GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
[eiseres].,
Uitspraakdatum: 16 februari 2026
Zaaknummer: SXM202500803-LAR00128/2025
In het geding van:
eiseres,
gemachtigde: M.E.S. Flanders-Lake,
tegen
DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, SOCIALE ONTWIKKELING EN ARBEID VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.O. Muller,
Procesverloop
Bij beschikking van 21 november 2024 (hierna: de primaire beschikking) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een tewerkstellingsvergunning te verlenen ten behoeve van [naam vreemdeling].
Bij beschikking van 16 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire beschikking kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Bij beroepschrift (met producties) van 28 juli 2025, ingediend ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier, heeft eiseres tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld.
Op 27 oktober 2025 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.
De mondelinge behandeling van het beroep heeft op 26 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren namens eiseres aanwezig M.E.S. Flanders-Lake en [naam vreemdeling]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.
Ter zitting heeft het Gerecht eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen een week een machtiging te overleggen, waaruit blijkt dat M.E.S. Flanders-Lake gemachtigd is om voor haar in deze procedure op te treden. Deze machtiging heeft eiseres na de zitting op 30 januari 2026 overgelegd. Met instemming van partijen heeft het Gerecht het onderzoek daarna gesloten.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Eiseres exploiteert een schoonmaakbedrijf in Sint Maarten.
De heer [naam vreemdeling] is geboren op 16 augustus [geboortejaar] en heeft de Jamaicaanse nationaliteit.
Op 30 oktober 2024 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van [naam vreemdeling], voor de functie van monteur. Daarbij heeft eiseres M.E.S. Flanders-Lake gemachtigd om voor haar besluiten in ontvangst te nemen.
Bij de primaire beschikking heeft verweerder afwijzend beslist op en daarbij het volgende overwogen:
”Article 6, Paragraph 3, AB 2013 GT. No. 73 Based on the information provided by the applicant (employer), as it regards the requirements to fill the position, same has not proven that the non-national possesses the required qualifications, diplomas, certificates and/or experience, to perform the task as described.”
Deze beschikking is op 20 januari 2025 aan de gemachtigde van eiseres uitgereikt.
Eiseres heeft op 20 februari 2025 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de primaire beschikking door een bezwaarschift in te dienen. Dit bezwaar is bij de bestreden beschikking kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
Niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege het ontbreken van een machtiging?
2. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gemachtigde van eiseres bij de indiening van het beroepschrift geen machtiging heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij hiertoe gemachtigd is. Het Gerecht heeft (de gemachtigde van) eiseres ter zitting een termijn van een week gegeven om dit verzuim te herstellen. De gemachtigde heeft op 30 januari 2026, binnen de gestelde termijn, de vereiste machtiging overgelegd. Gelet hierop is het verzuim hersteld en is er geen reden om het beroep om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van het Gerecht
3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Daarover overweegt het Gerecht het volgende.
Artikel 12 Landsverordening Arbeid vreemdelingen bepaalt dat degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een beschikking ter zake van een tewerkstellingsvergunning hiertegen binnen vier weken na de dag waarop deze is gegeven bezwaar kan indienen bij de minister.
Ingevolge artikel 56, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) geldt als de dag waarop een beschikking is gegeven, de dag waarop deze is verzonden of uitgereikt.
De primaire beschikking is gedagtekend 21 november 2024. Deze is aan de gemachtigde op 20 januari 2025 uitgereikt. Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat de termijn voor het indienen van het bezwaar derhalve verstreek op 17 februari 2025, vier weken na de dag waarop de primaire beschikking is uitgereikt. Het bezwaarschrift is op 20 februari 2025 bij verweerder ingediend. Dit is drie dagen na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het bezwaarschrift is derhalve te laat ingediend.
Ingevolge het derde lid van artikel 56 van de Lar blijft, wanneer het bezwaarschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de bezwaarde aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van hem niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden en hij het bezwaarschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In dat geval, zo voegt het Gerecht daaraan toe, is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding is veroorzaakt door een oprecht en redelijk misverstand van haar kant, namelijk dat zij is uitgegaan van een bezwaartermijn van één maand (in dit geval 31 dagen) in plaats van vier weken (28 dagen). Daar komt bij dat zij heeft gepoogd het bezwaarschrift op 19 februari 2025 in te dienen. De Directie Arbeid was die dag echter gesloten in verband met een overleg waardoor zij een dag later is teruggekomen en het bezwaarschrift alsnog heeft ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres benadrukt dat zij geen professionele rechtsbijstandsverlener is en eiseres en de heer Allen slechts probeert te helpen. Zij heeft verder uitgelegd tijdens de bezwaartermijn in afwachting te zijn geweest van documenten van de heer Allen met betrekking tot zijn diploma’s. Zij wist niet dat het mogelijk was om alvast (proforma) bezwaar te maken. Eisers heeft zich gelet op het voorgaande en gelet op de zeer beperkte termijnoverschrijding beroepen op de verschoonbaarheid daarvan.
Bij de beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, neemt het Gerecht tot uitgangspunt hetgeen is overwogen in de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 14 februari 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:14). In deze uitspraak heeft het Hof met verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) onderschreven dat er voor bestuursorganen en bestuursrechters reden is om bij de handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen minder strikt te zijn. Aangesloten is bij wat in 2 tot en met 6 van de uitspraak van het College is overwogen.
Het Gerecht is in het onderhavige geval van oordeel dat de termijnoverschrijding voor het maken van bezwaar door eiseres, die bij gebreke van een professionele gemachtigde geacht moet worden in persoon te procederen, verschoonbaar is. Daarbij kent het Gerecht betekenis toe aan de door de gemachtigde van eiseres geschetste persoonlijke omstandigheden zoals onder 5.2 weergegeven, en de geringe termijnoverschrijding van drie dagen. Het Gerecht stelt daarbij vast dat de rechtszekerheid van derden met een tegengesteld belang hier niet in het geding is en dat verweerder geen groot belang heeft bij het verkrijgen van rechtszekerheid over de vraag of de bestreden beschikking wel of niet in rechte onaantastbaar is geworden.
Ten aanzien van het door verweerder naar voren gebrachte risico van ongewenste precedentwerking, overweegt het Gerecht dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering vergt. De uitkomst in deze zaak berust op de specifieke combinatie van factoren die zich hier voordoen en kan niet worden losgemaakt van die context. Reeds daarom is van een zonder meer doorwerkend precedent geen sprake.
Conclusie
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar inhoudelijk in behandeling moet nemen en opnieuw, maar dan inhoudelijk, op het bezwaarschrift moet beslissen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking van 16 juni 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na heden een nieuwe beslissing te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 16 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.