Parketnummer: 100.00427/24
Uitspraak: 26 maart 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [Land],
wonende op het adres [adres] te [Land].
1. Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2025, 13 maart 2025, 2 februari 2026, 3 februari 2026, 4 februari 2026 en 5 februari 2026.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officieren van justitie, mr. LE.M. Wösten en mr. G.P. Sholeh (hierna: het Openbaar Ministerie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Hierna zal door het Gerecht – voor zover relevant – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 2 februari 2026 – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis. De tenlastelegging zal in de gepubliceerde versie niet worden aangehecht.
3. Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Vrijspraak voor de feiten 1 en 2
Het Gerecht zal de verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten integraal vrijspreken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Vrijspraak van feit 1 (actieve ambtelijke omkoping)
De verdenking en de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De verdachte wordt onder feit 1 – in de kern – verweten dat hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 aan de toenmalig (demissionair) minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), steekpenningen heeft betaald, zodat zijn bedrijf [bedrijf 1] het zogenaamde ‘[project]’ mocht uitvoeren.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan actieve ambtelijke omkoping. Volgens het Openbaar Ministerie staat de gunning van het [project] aan het bedrijf [bedrijf 1] van [verdachte] in een directe relatie tot de betaling van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] door [verdachte].
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. De verdediging heeft – samenvattend – bepleit dat uit het onderhavige dossier niet is gebleken dat de verdachte NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] heeft betaald. Van een tegenprestatie is in dit verband aldus geen sprake. Verder heeft de verdediging bepleit dat er, gezien het voorgaande, geen sprake is van medeplegen.
De verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting ten stelligste ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het omkopen van [medeverdachte 1].
Het juridisch kader
Van actieve omkoping van een ambtenaar is sprake als iemand, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn of haar plicht, iets te doen of na te laten, giften of beloften heeft gegeven of gedaan aan die betreffende ambtenaar. Het betreft aldus de beïnvloeding van een ambtelijke handeling. Het doel van omkoping is dan ook dat de ambtenaar iets doet of nalaat, waardoor de omkoper oneerlijke (zakelijke) voordelen heeft.
Ten aanzien van het bestanddeel oogmerk bij een gift (of belofte) voorafgaand aan de tegenprestatie is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Ten aanzien van een gift na een tegenprestatie is een oogmerk niet vereist, wel moet ook hierbij komen vast te staan dat de gift in relatie staat tot die tegenprestatie.
Feiten en omstandigheden [project]
In de woning van [medeverdachte 1] werd op 10 mei 2023 een niet-getekende factuur van [bedrijf 1] van 5 november 2017 gericht aan het Ministerie van VROMI aangetroffen. De factuur met als onderwerp ‘[onderwerp]’, had betrekking op de reparatie van vier beschadigde palen voor een bedrag van ANG 34.000,- (D-264). Uit het dossier kan worden afgeleid dat het project op 10 november 2017 is afgerond.
Uit de bankgegevens van [verdachte], de eigenaar van [bedrijf 1], bleek dat op 17 november 2017 een bedrag van NAf 34.000,- was gestort (D-179). De NAf 34.000,- werd middels een cheque afkomstig van de overheid van Sint Maarten op 17 november 2017 betaald aan [verdachte]/[bedrijf 1]. Vervolgens is drie dagen later, op 20 november 2017, een cheque ter waarde van NAf 23.500,- uitgeschreven aan [medeverdachte 1] (D-180). De cheque werd geïnd door [medeverdachte 1] zelf.
Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen zijn stukken opgevraagd bij het ministerie van VROMI met betrekking tot dit project. In de aangeleverde stukken bevindt zich een adviesblad d.d. 13 november 2017 waarbij als beslispunt wordt gevraagd om de opdracht ter waarde van NAf 34.000,- aan het bedrijf [bedrijf 1] toe te kennen (D-273). Tevens is er een memo, ook van 13 november 2017, geschreven door [functie 1 binnen de overheid van Sint Maarten], [betrokkene 1] (D-274). In deze memo, gericht aan de toenmalig minister van VROMI, deelt zij met betrekking tot het [project] mee dat zij het adviesblad pas heeft gekregen nadat de paal al was gezet en de vlag al was gehesen. Bovendien benoemt zij ook een aantal bezwaren met betrekking tot het [project], namelijk:
dat de P2P-regeling niet is gevolgd en dat er op zijn minst twee offertes aangevraagd hadden moeten worden, wat niet is gebeurd;
dat de installatiewerkzaamheden al waren gegund, alvorens goedkeuring was gegeven door het ministerie van Financiën;
dat de procedure van wijziging tussen overheidsbudgetten via het parlement had moeten gaan. Het parlement had hiervoor goedkeuring moeten geven, wat niet is gebeurd;
dat de werkzaamheden uitgevoerd waren voorafgaand aan een ondertekende goedkeuring op het advies.
[Betrokkene 1] sluit haar memo af met de mededeling dat zij gelet op het voorgaande niet kan tekenen voor het advies of de factuur.
Op 14 november 2017 is het advies door de minister van VROMI ([medeverdachte 1]) en [betrokkene 2] goedgekeurd en getekend.
Op 15 november 2017 is het advies door [functie 2 binnen de overheid van Sint Maarten] getekend, maar met de toelichting dat het kennisneemt van het commentaar van [betrokkene 1] en dat dit niet nog eens mag gebeuren. Op 16 november 2017 volgt het advies van de afdeling Financieel Beheer en Beleid van de Begroting van het ministerie van Financiën (FBBB) waarin specifiek wordt verwezen naar de opmerkingen onder 1 en 3 in voornoemde memo van [betrokkene 1] waarbij vermeld wordt dat deze opmerkingen ook de opmerkingen van FBBB zouden zijn geweest. Door de minister van Financiën is het advies op 16 november 2017 goedgekeurd en getekend.
De verdachte is in december 2024 bij de politie over het [project] verhoord. In de kern heeft de verdachte verklaard dat hij destijds het [project] heeft uitgevoerd en hier een factuur voor heeft opgesteld en naar de minister van VROMI, [medeverdachte 1], heeft gestuurd om te tekenen en te betalen. Over het [project] zegt [verdachte] verder dat hij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd of er ook geboden moest worden op dit project. [Medeverdachte 1] zou gezegd hebben dat dit niet nodig was. Over de uitgeschreven cheque ter waarde van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] zegt hij dat hij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd om dit geld voor hem, [verdachte], op te halen, zodat [medeverdachte 1] de betrokken werknemers bij het project kon betalen. Naast deze cheque kreeg de lasser van het [project], [betrokkene 3], NAf 9.900,- betaald. [Verdachte] heeft naar eigen zeggen zelf NAf 600,- aan het project verdiend. Ter terechtzitting gaf [verdachte] aan dat hij geen cheque van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. [Verdachte] zou meerdere blanco cheques hebben getekend en hij heeft [medeverdachte 1] vervolgens gevraagd om daarmee de bij het project betrokken werknemers te betalen, omdat [verdachte] zelf te druk was met andere werkzaamheden. De namen van de werknemers wist hij niet meer; evenmin wist hij welke bedragen exact betaald moesten worden. [Verdachte] gaf ter terechtzitting aan dat hij niet wist dat er maar één cheque was geïnd door [medeverdachte 1] ter waarde van NAf 23.500. [Verdachte] ontkent dat sprake is geweest van een steekpenning.
[Medeverdachte 1] is op 15 januari 2025 bij de politie verhoord als verdachte. Hij heeft verklaard dat hij voornoemde cheque heeft geïnd, maar dat hij zich de reden daarvan niet herinnert.
Conclusies van het Gerecht
Het Gerecht constateert dat er met betrekking tot het onderhavige project verschillende onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Frappant is dat het project al – zonder een daarvoor voor de hand liggende reden – aan [verdachte] was gegeven én uitgevoerd, nog voordat het adviestraject was gestart. De hiervoor genoemde opmerkingen van [betrokkene 1] in dit verband zijn glashelder en worden gesteund door de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën.
Verder geldt dat op de ingediende factuur van [bedrijf 1] geen kostenpost voor ingehuurd personeel is vermeld. Enige administratie is in dit verband ook niet in het dossier aangetroffen of naderhand overgelegd door de verdediging. Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 1] acht het Gerecht nog van belang om op te merken dat de factuur ongespecificeerd is en dat de naam van een vertegenwoordiger van het bedrijf en een CRIB-nummer ontbreken.
Voorts is over de uitbetaling en de besteding van het bedrag van NAf 23.500,- naar het oordeel van het Gerecht door de verdachte ongeloofwaardig verklaard. Eerst ter zitting verklaarde hij dat er niet één, maar meerdere blanco cheques door hem aan [medeverdachte 1] zijn gegeven, om op die wijze de werknemers van het [project] te betalen, van welke werknemers hij geen enkele naam meer weet.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht gerede twijfels over de betrouwbaarheid van de factuur, de wijze waarop het totaalbedrag van NAf 34.000,- tot stand is gekomen en de bestemming van het bedrag van NAf 23.500,-.
De vraag die het Gerecht evenwel moet beantwoorden is of voornoemd handelen te kwalificeren is als actieve ambtelijke omkoping.
Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het Gerecht niet de overtuiging bekomen dat [medeverdachte 1] door de verdachte is betaald in het kader van omkoping, in die zin dat de betaling van NAf 23.500,- (de cheque) in relatie staat tot de gunning van het [project] aan de verdachte. Nog daargelaten dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte met het verkrijgen van deze opdracht een (substantieel) zakelijk voordeel heeft gehad en het initiatief van de ‘gunning’ van dit project aan de verdachte juist bij [medeverdachte 1] lijkt te liggen (hetgeen overigens op zichzelf niet aan een bewezenverklaring van omkoping in de weg hoeft te staan), merkt het Gerecht in dit verband op dat het er op basis van alle feiten en omstandigheden in dossier veeleer de schijn van heeft dat de verdachte en [medeverdachte 1] een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, waarbij het erop moest lijken dat het (gehele) bedrag is aangewend voor het [project]. Dit kwalificeert naar het oordeel van het Gerecht evenwel niet als omkoping.
Het Gerecht zal de verdachte dan ook van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.
Vrijspraak van feit 2 (medeplegen van oplichting)
De verdenking en de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich met betrekking tot de projecten ‘[aanbestedingsprojecten]’ schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting doordat – kort samengevat in hoofdlijnen – :
offertes van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op elkaar waren afgestemd, zodat het bedrijf [bedrijf 2] de opdrachten van voornoemde projecten toegewezen zou krijgen;
door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] niet is onderzocht of de ingestuurde offertes marktconform waren en eveneens niet is onderzocht of de gang van zaken bij de voornoemde projecten voldeed aan (intern) beleid zoals de PtP-procedure;
offertes kort na indienen al werden geaccordeerd door [medeverdachte 1];
[Medeverdachte 1] de projecten aan [bedrijf 2] heeft gegund, zonder daarbij in de beoordeling andere ambtenaren te betrekken en/of juist ambtenaren buitenspel te zetten bij deze beslissingen;
[Medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] hun positie binnen het ministerie van VROMI hebben aangewend om voornoemde projecten aan [bedrijf 2] te gunnen en hun positie eveneens te gebruiken voor het spoedig uit laten betalen van betalingen door adviezen als ‘urgent’ te bestempelen;
de verdachte en medeverdachten hun vriendschappelijke relatie niet kenbaar hebben gemaakt aan het publiek en/of andere (relevante) ambtenaren;
het belang bij en/of nevenfuncties niet gedeeld zijn, in het bijzonder die van [medeverdachte 2] binnen het bedrijf [bedrijf 2].
Aldus zou [medeverdachte 1] zich hebben voorgedaan als een betrouwbare en integere minister van VROMI en [medeverdachte 2] als een betrouwbare en integere ambtenaar, waardoor het Land Sint Maarten bewogen is tot afgifte in de vorm van betalingen en het aangaan van schulden.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. In dit kader heeft het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat de verdachte bewust de offertes namens [bedrijf 1] heeft ingediend, om zodoende het aanbestedingsproces legaal te maken. De verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte 3] van [bedrijf 2] de offertes van beide bedrijven op elkaar afgestemd om te doen alsof het aanbestedingsproces werd gevolgd en waarbij [medeverdachte 3] de laagste bieder was, zodat [medeverdachte 3] met zijn bedrijf de opdrachten kon krijgen. Door de offertes in te dienen heeft de verdachte volgens het Openbaar Ministerie willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de overige medeverdachten het Land Sint Maarten zouden oplichten.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. De verdediging heeft – samenvattend – bepleit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de opmaak van de onderhavige offertes, wat de verdachte ter terechtzitting ook ten stelligste heeft ontkend.
Oordeel van het Gerecht
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het kenmerk van oplichting is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te kunnen maken (Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889). Daartoe moet de verdachte één of meer van de in de wet bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt om de ander te bewegen tot bepaalde gedragingen, zoals het aangaan van een schuld of de afgifte van goederen of geldbedragen. Van het in het bestanddeel ‘bewegen tot’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot die bepaalde gedragingen. Uit het hiervoor aangehaalde standaardarrest van de Hoge Raad inzake oplichting leidt het Gerecht verder af dat het bij het oplichtingsmiddel “een samenweefsel van verdichtsels” in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen, die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.
In het licht van het voorgaande dient aldus te worden beoordeeld of de verdachte, al dan niet als medepleger, gebruik heeft gemaakt van een of meer oplichtingsmiddelen.
Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen is besproken op de terechtzitting stelt het Gerecht in dit kader het volgende vast over de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten.
Bij de aanbestedingsprojecten zijn telkens offertes ingediend door twee bedrijven, namelijk het bedrijf [bedrijf 1] met als eigenaar de verdachte, en het bedrijf [bedrijf 2] met als managing director [medeverdachte 3]. Ten aanzien van deze offertes vallen het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden op. Naast het feit dat de in de offertes van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] genoemde bedragen en de uit te voeren werkzaamheden niet/uiterst summier zijn onderbouwd, valt verder op dat de offertes van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] bij alle tenlastegelegde projecten, met uitzondering van het [project 2], op dezelfde dag zijn ingediend. Daarbij is in de offertes van beide bedrijven niet gespecificeerd waaruit de werkzaamheden bestonden en welk bedrag daartegenover behoorde te staan. In de offertes van [bedrijf 1] ontbrak zelfs bij alle offertes de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. De FBBB concludeerde in bovengenoemde adviezen – kort gezegd – dat de offertes te simplistisch waren opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen.
Ten aanzien van de verdachte geldt dat het Openbaar Ministerie naar voren heeft gebracht dat op basis van het strafdossier de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte en [medeverdachte 3] de offertes op elkaar hebben afgestemd. In tegenstelling tot het Openbaar Ministerie is het Gerecht echter van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden ook kunnen passen in de verklaring van de verdachte, inhoudende dat zijn bedrijfsnaam is misbruikt door anderen. Hoewel het Gerecht in de verklaring van de verdachte ook tegenstrijdigheden ziet, kan uit het strafdossier niet zonder redelijke twijfel de conclusie worden getrokken dat de verdachte voor de tenlastegelegde projecten zelf een offerte heeft ingediend om het proces legaal te maken en dat hij dit heeft afgestemd met [medeverdachte 3]. Bij dit oordeel betrekt het Gerecht de inhoud van de vraagstelling en vervolgens het antwoord van de verdachte in zijn verhoor bij de politie waarin hij zegt gevraagd te zijn om het proces ‘legaal’ te maken, waarbij het Gerecht onvoldoende duidelijk is geworden over welk project hij het precies heeft. Ook blijkt verder nergens uit – anders dan het gegeven dat die offertes zich in het dossier bevinden – dat hij voor meerdere projecten om diezelfde reden een offerte heeft ingediend, nog daargelaten dat hij stelt onbekend te zijn met de aan hem getoonde offertes uit het dossier en concreet heeft verklaard dat deze vals zijn.
In het licht hiervan en de overige inhoud van het dossier houdt het Gerecht het ervoor dat de offertes van het bedrijf [bedrijf 1] uitsluitend zijn opgesteld om de schijn te wekken dat een tweede onderneming bij de aanbestedingsprojecten was betrokken en dat de gebruikelijke aanbestedingsprocedure werd gevolgd. In zoverre gaat het Gerecht er dan ook vanuit dat deze offertes vals zijn. Daarbij kan evenwel de betrokkenheid van de verdachte onvoldoende worden vastgesteld. Het dossier en het verhandelde ter zitting sluit zijn verklaring, dat een ander misbruik heeft gemaakt van zijn bedrijfsnaam, niet uit.
Het voorgaande leidt er naar het oordeel van het Gerecht dan ook toe dat in de zaak van de verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij een bijdrage heeft geleverd, ook niet in voorwaardelijke zin, aan de oplichting van het Land Sint Maarten. De verdachte zal daarom ook van het onder 2 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder de feiten 1 en 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.C. Bours, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittingsgriffier), en op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Curaçao alwaar de rechter en de griffier zich bevinden).