Uitspraakdatum: 19 februari 2026
Zaaknummer: SXM202600137
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
BESLISSING
op het verzoek tot schorsing en/of het treffen van een voorlopige voorziening van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
allen wonende te Sint Maarten,
eisers,gemachtigde: mr. G. Hatzmann,
tegen
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR VAN SINT MAARTEN,
zetelend te Sint Maarten,
verweerder, hierna ook: de Minister,
gemachtigde: mr. G.B. Simmons-De Jong,
met als derde-belanghebbende:
[vergunninghouder],
gevestigd te Sint Maarten,
hierna ook: [vergunninghouder] of de derde-belanghebbende,
gemachtigde: mr. Z.J.A. Bary.
1. Inleiding
In deze zaak beoordeelt het Gerecht het verzoek van eisers om de op 16 mei 2025 door de Minister aan [vergunninghouder] verleende civil works permits (aanlegvergunningen) te schorsen, zolang niet op het beroep tegen de verlening van deze vergunningen is beslist. Subsidiair is verzocht om de Minister te veroordelen tot het opleggen van een bouwstop aan [vergunninghouder], met bepaling dat deze bouwstop niet geldt voor de verplichting op grond van het vonnis van 16 december 2025 om een toegangsweg aan te leggen ten behoeve van eisers.
Na indiening van het verzoekschrift met producties op 4 februari 2026, heeft de Minister op 11 februari 2026 een verweerschrift met producties ingediend.
Het Gerecht heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Eisers 1-4 en 7-8 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens de Minister is verschenen de heer T. Snyder, legal advisor, bijgestaan door de gemachtigde (via videoverbinding). Namens de derde-belanghebbende is haar directeur dhr.[N] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde schriftelijke aantekeningen, die zich bij de stukken bevinden.
2. Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht zal in deze zaak alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening beslissen en niet op het ingestelde beroep, omdat daarvoor geen toestemming van partijen is verkregen en geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond beroep.
Naar voorlopig oordeel van het Gerecht heeft de Minister de civil works permit voor afgravingswerkzaamheden in redelijkheid kunnen verlenen en is geen sprake van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor schorsing van het besluit of het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding. Het verzoek zal worden afgewezen.
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
Wat is in deze zaak relevant om te weten?
vergunninghouder] is eigenaar van een aantal percelen grond in Cupe Coy en is van plan aldaar het bouwproject ‘West Vue’ (het bouwproject) te realiseren. Eisers wonen op een perceel naast de percelen waarop [vergunninghouder] het bouwproject wil realiseren.
De Minister heeft op 9 februari 2024 een bouwvergunning verleend voor het bouwproject. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
Na de verleende bouwvergunning heeft [vergunninghouder] afzonderlijke aanvragen ingediend voor afgraven, rooien en slopen, die door het Ministerie van VROMI zijn beoordeeld in verband met af te geven civil works permits. Er hebben technische inspecties plaatsgevonden en er zijn adviezen opgesteld. Op 29 april 2025 zijn de conceptbesluiten aan belanghebbenden toegezonden, waaronder eisers. Eisers hebben hun zienswijze op 7 mei 2025 ingediend. Op 16 mei 2025 zijn door de Minister drie civil works permits verleend aan [vergunninghouder]. Het betreft een sloopvergunning (demolition), een rooivergunning (felling) en een afgraafvergunning (excavation). Eisers hebben op 6 juni 2025 beroep in gesteld tegen deze civil works permits. De behandeling van het beroep staat ingepland op 16 maart 2025.
Op 15 oktober 2025 heeft Geobest een rapportage uitgebracht op verzoek van eisers, waarin onder meer staat vermeld:
“The construction of this project above should be stopped until all building plans are made available, soil investigations, geotechnical and geo-hydrological studies are conducted, properly reported and reviewed by a third party.”
Eisers hebben vervolgens een kort geding aangespannen tegen [vergunninghouder], de Minister en het Land, waarin zij onder meer een bouwstop hebben gevorderd. In deze procedure is door [vergunninghouder] een “Geotechnical Engineering Report” van 1 augustus 2023 van Schnabel Engineering (hierna: Schnabel) ingebracht. Hieruit blijkt dat er voorafgaande aan de verlening van de bouwvergunning en civil works permits een geotechnisch onderzoek is verricht.
Bij vonnis in kort geding van 16 december 2025 van dit Gerecht is (voor zover relevant in deze procedure) de vordering van eisers gericht tegen de Minister en het Land, strekkende tot het opleggen van een bouwstop, niet-ontvankelijk verklaard. De vergelijkbare vordering gericht tegen [vergunninghouder] is afgewezen. Er is onder meer overwogen:
“De door de Minister genomen beslissingen hebben in beginsel voor de burgerlijke rechter in een later geding tussen partijen bindende kracht. Voorkomen moet worden dat de burgerlijke rechter over vragen waarover ook de bestuursrechter tot oordelen is geroepen, tot een ander oordeel komt dan deze en dat de burgerlijke rechter zich moet begeven in vragen die typisch tot het werkterrein van de bestuursrechter behoren. […] Zoals hiervoor overwogen, zijn er voor eisers op dit moment nog wel bestuursrechtelijke mogelijkheden, waarvan eisers ook gebruikmaken. Na de opgeworpen bezwaren van de Minister en het Land hebben eisers tijdens de mondelinge behandeling niet aangevoerd, waarom in deze zaak van de vaste jurisprudentie zou moeten worden afgeweken. Zij hebben ook niet uitgelegd waarom de route van een door de bestuursrechter te geven voorlopige voorziening niet wordt gevolgd. Het een en ander leidt tot de conclusie dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tegen de Minister en het Land, voor zover deze zien op de gestelde onaanvaardbare veiligheidsrisico’s. […]
De gemachtigde heeft verzocht om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om deskundige Brouwer te laten reageren op het rapport van Schnabel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Gerecht aangekondigd hierover later een beslissing te zullen nemen en als die beslissing zou luiden dat eisers de mogelijkheid zouden krijgen om te reageren, het wijzen van vonnis zou worden aangehouden.
Na bestudering van het rapport van Schnabel komt het Gerecht tot de conclusie dat er wel een uitvoerig en met bijlagen onderbouwd geotechnisch onderzoek is gedaan. Hiermee heeft [vergunninghouder] het standpunt van eisers voldoende gemotiveerd betwist. Ook al zou de deskundige van eisers alsnog gefundeerde kritiek hebben op de inhoud van het rapport van Schnabel, dan gaat het te ver om daarover in kort geding een beslissing te kunnen nemen. Een dergelijke discussie tussen deskundigen hoort thuis in een bodemprocedure. Daarom wordt eisers in dit kort geding geen mogelijkheid geboden om een tweede rapportage van hun deskundige in te brengen. Indien zou zijn komen vast te staan dat er in het geheel geen geometrisch onderzoek zou zijn gedaan – waar deskundige Brouwer vooralsnog in oktober 2025 van uit ging – dan zou dat anders zijn geweest, maar dat is dus niet zo.”
Naar aanleiding van het bekend geworden rapport van Schnabel heeft Geobest een nader rapport uitgebracht. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende:“The soil investigation was performed properly and is sufficient for this project”“In general the geotechnical recommendations appear to be appropriate”“…a choice has been made for an open excavation to construct the building pit for the underground car parking. We are not aware whether the presence of nearby buildings has taken into account in this decision.”“To date we have not received [a monitoring plan]. As mentioned and shown by pictures before, even though the excavation works have already started. These works should be halted until a proper monitoring plan is made available.”
Wat hebben eisers aan hun verzoek ten grondslag gelegd?
Volgens eisers heeft het bouwproject een onaanvaardbaar hoog risico-profiel. De werkzaamheden moeten gestaakt worden en kunnen pas hervat worden als middels deugdelijke beoordeling van de bouwplannen is vastgesteld dat het bouwproject geen onaanvaardbare risico’s met zich mee brengt. Het rapport van Schnabel ziet slechts op het voorlopig ontwerp en is niet geschikt voor de daadwerkelijke uitvoering van het bouwproject. Uit het aanvullend rapport van Geobest blijkt dat er onaanvaardbare veiligheidsrisico’s zijn in verband met seismische belasting, gebrekkige fundering, afgraven zonder rekening te houden met omliggende woningen, zijwaartse bodem- en waterdruk en gebrekkige monitoring.
Daarnaast is sprake van schending van het fair-play beginsel en zorgvuldigheidsbeginsel door het moedwillig achterhouden van het Schnabel-rapport en schending van het motiveringsbeginsel door civil works permits af te geven zonder het noodzakelijke vervolgonderzoek af te wachten.
Wat zijn de standpunten van de Minister en [vergunninghouder]?
De Minister betwist de ontvankelijkheid van eisers. De voorlopige voorzieningenprocedure is niet bedoeld voor een volledige inhoudelijke beoordeling van complexe technische kwesties of voor een verkapt hoger beroep. Verder is in de kort geding procedure al uitgemaakt dat de kwestie van de gevaarzetting en het debat tussen de deskundigen zich niet leent voor een voorlopige beoordeling.
Bovendien ontbreekt spoedeisend belang van eisers, want de werkzaamheden waarvoor de civil works permits zijn verleend, zijn inmiddels afgerond. Er is dus geen sprake meer van het voorkomen van onomkeerbare of onevenredige gevolgen hangende een bodemprocedure.
Indien het toch tot een inhoudelijke beoordeling komt, wijst de Minister erop dat het hier gaat om civil works permits met een eigen afwegingskader en niet om de bouwvergunning of een Lob-besluit. De vermeende veiligheidsrisico’s zijn meegewogen bij het verlenen van de civil works permits. Het aanvullende rapport van Geobest kwalificeert het bouwproject niet als onveilig, maar stelt dat niet alle informatie beschikbaar is en geeft een aantal aanbevelingen. Dat gaat niet over de rechtmatigheid van de vergunningen en ook niet over onaanvaardbare veiligheidsrisico’s. Verder zijn deze bezwaren dus al aan de orde geweest in de kort geding procedure.
Schending van beginselen van behoorlijk bestuur is niet aan de orde. Er is een onderzoek verricht door Schnabel en dat is gebruikt bij de besluitvorming, de zienswijze van belanghebbenden is opgevraagd en daarop is gemotiveerd gereageerd. Het rapport van Schnabel is inmiddels bekend bij eisers en geschilpunten over de verstrekking daarvan horen thuis in de Lob-procedure. Dat eisers het rapport liever eerder hadden gehad, benadeelt hen niet in hun procespositie.
Namens [vergunninghouder] is het spoedeisend belang van eisers betwist. De gestelde risico’s zijn al onderwerp geweest van eerdere procedures en niet gebaseerd op bewijs. De schade voor [vergunninghouder] bij een bouwstop is aanzienlijk en direct. De bodemrechter zal de zaak op korte termijn behandelen, waardoor spoedeisend belang bij een ingrijpende maatregel als een bouwstop ontbreekt. Verder maken eisers misbruik van procesrecht door via deze procedure de onherroepelijke bouwvergunning te proberen te ondermijnen. Eisers hebben ook geen procesbelang, omdat er geen civil works meer gaande zijn en men alleen nog bezig is met het uitvoeren van de bouwvergunning. Bij het verlenen van de civil works permits zijn eisers betrokken geweest en hebben zij hun zienswijze kenbaar kunnen maken. Tot slot dient de belangenafweging in het voordeel van [vergunninghouder] uit te vallen. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op grond van verleende vergunningen, de technische discussie is onderdeel van de bodemzaak en een bouwstop zal onomkeerbare financiële en contractuele gevolgen hebben voor [vergunninghouder}. Ook zal [vergunninghouder] zich geconfronteerd zien met dwangsommen omdat zij andere verplichtingen jegens eisers, uit hoofde van het kort geding vonnis, dan niet kan nakomen.
Is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk? 2.15. De civil works permits zijn op 16 mei 2025 verleend. Daartegen is binnen zes weken, namelijk op 6 juni 2025, beroep ingesteld. Vervolgens is het verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend. Aan de formele ontvankelijkheidseis is voldaan.
Het betoog van de Minister met betrekking tot de aard van de procedure en de betekenis van het kort geding vonnis treft geen doel. Eisers zijn in die procedure jegens de Minister en het Land juist niet-ontvankelijk verklaard omdat er een bestuursrechtelijke weg open staat. De kort geding rechter heeft onder meer overwogen dat eisers “niet [hebben] uitgelegd waarom de route van een door de bestuursrechter te geven voorlopige voorziening niet wordt gevolgd.” Verder gaat het Gerecht niet mee in de gedachte dat überhaupt geen inhoudelijk voorlopig oordeel in de bestuursrechtelijke voorlopige voorzieningenprocedure zou kunnen worden gegeven als er discussie is tussen deskundigen of als er al een kort geding procedure is geweest. Wet noch jurisprudentie bieden daar aanknopingspunten voor.
De conclusie is dat het verzoek ontvankelijk is.
Wat vindt het Gerecht inhoudelijk van de zaak?
Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover thans van belang, kan een beschikking, waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, op verzoek van de indiener van het beroepschrift geheel of gedeeltelijk worden geschorst op de grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen doel. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel, als in de eerste volzin bedoeld.
Het Gerecht overweegt dat de bezwaren van eisers zich niet richten tegen de rooivergunning en de sloopvergunning. Bovendien is niet in geschil dat deze werkzaamheden volledig afgerond zijn. Voor zover het verzoek van eisers betrekking heeft op deze vergunningen, wordt het dan ook afgewezen.
Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt het Gerecht het volgende. Indien eisers er gelijk in hebben dat door de verleende civil works permit voor afgravingswerkzaamheden onaanvaardbare veiligheidsrisico’s voor hen in het leven worden geroepen, dan hebben zij voldoende spoedeisend belang bij schorsing daarvan. Gezien de forse afgravingswerkzaamheden waarvoor vergunning is verleend en de nabijheid van de woningen van eisers bij de ‘bouwput’, is die stellingname op voorhand niet van elke aannemelijkheid ontbloot. De Minister en [vergunninghouder] hebben in dit verband ook nog aangevoerd dat de werkzaamheden waarvoor de civil works permits zijn verleend, reeds afgerond zijn en dat eisers daarom geen spoedeisend belang althans procesbelang meer hebben. Eisers betwisten echter dat het werk klaar is en stellen dat er nog ‘excavators’ rondrijden op het terrein en dat nog afgravingswerkzaamheden plaatsvinden. Desgevraagd heeft de Minister niet kunnen toelichten hoe is vastgesteld dat de afgravingswerkzaamheden inderdaad gereed zijn. Er heeft in elk geval geen inspectie ter plaatse plaatsgevonden bij weten van de gemachtigde en de vertegenwoordiger van het Ministerie. De directeur van [vergunninghouder] is ter zitting niet verder gekomen dan bij herhaling te benoemen dat er ‘alleen werkzaamheden onder de bouwvergunning worden uitgevoerd’ en dat het niet verboden is om een ‘excavator’ rond te laten rijden op het terrein. Een duidelijk en direct antwoord op de vraag of nog afgravingswerkzaamheden plaatsvinden, bleef uit. Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat vooralsnog, voorlopig oordelend, niet is komen vast te staan dat de afgravingswerkzaamheden daadwerkelijk zijn afgerond. Het Gerecht neemt aldus een spoedeisend belang en procesbelang voor eisers aan en zal het verzoek verder inhoudelijk beoordelen.
Het Gerecht overweegt dat veel van de zorgen en bezwaren van eisers zien op de uitvoering van de bouwvergunning en de daaraan volgens hen verbonden risico’s. Ook veel van de kwesties die Geobest aanstipt in de rapporten, zoals ‘seismic loaing’, ‘foundations’ en ‘lateral soil and water pressures’ zien op de bouwfase. De onderhavige procedure gaat echter over de civil works permit voor afgravingswerkzaamheden en niet over de (onherroepelijke) bouwvergunning. De omstandigheid dat een ‘monitoring plan’ zou ontbreken en dat voor Geobest onduidelijk is in hoeverre door Schnabel rekening is gehouden met de aanwezigheid van woningen nabij de afgraaflocatie, betekent niet dat daarmee daadwerkelijk sprake is van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico dat tot het onmiddellijk staken van de uitvoering van de civil works permit moet leiden. Andere feiten en omstandigheden waaruit het gestelde onaanvaardbare veiligheidsrisico blijkt, zijn niet komen vast te staan.
De Minister heeft zich in de besluitvorming gebaseerd op een geotechnisch rapport dat, voorlopig oordelend, naar inhoud en totstandkoming valide is en als basis kon dienen voor het besluit. Verder heeft de Minister de zienswijze van de belanghebbenden in de besluitvorming betrokken en de bezwaren gemotiveerd weerlegd. Het rapport van Schnabel is, hoewel onbegrijpelijk laat, in het bezit gekomen van eisers en zij hebben daar tegenonderzoek naar kunnen laten doen. Alles afwegende heeft de Minister, voorlopig oordelend, de civil works permit voor de afgravingswerkzaamheden in redelijkheid kunnen verlenen en is geen sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het verzoek van eisers tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.
3. De beslissing
Het Gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Drenth, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.