ECLI:NL:OGEAM:2026:39

ECLI:NL:OGEAM:2026:39

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer SXM202500594
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Dawn Beach Sint Maarten vordert VVE-bijdragen vanaf 2017. Het beroep van STC op verjaring slaagt gedeeltelijk. Het Gerecht wijst de vordering buitengerechtelijke kosten af. Ook de conservatoire beslagkosten worden afgewezen, wegens schending van de waarheidsplicht door Dawn Beach (artikel 18c Rv).

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202500594

Vonnisdatum: 17 februari 2026

in de zaak van

de vereniging DAWN BEACH CLUB ASSOCIATION,

gevestigd in Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. K. Huisman,

tegen

de naamloze vennootschap

SUPREME TRANSPORTATION CORPORATION N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. V.C. Choennie.

Partijen zullen hierna DBCA en STC worden genoemd.

De zaak in het kort

DBCA vordert in dit geding verenigingsbijdragen vanaf 2017. Het beroep van STC op verjaring van de vorderingen slaagt gedeeltelijk. Het Gerecht wijst de vordering buitengerechtelijke kosten af. Ook de conservatoire beslagkosten worden afgewezen, wegens schending van de waarheidsplicht door DBCA (Artikel 18c Rv).

Summary of the case

In these proceedings, DBCA is claiming association contributions from 2017 onwards. STC's appeal on the grounds of the statute of limitations is partially successful. The Court rejects the claim for extrajudicial costs. The costs for de conservatory lien are also rejected due to DBCA's breach of the duty of truthfulness (Article 18c of the Dutch Code of Civil Procedure).

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het inleidend verzoekschrift met producties, op 5 juni 2025 ter griffie ingediend;

de conclusie van antwoord van 16 september 2025, met producties.

De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2026 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, mede aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen.

Vonnis is bepaald op vandaag .

2. De feiten

DBCA is een vereniging die de gemeenschappelijke belangen van haar leden behartigt. Die leden zijn allen eigenaar van een of meer percelen in The Villas of Oyster Pond.

Op 15 december 2015 heeft STC de eigendom verworven van een perceel grond en een perceel water in Oyster Pond. STC is gebonden aan de restrictieve voorwaarden geldend in Dawn Beach Club Subdivision waarvan de percelen deel uitmaken. Dit houdt onder andere in een betalingsverplichting jegens DBCA.

DBCA heeft STC vanaf 2016 jaarlijks rekeningen gestuurd voor de bijdrage aan DBCA. STC heeft alleen de factuur over 2016 betaald.

Op 8 mei 2025 heeft DBCA conservatoir beslag gelegd op het perceel.

3. Het geschil

DBCA vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

STC te veroordelen om binnen 7 dagen na het in deze te wijzen vonnis aan DBCA te vergoeden een bedrag van USD 15.750,-, vermeerderd de rente thans USD 3.701,77, tevens vermeerderd met de 'late payment fee' tot heden USD 19.908,81 tevens vermeerderd met rente en 'late payment fee' van 18% per jaar vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, tevens vermeerderd met buitengerechtelijke kosten van USD 2.205,-, althans een door Uw Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag;

STC te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de gemaakte kosten voor beslaglegging, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn, deze (na)kosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum verzuim tot de dag der algehele voldoening.

DBCA legt aan de vordering het volgende ten grondslag. STC heeft de jaarlijkse rekeningen die werden toegezonden over de jaren 2017 t/m 2025 volledig onbetaald gelaten. Sinds haar eigendom heeft Supreme enkel haar bijdrage voor het jaar 2016 voldaan. De hoofdsom dient te worden vermeerderd met wettelijke rente, alsmede een 'late payment fee' van 18% per jaar.Door de weigerachtige opstelling van STC heeft DBCA noodgedwongen hoge kosten moeten maken om haar vordering voldaan te krijgen. De daarmee verband houdende buitengerechtelijke kosten zijn in alle redelijkheid te begroten op

15% van de verschuldigde hoofdsom.

STC heeft het volgende tot verweer gevoerd. STC is pas op 18 februari 2025 op de hoogte geraakt van haar betalingsverplichting, nadat DBCA haar via Facebook had benaderd en een aanmaning had gezonden. In die maand is er overleg geweest tussen een werkneemster van STC en DBCA. In de aanmaning stond dat STC een bedrag van USD 28.106,58 aan DBCA verschuldigd was. Tijdens een bespreking vier dagen later was dit bedrag gewijzigd naar USD 41.706,30. Hierover heeft STC uitleg gevraagd, onder meer via een brief van 7 april 2025 van haar gemachtigde advocaat. DBCA heeft daarop ondanks herinneringen niet gereageerd, maar wel beslag gelegd.STC heeft geen rekeningen of aanmaningen ontvangen. Zij doet een beroep op verjaring.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verschuldigdheid bijdragen

In deze zaak is er geen discussie over de vraag of STC een verenigingsbijdrage aan DBCA verschuldigd is. Het gaat er wel om hoeveel die bijdragen zijn en of DBCA de facturen aan STC heeft verzonden.

Door de vereniging is een bijdrage vastgesteld die ieder lid jaarlijks aan DBCA dient te betalen. Uit de in dit geding overgelegde stukken blijkt dat die bijdrage aan STC in rekening is gebracht. DBCA heeft voldoende onderbouwd dat de facturen ten aanzien van STC zijn verzonden naar het emailadres van de oorspronkelijke makelaar van STC, omdat DBCA geen andere adresgegevens van STC had. Deze makelaar heeft ervoor gezorgd dat de bijdrage over 2016 is voldaan, maar heeft in reactie op een verzoek van DBCA in 2019 verklaard dat hij geen eigenaar van het perceel is, dat hij alleen bij de eerste betaling geassisteerd heeft en dat hij de email voor de heffingen 2017, 2018 en 2019 heeft doorgezonden naar het emailadres van de eigenaar van STC. Daarbij heeft hij het emailadres vermeld, dat STC gebruikte: [e-mailadres].

Naar dat laatste adres zijn vervolgens de verdere facturen van DBCA verstuurd. Naar het oordeel van het Gerecht staat daarmee voldoende vast dat die facturen naar het juiste adres zijn verzonden. STC heeft ook niet betwist dat bedoeld emailadres het juiste was en bovendien heeft STC zelf ook geen ander correspondentie-adres aan DBCA opgegeven.Verjaring

STC heeft een beroep gedaan op verjaring van een deel van de vorderingen van DBCA. Dat beroep slaagt. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De vorderingen voor de jaarlijkse bijdragen worden per 1 januari van dat jaar verschuldigd.

Een medewerkster van STC heeft op 22 februari 2025 een gesprek gehad met de voorzitter van DBCA. In dat overleg is de achterstand in de betalingen besproken. DBCA had daartoe op 18 februari 2025 een “statement” opgesteld. Het daarin vermelde bedrag was USD 28.106,58, inclusief “late fees”. De medewerkster van STC heeft daarop gereageerd door te stellen dat STC met een betalingsvoorstel zou komen. Zij moest daartoe eerst nog overleggen met de bestuurder van STC, die in de gevangenis zat. Nadat geen reactie volgde, heeft DBCA op 28 februari 2025 een herinnering gestuurd. Daarin werd de achterstand gesteld op USD 41.706,30, het eerdere bedrag, maar nu verhoogd met 18% boete-rente.

STC raakte dus in ieder geval in februari 2025 op de hoogte van de vorderingen van DBCA van dat moment. De bijdragen over de jaren 2021 tot en met 2025 zijn dus verschuldigd.Voor de jaren daarvóór geldt dat de vorderingen zijn verjaard. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Dergelijke aanmaningen zijn in dit geding niet overgelegd. Zelfs als de bijlagen bij de in 2019 door de makelaar doorgestuurde berichten aanmaningen bevatten (deze zijn niet overgelegd), dan helpt dat DBCA niet. Dan zou de verjaringstermijn van de bijdragen 2017 en 2018 immers in 2019 opnieuw gaan lopen, maar dan dus in 2024 zijn voltooid.Wettelijke rente en boete-rente

Tegen de gevorderde boete-rente bovenop de wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit onderdeel van de vordering in deze zaak toewijsbaar is. Gelet op de toepasselijke bepalingen treedt het verzuim in 30 dagen na de datum van de factuur voor de wettelijke rente en per 1 april volgend op de factuurdatum voor de boete-rente.Buitengerechtelijke kosten

Anders dan de stelling in randnummer 18. van het verzoekschrift doet vermoeden, is in deze zaak is niet gebleken van verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. In tegendeel. Na een brief van DBCA van 11 maart 2025 is er direct beslag gelegd. Het verweer van STC daartegen slaagt daarom en de vordering zal op dit onderdeel worden afgewezen.Beslagkosten

DBCA vordert vergoeding van beslagkosten. Ook hiertegen heeft STC verweer gevoerd. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt. DBCA heeft contact met STC gekregen naar aanleiding van het feit dat de woning van STC te koop werd aangeboden. Na het overleg van 22 februari 2025 heeft DBCA op 28 februari 2025 haar vordering gespecificeerd. Hierop ontving DBCA geen reactie, waarna zij op 11 maart 2025 nog een uitgebreide brief heeft geschreven aan STC, onder andere over de niet betaalde verenigingsbijdragen. Hierop kwam aanvankelijk geen reactie van STC. DBCA heeft op dat moment geen verlof gevraagd om conservatoir beslag te leggen.Op 31 maart 2025 heeft STC wel gereageerd en bij brief van haar gemachtigde op 7 april 2025 nogmaals. Hierop heeft DBCA echter niet gereageerd.

Een maand later (7 mei 2025) heeft DBCA verlof gevraagd om conservatoir beslag te mogen leggen op het perceel. De grondslag daarvoor was de vrees voor verduistering van de onroerende zaak. In het verzoekschrift werd beschreven dat er op de herinneringen van februari 2025 niet meer door STC was gereageerd. Gelet op wat hiervoor onder 4.9. is vastgesteld, is dat dus niet juist. Er was wel gereageerd, eerst door STC en daarna door haar gemachtigde. Het is opmerkelijk dat er door DBCA of haar gemachtigde in het geheel niet is gereageerd op de brief van de gemachtigde van STC, waarin onder andere een beroep op verjaring van de vordering was gedaan. Daarnaast had DBCA deze brief en de inhoud ervan in haar verzoekschrift moeten vermelden. Door dat niet te doen, heeft DBCA haar waarheidsplicht van artikel 18c Rv geschonden. Daarin ziet het Gerecht aanleiding om de beslagkosten voor rekening van DBCA te laten.Proceskosten

Gelet op de uitkomst van deze procedure zijn beide partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt STC tot betaling aan DBCA van de volgende bedragen:

- USD 2.050,- (bijdrage 2021), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2021 envermeerderd met 18% boete-rente vanaf 1 april 2021

- USD 2.050,- (bijdrage 2022), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2022 envermeerderd met 18% boete-rente vanaf 1 april 2022

- USD 2.050,- (bijdrage 2023), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2023 envermeerderd met 18% boete-rente vanaf 1 april 2023

- USD 2.050,- (bijdrage 2024), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 envermeerderd met 18% boete-rente vanaf 1 april 2024

- USD 2.050,- (bijdrage 2025), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 envermeerderd met 18% boete-rente vanaf 1 april 2025;

deze rentes telkens tot de algehele voldoening over de openstaande bedragen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, ieder draagt de eigen kosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.J. Saarloos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?