GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400360
Vonnisdatum: 17 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. J. Veen,
tegen
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
nu gedetineerd in de Verenigde Staten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
De zaak in het kort
Eindvonnis na bewijslevering [eiser] en nadere toelichting. Het Gerecht wijst de vordering voor het grootste deel toe.
Brief summary of the case
Final judgment after [eiser] provided evidence and further explanation. The Court grants most of the claim.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het vonnis van 2 september 2025
de akte wijziging eis en overleggen bewijsstukken van 28 oktober 2025 van [eiser], met producties;
de antwoord-akte van 6 januari 2026 van [gedaagde], met producties.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling van het geschil
Geen schending waarheidsplicht
In zijn antwoord-akte doet [gedaagde] een beroep op artikel 18c Rv, omdat [eiser] zijn waarheidsplicht zou hebben geschonden. Anders dan [eiser] heeft gesteld, heeft hij namelijk van de Amerikaanse overheid als getuige wel een uitkering ontvangen. Dat blijkt uit de bijlagen bij het openbaar toegankelijke vonnis in de strafzaak, aldus [gedaagde].
[gedaagde] doet dit beroep voor het eerst in zijn antwoord-akte. [eiser] heeft hierop dus nog niet kunnen reageren. De zaak hoeft daarvoor niet te worden aangehouden, omdat het Gerecht ambtshalve het volgende overweegt.
De verwijzing naar de “Bill of Costs” in het strafvonnis door [gedaagde] berust op een verkeerde lezing ervan. Onder I. worden de kosten opgenomen voor het opnemen en overzetten van de getuigenverklaringen van onder meer [eiser], [getuige 2] en [getuige 3]. Dat zijn echter geen kosten die aan de getuigen zijn uitgekeerd, maar proceskosten, die de Amerikaanse overheid op [gedaagde] zal proberen te verhalen. In het vonnis is daarvoor zelfs een “Schedule of Payments” opgenomen.Onder II. zijn de getuigentaxen opgenomen, die daadwerkelijk aan de respectieve getuigen zijn uitgekeerd. Aan de getuige [getuige 2] is een bedrag van USD 2.170,94 uitgekeerd. Getuigen [eiser] en [getuige 3] komen op deze lijst echter niet voor; aan hen is geen uitkering gedaan.[eiser] heeft zijn waarheidsplicht dus niet geschonden. Het beroep op artikel 18c Rv. wordt daarom verworpen.
Vermeerdering van eis toegelaten
Zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, is een eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. Een gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.In zijn akte van 28 oktober 2025 heeft [eiser] zijn eis vermeerderd. [gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
De vermeerdering van eis heeft betrekking op vijf declaraties, die de Amerikaanse advocaat van [eiser] aan [eiser] in rekening heeft gebracht na afloop van de strafzaak. Deze declaraties dateren van na indiening van het verzoekschrift, de laatste twee (90% van de vermeerdering) zelfs van na de conclusie van repliek van [eiser]. De vermeerdering van eis is daarmee niet te laat. Feiten die zich gedurende de loop van een procedure voordoen, moeten in beginsel ook in die procedure aan de orde kunnen komen.
[eiser] heeft toegelicht dat de aanvullende declaraties betrekking hebben op het volgen van het vonnis, de executie daarvan en het voeren van overleg over de gevolgen voor de immuniteit (het Gerecht begrijpt: van [eiser]) in het geval van het doorgaan van het door [gedaagde] aangekondigde hoger beroep. Een en ander blijkt ook uit de specificatie van de declaraties. Het Gerecht is van oordeel dat dit niet in strijd is met de behoorlijke procesorde. Dit is een overzichtelijke wijziging, waarop [gedaagde] in zijn antwoord-akte heeft kunnen reageren. Dat heeft [gedaagde] overigens ook gedaan.Inhoudelijke overwegingen
In het tussenvonnis is aan [eiser] de opdracht gegeven om twee onderdelen van zijn vordering nader toe te lichten (declaraties mr. Michel vanaf 19 april 2022 en declaraties mr. Veen) en op één onderdeel bewijs te leveren (schade werkelijk geleden in het vermogen van [eiser]).Declaraties advocaat mr. Scott D. Michel
[eiser] diende volgens het tussenvonnis de declaraties vanaf 19 april 2022 tot en met 19 september 2023 in het geding te brengen. Dat heeft hij gedaan. Deze sluiten aan bij de eerdere ingestelde vordering. Uit de declaraties volgt duidelijk dat zij betrekking hebben op bijstand aan [eiser] als getuige in de strafzaak tegen [gedaagde]. Het Gerecht verwerpt het standpunt van [gedaagde] dat de door [eiser] geproduceerde spreadsheet niet meer is dan een optelling van bedragen, zonder facturen, urenstaten of toelichting op de aard van de werkzaamheden. Die zijn er namelijk wel, als productie 35 door [eiser] overgelegd.
In beginsel lijdt iemand al schade als hem juiste declaraties in rekening worden gebracht. Of die inmiddels betaald zijn, is voor de aansprakelijke partij niet relevant. In dit geval heeft de Amerikaanse advocaat op 17 september 2025 een schriftelijke verklaring voor een notaris afgelegd. Hierin verklaart hij onder meer het volgende:“ From the inception of Mr. [eiser]’s engagement to the present, our firm has recorded 118.90 hours in charges of our work for Mr. [eiser] and his colleague, and he has paid [maatschap] the sum of $ 118.030,94 for legal fees and expenses, all in connection with the matters arising out of the [gedaagde] investigation. ” Dat maakt dat duidelijk is dat de declaraties zelfs al zijn betaald. Als een advocaat dat verklaart, hoeft een afzonderlijk betalingsbewijs niet in het geding te worden gebracht.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat op de declaraties van mr. Michel ook werkzaamheden voorkomen, die hij voor [getuige 3] heeft verricht. [gedaagde] vermeldt daarbij echter niet welke declaraties en welke bedragen hij bedoelt en het Gerecht ziet bij de specificaties van de werkzaamheden geen vermelding van de naam [getuige 3] op de declaraties, die alle zijn gericht aan [eiser].De slotsom is dat het gevorderde bedrag van USD 111.038,85 toewijsbaar is.
Zoals hiervoor onder 2.5. is overwogen, heeft [eiser] naar het oordeel van het Gerecht voldoende duidelijk onderbouwd dat de aanvullende declaraties betrekking hebben op werkzaamheden in verband met de positie van [eiser] als getuige in de strafzaak. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij heeft aangekondigd in de strafzaak in hoger beroep te gaan. Die aankondiging maakt het redelijk dat de advocaat van [eiser] de werkzaamheden heeft verricht en dat de kosten daarvan als schade van [eiser] aan [gedaagde] in rekening mogen worden gebracht. Het verweer dat de declaraties “gefingeerd zijn althans niet daadwerkelijk zijn gemaakt” verwerpt het Gerecht. Het aanvullend gevorderde bedrag van USD 6.992,09 is ook toewijsbaar.Declaraties advocaat mr. J. Veen
Aan [eiser] is in het tussenvonnis verzocht dit onderdeel van de vordering van in totaal USD 44.093,43 uit te splitsen, met inachtneming van het oordeel van het Gerecht dat uitsluitend de werkzaamheden in verband met het overleg op 9 maart 2019 voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komen.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zijn Sint Maartense advocaat aan hem 11 uur in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden, die in rechtstreeks verband stonden met de bijeenkomst op 9 maart 2019. [eiser] heeft zijn vordering op dit onderdeel verminderd tot USD 4.537,50, welk bedrag toewijsbaar is.Reis- en verblijfkosten
De aan [gedaagde] door te berekenen redelijke kosten van [eiser] voor driemaal reizen en enkele dagen verblijven in de Verenigde Staten heeft het Gerecht begroot op USD 4.000,-. Voor mr. Veen zijn die kosten begroot op USD 1.500,-.De betaling door EFB Properties N.V.
[eiser] diende volgens het tussenvonnis te bewijzen dat de schade daadwerkelijk door hemzelf is geleden (en dus niet door een ander, zoals zijn N.V.).
In de akte heeft [eiser] het volgende als bewijs aangevoerd:
- de facturen van mr. Michel staan op naam van [eiser]
- de factuur van mr. Veen staat op naam van [eiser]
- een balans van EFB over het jaar 2024, waaruit volgt dat een bedrag van USD 188.411,- is opgenomen in de rekening-courant verhouding met [eiser] als door [eiser] aan de EFB te betalen
- een notariële akte van schuldbekentenis van [eiser] aan EFB van 25 september 2025, waarin [eiser] verklaart USD 188.000,- verschuldigd te zijn aan EFB
- een schriftelijke verklaring van 14 oktober 2025 van [broer], broer van [eiser] en mede-bestuurder van EFB, waarin deze uitlegt dat en hoe in 2019 een bedrag van USD 200.000,- van de “family group of companies” aan [eiser] beschikbaar werd gesteld om zijn juridische bijstand in de Verenigde Staten te kunnen betalen.
Het Gerecht is het met [gedaagde] eens, dat hieruit niet volgt dat de door EFB betaalde declaraties al in 2019 in de boekhouding zijn verwerkt. Uit de overgelegde bladzijde uit de jaarstukken volgt dat de schuld van [eiser] in 2023 nog niet op de balans voorkwam. De schuld is dus pas in 2025 geformaliseerd, op het moment van het samenstellen van de jaarrekening 2024. En de laatste twee verklaringen zijn pas gedurende deze procedure opgemaakt, na het vonnis waarin de bewijsopdracht werd gegeven. Dat leidt echter nog niet tot de conclusie dat [eiser] het verlangde bewijs niet heeft geleverd. Waar het om gaat is of [eiser] ten tijde van het instellen van zijn vordering of op dit moment een schuld aan de N.V. heeft in verband met door de N.V. voor hem voorgeschoten betalingen van de declaraties. Dat heeft [eiser] afdoende bewezen. Of deze wijze van boekhouding nog tot mogelijke fiscale problemen zal leiden, staat in deze civiele procedure niet aan toewijzing van de vordering in de weg.
Het Gerecht merkt nog het volgende op. Ook als [eiser] niet in het bewijs zou zijn geslaagd, zou [gedaagde] de hiervoor vermelde bedragen verschuldigd zijn; weliswaar niet aan [eiser], maar dan toch aan EFB.
Het Gerecht gaat voorbij aan de standpunten van [gedaagde] over de redelijkheid van de kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW. Er wordt in deze procedure geen vordering ingesteld voor gemaakte buitengerechtelijke kosten.
Samenvattend zijn de volgende bedragen toewijsbaar:
- declaraties mr. Michel t/m september 2023 USD 111.038,85- declaraties mr. Michel 2024 en 2025 USD 6.992,09- declaratie mr. Veen USD 4.537,50- reis-/verblijfkosten getuige [eiser] USD 4.000,-- reis-/verblijfkosten mr. Veen USD 1.500,- + USD 128.068,44
Proceskosten
Hoewel uiteindelijk een aanzienlijk deel van de vordering niet zal worden toegewezen, moet [gedaagde] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten bedragen aan de zijde van [eiser]:
zegelkosten Cg 70,00
explootkosten Cg 240,50
griffierecht Cg 3.250,00
salaris gemachtigde Cg 7.000,00 + (3,5 punten x Cg 2.000)
totaal: Cg 10.560,50.
Beslagkosten
Voorafgaand aan deze procedure heeft [eiser] conservatoir beslag laten leggen op de aandelen van [gedaagde] in Tuscany Trading Company, gevestigd in Anguila en in Sint Maarten. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, zijn de gevorderde beslagkosten ook toewijsbaar. Deze worden vastgesteld op:
beslagexploot Cg 337,15
griffierecht Cg 450,00
overbetekening [gedaagde] Cg 490,50
overbetekening Tuscany Cg 490,50
salaris gemachtigde Cg 1.250,00
Cg 3.018,15.
3. De beslissing
Het Gerecht:
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van USD 128.068,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op Cg 10.560,50;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de beslagkosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op Cg 3.018,15;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op Cg 4.000,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.