GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202600106
Datum beschikking: 10 februari 2026
Op het verzoek van
de naamloze vennootschap
ISLAND FINANCE SINT MAARTEN N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
de Bank,
gemachtigde: mr. C.M. Marica
tegen
[naam wederpartij],
wonende in Sint Maarten,
verweerder.
Partijen zullen hierna de Bank en [naam] worden genoemd.
1. Het procesverloop
Op 2 februari 2026 is bij het Gerecht een verzoekschrift van de Bank ingediend, strekkende tot het leggen van conservatoir beslag op het loon van [naam].
De beslagrechter heeft de beslissing op het verzoek aangehouden om de advocaat van de Bank de gelegenheid te geven toe te lichten waarom de verwachting is dat [naam] niet langer in dienst zou blijven bij zijn werkgever, indien er geen conservatoir loonbeslag wordt gelegd.
De advocaat van de Bank heeft hierop bij e-mail van 5 februari 2026 gereageerd.
2. De gronden van de beslissing
De bank heeft haar verzoek als volgt onderbouwd:
1. De Bank en [naam] zijn op 2 september 2022 een overeenkomst aangegaan. De Bank verstrekte aan [naam] een lening van Xcg 26.540,40 voor een periode van vier jaren. Deze lening, inclusief rente in totaal Xcg 41.628,- moest door [naam] 48 maandelijkse termijnen van Xcg 867,25 te worden terugbetaald.
2. [naam] kwam zijn maandelijkse betalingsverplichtingen enige tijd na en hield op de Bank te betalen, zijn laatste betaling daterende van 9 oktober 2024, diverse aanmaningen zijdens de Bank ten spijt. De bank droeg het op 30 november 2024 openstaande bedrag van Xcg 22.619,50 over ter incasso.
3. Na door het in de hand genomen incassobureau te zijn aangemaand tekende [naam] op 17 april 2025 een schuldbekentenis. Door de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten bedroeg het verschuldigde toen in totaal Xcg 26.691,10 (USD 14.995,-), te vermeerderen met de wettelijke rente. [naam] diende dit totaalbedrag in maandelijkse termijnen van minimaal USD 500,- te betalen.
4. [naam] voldeed na de overeengekomen schuldbekentenis tot 2 februari 2026 slechts twee termijnen en is in verzuim. De laatste betaling dateert van 8 augustus 2025. [naam] is op basis van de schuldbekentenis, inclusief de wettelijke rente welke tot en met 27 januari 2026 Xcg 1401,02 (USD 787,09) bedraagt, nog Xcg 27.113,12 (USD 15.232,09) opeisbaar verschuldigd. De wettelijke rente vanaf 27 januari 2026 blijft doorlopen en is ook verschuldigd.
(…)
Rechtvaardiging/Noodzaak beslag:
6. (…) Geconcludeerd is dat [naam] alleen middels het loon van zijn werkgever verhaal biedt. Het is onbekend hoe lang [naam] nog in dienst zal zijn van zijn werkgever, terwijl aan de andere kant deze schuld dit jaar geheel zou moeten zijn afbetaald conform de overeenkomst. Meer dan de helft van de schuld is thans nog verschuldigd. Ook de voorwaarden in de schuldbekentenis zijn sinds begin vorig jaar niet deugdelijk nagekomen. Het is dus alleszins redelijk dat de Bank op zo kort mogelijk termijn het aan haar verschuldigde bedrag collecteert, terwijl anderszins het in het belang van [naam] is om de schuld zo spoedig mogelijk af te betalen teneinde de rente te mitigeren, althans niet verder te doen oplopen.
7. Middels het beslag wordt hangende de procedure reeds een deel van het loon ingehouden welke bij toewijzing van de vordering in elk geval aan de Bank kan worden overgedragen. Het is niet redelijk dat van de Bank verwacht wordt eerst een hoofdzaak te moeten indienen, waarin op zijn vroegst, in geval van verstek van [naam], over 5 maanden een executoriale titel wordt verkregen. Hieraan wordt toegevoegd dat niet voorzienbaar is als [naam] na die 5 maanden nog werkzaam aldaar is en verhaal als zodanig biedt.
8. De conclusie is dan ook, alle voormelde omstandigheden in acht nemend, dat de Bank gerechtvaardigde, zwaarderwegende belangen heeft bij de verzochte loonbeslaglegging op het wettelijk toegestane deel van het loon van [naam], dan de belangen van [naam] bij uitbetaling van zijn volledig loon.
De beslagrechter van dit Gerecht heeft vervolgens aan de gemachtigde van de Bank verzocht toe te lichten, waarom de verwachting is dat [naam] niet langer in dienst zou blijven bij zijn werkgever, als er geen conservatoir loonbeslag wordt gelegd.
In aanvulling op het verzoekschrift en in reactie op het verzoek heeft de gemachtigde van de Bank het volgende meegedeeld:
In het verzoekschrift is gesteld dat niet bekend is hoe lang [naam] nog werkzaam zal zijn bij de werkgever. Deze stelling is gebaseerd op eerdere ervaringen over de afgelopen maanden/ jaren.
De bank heeft een groot aantal zaken en zelfs vonnissen die niet (langer) geëxecuteerd kunnen worden omdat de gerekwestreerden niet langer werken bij de werkgever die ze hebben opgegeven bij de bank ten tijde van het aangaan van de lening. De bank heeft hierdoor behalve de saldi van de leningen ook verlies geleden door de extra kosten die zijn gemaakt ter incasso van de leningen.
Dit is ook de reden waarom in zaken waarin de werkgever bekend is, gekozen wordt voor beslaglegging en dan de hoofdzaak, zodat in elk geval, al dan niet voor een gedeelte, middels ingehouden salaris (een deel van) de schuld geïncasseerd kan worden.
3. De beoordeling van het verzoek
Een conservatoir beslag is een uitzondering op de regel dat een schuldeiser eerst een executoriale titel (vonnis) dient te hebben waaraan niet is voldaan, voordat beslag kan worden gelegd op vermogensbestanddelen van een schuldenaar. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om deze uitzondering te mogen toepassen is dat een schuldeiser moet onderbouwen, waarom het noodzakelijk is dat eerst beslag moet worden gelegd, voordat de procedure tegen de schuldenaar wordt begonnen.
Het gaat dus niet – zoals de Bank stelt – om de vraag of de Bank een groter belang heeft dan [naam]; de Bank moet onderbouwen waarom het verkrijgen van een vonnis in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
De bank stelt dat op zijn vroegst, in geval van verstek van [naam], over vijf maanden een executoriale titel wordt verkregen. Het Gerecht merkt over dat standpunt het volgende op.Het is allereerst onjuist dat na verstekverlening een verstekvonnis pas na vijf maanden wordt gewezen. Daarnaast geldt dat volgens de Bank in deze zaak de laatste betaling van [naam] is gedaan op 8 augustus 2025. De Bank heeft daarna dus zelf vijf maanden gewacht, voordat het onderhavige verzoek is ingediend. Zij had ook half september 2025 de hoofdzaak kunnen beginnen. Ten slotte heeft de Bank niet kunnen onderbouwen dat [naam] mogelijk na een toewijzend vonnis niet meer bij zijn werkgever werkzaam zal zijn, terwijl hij daar op zijn minst al sinds 2022 werkzaam is.
Het komt er feitelijk slechts op neer dat door het leggen van conservatoir beslag eerder bedragen voor de bank zullen worden ingehouden dan als er eerst geprocedeerd moet worden. Een dergelijke voorrang is echter geen wettelijke grond om conservatoir beslag te leggen.
Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
Het Gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, op 10 februari 2026.