmiddellijke ingang te ontslaan c.q. door te halen als statutair bestuurder van Jaijo B.V. in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Sint Maarten, althans met ingang van de datum van het in deze te wijzen vonnis, als statutair directeur van Jaijo Enterprises B.V. te ontslaan en de Kamer van Koophandel op te dragen zulks onverwijld op te nemen in haar handelsregister, althans;
2. [ gedaagde] te bevelen om binnen twee (2) dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan haar ontslag en uitschrijving c.q. doorhaling als statutair bestuurder van Jaijo B.V. in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Sint Maarten, door het medeondertekenen van de daartoe bestemde formulieren, en
3. indien [gedaagde] nalaat om aan het onder punt 2 van dit dictum genoemde bevel te voldoen, te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de vereiste handtekening(en) en medewerking van [gedaagde] aan haar ontslag en uitschrijving c.q. doorhaling als statutair bestuurder van Jaijo B.V. in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Sint Maarten;
4. [ gedaagde] voorts te veroordelen tot betaling van een dwangsom van USD 1.000, = voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan het onder 2 omschreven bevel te voldoen, met een maximum van USD 50.000, = , althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
5. Jaijo Enterprises B.V. op haar beurt te veroordelen om aan [eiser] bij wijze van voorschot op de aan hem verschuldigde management fee(s) wegens de exclusieve uitoefening door [eiser] van de directietaken van Jaijo B.V. en tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, een maandelijks bedrag van USD 4.000 (netto), althans USD 2.000, over de periode vanaf mei 2025 tot aan de dag van het in deze te wijzen vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dit verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen
bedrag;
6. Jaijo Enterprises B.V. bovendien te veroordelen om eerder genoemd bedrag van USD 4.000 (netto), althans USD 2.000 (netto), iedere maand te blijven betalen aan [eiser] zolang hij de directietaken van Jaijo B.V. uit blijft oefenen;
7. althans een zodanige voorziening te treffen met betrekking tot al het voorgaande zoals het Gerecht in goede justitie zal vermenen te behoren, en
8. [ gedaagde] voorts te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de proceskosten en overige kosten van deze procedure, onder bepaling dat, indien deze niet binnen veertien dagen na de dag waarop vonnis is gewezen, aan [eiser] zijn voldaan, daarover vanaf die veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is, en
9. tot slot te bepalen dat Jaijo Enterprises B.V. haar eigen proceskosten draagt.
Bij akte van 3 september 2026 heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en verzoekt hij onder 1. niet het ontslag van [gedaagde], maar de schorsing in haar hoedanigheid van bestuurder, hangende de procedure die zal volgen op het verzoek tot het houden van een enquête ex artikel 2:271 BW bij Jaijo.
eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de verhouding tussen [eiser]
en [gedaagde] niet meer goed is en zelfs met de dag verslechtert. Dat komt de bedrijfsvoering van Jaijo niet ten goede. Bovendien krijgt [eiser] als gevolg van de impasse tussen de twee bestuurders geen vergoeding voor zijn werkzaamheden.
gedaagde] voert als verweer aan dat er geen enkele aanleiding is om haar te schorsen. [gedaagde] moet zich zelf verantwoorden voor zijn werkzaamheden. Voor een vergoeding van meer dan USD 2.000 per maand bestaat geen grond.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geschil beperkt tot Jaijo
Tussen [eiser] en [gedaagde] zijn na hun echtscheiding verschillende kwesties aan de orde. In deze procedure gaat het alleen om Jaijo en dan uitsluitend de vorderingen van [eiser] tot schorsing van [gedaagde] en tot een vergoeding voor zijn werkzaamheden. Rekening en verantwoording van partijen als bestuurder ten opzichte van elkaar is dus geen onderwerp van dit geschil.
De vorderingen tot schorsing van [gedaagde] als bestuurder
[eiser] is het beheer van Jaijo blijven doen gedurende de periode dat [gedaagde] als feitelijke bestuurder was teruggetreden in verband met het feit dat zij in 2020 minister was geworden. Ook na die periode heeft [eiser] dat vanaf 2024 gedaan, tot de dag van vandaag. Ter zitting is duidelijk geworden dat [gedaagde] geen uitvoeringshandeling voor Jaijo verricht en dat zij dat ook niet wenst te doen. Zij wil met name de controle op Jaijo (lees: [gedaagde]) kunnen blijven uitoefenen.
Ter zitting is bovendien duidelijk geworden dat een door het Hof in te stellen enqueteonderzoek naar het beleid van Jaijo voor [eiser] niet veel zal kunnen opleveren. Hij heeft zelf immers de vennootschap geleid in de te onderzoeken periode. Dit nog daargelaten de vraag of [eiser] wel ontvankelijk zou zijn in zo’n verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 2:273 lid 1 B.W.Dit kan op dit moment echter verder in het midden blijven, omdat [eiser] het verzoek tot het houden van een enquête heeft ingetrokken, nadat het Gerecht het eerst terzijde had gelegd in verband met de onderhandelingen tussen partijen.
Het voorgaande betekent dat de onder 1 tot en met 4 ingestelde vorderingen niet toewijsbaar zijn. Maar ook als [eiser] ontvankelijk zou zijn in zijn verzoek tot het houden van een enquête en die procedure aanhangig zou zijn, zouden de vorderingen niet worden toegewezen. Duidelijk is geworden dat [gedaagde] zich op dit moment niet met de dagelijkse gang van zaken binnen de vennootschap bemoeit, zodat er voor schorsing als bestuurder geen aanleiding is. Het enkele feit dat zij toegang heeft tot de bankrekening van Jaijo, levert geen grond tot schorsing op. [gedaagde] heeft van deze bevoegdheid immers tot heden nog nooit misbruik gemaakt.De vordering tot vergoeding van een management-fee
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechter bij de vraag of een geldvordering in kort geding toewijsbaar is, onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is. Daarnaast moet bij de eisende partij een spoedeisend belang bestaan, waardoor het voeren van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ten slotte moet de rechter bij de afweging van de belangen van partijen ook het restitutierisico betrekken: kan de eisende partij bij een latere voor gedaagde gunstige beslissing het bedrag terugbetalen.
[gedaagde] heeft bij gelegenheid van het pleidooi aangevoerd dat zij geen principieel bezwaar heeft tegen een redelijke managementvergoeding van USD 2.000,- per maand. In zoverre is de vordering daarom toewijsbaar. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen een hogere vergoeding. Gelet op de terughoudendheid die de kort geding rechter in acht moet nemen bij het toewijzen van een geldvordering, moet het meer gevorderde daarom worden afgewezen. [eiser] zal deze vordering in een bodemzaak kunnen instellen.Jaijo
Jaijo heeft zich via haar gemachtigde ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.Proceskosten
[eiser] en [gedaagde] zijn over een weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Jaijo heeft zich gerefereerd. In een en ander ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren; ieder draagt de eigen kosten.5. De beslissing
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
veroordeelt Jaijo Enterprises B.V. om aan [eiser] bij wijze van voorschot op de aan hem verschuldigde vergoeding voor uitoefening van de directietaken van Jaijo over de periode vanaf mei 2025 tot en met september 2025 een bedrag van USD 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vandaag;
veroordeelt Jaijo Enterprises B.V. om aan [eiser] bij wijze van voorschot op de aan hem verschuldigde vergoeding voor uitoefening van de directietaken van Jaijo vanaf 1 oktober 2025 een bedrag van USD 2.000 te blijven betalen aan [eiser], zolang hij de directietaken van Jaijo B.V. uit blijft oefenen;
compenseert de proceskosten, iedere partij draagt de eigen kosten;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en op 9 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.