proces-verbaal mondeling vonnis
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202601219
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 27 oktober 2026
in de zaak van
[eisers],
wonende in Sint Maarten,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. R.M. Stomp,
tegen
[gedaagde],
wonende in Saint Thomas,
gedaagde,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok.
Tegenwoordig zijn mr. L.J. Saarloos, rechter, en J.F.M. Becker, griffier.
Verschenen zijn:
1. Het procesverloop
eiser] heeft op 21 oktober 2026 een verzoekschrift met producties ingediend. Op 26 oktober 2026 heeft [gedaagde] producties ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de aanwezigen hun standpunten (verder) toegelicht en vragen van de rechter beantwoord.
Vervolgens heeft de rechter de zitting gesloten en na een schorsing mondeling uitspraak gedaan. De overwegingen en de beslissing zoals uitgesproken worden hierna weergegeven.
2. De overwegingen
gedaagde] heeft in het verleden verschillende procedures gevoerd tegen [eiser]. Die hadden betrekking op een winkelruimte aan de [adres] in Philipsburg. [gedaagde] verhuurde die ruimte en [eiser] liet telkens een huurachterstand ontstaan. Bij vonnissen van dit Gerecht in 2015 en 2017 is [eiser] tot betaling veroordeeld. Bij vonnis van 20 augustus 2024 is de huurovereenkomst ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 220.000, verhoogd met rente en proceskosten.
Partijen hebben vervolgens op 4 oktober 2024 een settlement agreement gesloten. [eiser] verklaarde daarin een schuld aan [gedaagde] te hebben van in totaal USD 314.000, inclusief de huur voor maand november 2024. [eiser] zou maandelijks een bedrag van USD 10.000 gaan betalen, maar heeft dat niet gedaan. [gedaagde] is uiteindelijk in januari 2025 tot ontruiming overgegaan.
Na een eerder gelegd conservatoir beslag, heeft [gedaagde] op 31 maart 2026 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser]. Bij exploten van 1 april 2026 is de executie van die woning aangezegd aan de notaris en aan de ingeschreven hypotheekhouder, de Orco Bank.
De executieveiling is aangezegd tegen woensdag 28 oktober 2026, 10.00 uur. In deze kort geding procedure vordert [eiser] schorsing van die executie.
Het Gerecht is allereerst van oordeel dat [gedaagde] heeft onderbouwd dat hij in de afgelopen jaren erg veel geduld met [eiser] heeft gehad, waarbij [eiser] telkens beloften tot betaling heeft gedaan, die hij niet heeft waargemaakt. Dat [gedaagde] tot executie van het vonnis van 20 augustus 2024 is overgegaan, is daarom alleszins begrijpelijk en niet onredelijk.
Het totaal door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde bedroeg per eind augustus 2026 USD 334.000.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de in het kadaster ingeschreven hypotheek inmiddels is doorgehaald, omdat [eiser] al in 2017 voor totale aflossing daarvan had zorggedragen. Er is dus geen hypotheekschuld, die op de verkoopopbrengst in mindering komt.
Behalve door [gedaagde] is er ook nog beslag gelegd door een andere schuld[eiser]. Het in het register van het kadaster daarvoor vermelde bedrag is USD 50.000.
De tot heden gemaakte kosten van de veiling zullen worden ingehouden op de verkoopprijs. Gelet op de te verwachten executie-opbrengst (volgens recent taxatierapport USD 805.000) zullen die kosten daarvan kunnen worden voldaan. Deze komen daardoor ten laste van [eiser].
eiser] heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling een brief van 3 oktober 2026 van de Orco Bank in het geding gebracht. Daaruit volgt dat die bank een financieringsaanvraag van [eiser] welwillend zal beoordelen, gelet op de goede relatie van de bank met [eiser]. De bank heeft echter wel enige tijd nodig om die aanvraag verder te beoordelen. Zelf noemt de Orco Bank dat een uitstel tot 15 december 2026 voldoende moet zijn om een formele kredietbeslissing te kunnen nemen.
Het is in het belang van [gedaagde] dat de veiling doorgang vindt. Hij kan dan uit de opbrengst van de veiling zelf aan zijn financiële verplichtingen jegens derden voldoen. Het belang van [eiser] is daarentegen gelegen in het kunnen blijven wonen in de woning, mede gelet op zijn – met bewijsstukken onderbouwde – medische situatie. Onder al de hiervoor vermelde omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat de belangen van [eiser] op dit moment zwaarder wegen. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het financiële risico voor [gedaagde] beperkt lijkt, gelet op de getaxeerde waarde van de woning. Dat ter zitting is gesteld dat de Ontvanger van de belastingdienst inmiddels ook beslag heeft gelegd, kan daar niet aan afdoen. Die vordering is preferent (inkomstenbelasting), zodat zowel bij een veiling op 28 oktober 2026, als bij een latere veiling dit beslag vóór gaat. Met andere woorden, een te verlenen uitstel van executie maakt daarin geen verschil.
Ten slotte merkt het Gerecht nog op dat is gebleken dat de volgens de wet in artikel 544 Rv bepaalde aanzegging aan de ingeschreven andere schuld[eiser] (beslaglegger) niet heeft plaatsgevonden. Indien de veiling op 28 oktober 2026 doorgang zou vinden, zal die beslaglegger worden afgelost tegen het ingeschreven bedrag. Indien dat niet juist is, zullen de gevolgen daarvan mogelijk tegen [gedaagde] worden ingeroepen.
Het voorgaande leidt tot de beslissing dat het verzoek tot schorsing van de executie zal worden toegewezen, onder de hierna te formuleren voorwaarden. Hierbij is van belang dat de hiervoor bedoelde financiering door Orco Bank in ieder geval voldoende moet zijn om de schuld van [eiser] aan [gedaagde] ineens te voldoen. Dat zal [eiser] dan ook moeten doen, c.q. de Orco Bank moeten instrueren het totaal-verschuldigde rechtstreeks aan [gedaagde] te voldoen. In dat verband heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht om ten behoeve van de Orco Bank een naar hoofdsom, rente, boete en kosten gespecificeerd actueel
overzicht van de schuld te verstrekken, en de juridische, veiling- en notariskosten en de dagelijkse renteopbouw. Een en ander zal de beoordeling door de bank bespoedigen.
In de hiervoor geschetste omstandigheden ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren; ieder draagt de eigen kosten.
3. De beslissing in kort geding
Het Gerecht:
SCHORST de door [gedaagde] ingezette executie van de onroerende zaak van [eiser] aan de [adres], door de openbare veiling van 28 oktober 2026 om 10.00 uur ten overstaan van notaris M.F. Mingo, met onmiddellijke ingang tot 15 december 2026;
bepaalt dat (de gemachtigde van) [gedaagde] van een en ander kennis geeft aan notaris M.F. Mingo;
bepaalt dat eventuele extra executiekosten voor rekening van [eiser] zullen komen;
bepaalt verder dat het [gedaagde] vrij staat de executie vervolgen, indien zijn vordering niet uiterlijk 15 december 2026 zal zijn voldaan;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat is ondertekend door de rechter en de griffier.
griffier rechter