ECLI:NL:OGEAM:2026:42

ECLI:NL:OGEAM:2026:42

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 100.00428/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Onderzoek Jasmine. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden wegens (het medeplegen van) misbruik van functie, oplichting en het aannemen van steekpenningen (passieve ambtelijke corruptie), gepleegd door voormalig (demissionair) minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) van het Land Sint Maarten. Daarnaast zal de verdachte worden ontzet van het passieve kiesrecht en het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren. Redelijke termijn overschreden. Deels sprake van verjaring.

Uitspraak

Parketnummer: 100.00428/24

Uitspraak: 26 maart 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [Land],

wonende op het adres [adres] te [Land].

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2025, 7 april 2025, 2 februari 2026, 3 februari 2026, 4 februari 2026 en 5 februari 2026.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officieren van justitie, mr. LE.M. Wösten en mr. G.P. Sholeh (hierna: het Openbaar Ministerie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie als bijkomende straf gevorderd dat de verdachte voor de duur van in totaal zes jaren wordt ontzet uit het passieve kiesrecht en dat hij voor dezelfde duur geen ambtelijk beroep mag uitoefenen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Hoewel de verdediging dit niet met zoveel worden naar voren heeft gebracht zal het Gerecht dit verweer beoordelen als een niet-ontvankelijkheidsverweer van het Openbaar Ministerie. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Hierna zal door het Gerecht – voor zover relevant – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 2 februari 2026 – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis. De tenlastelegging zal in de gepubliceerde versie niet worden aangehecht.

3. Formele voorvragen

Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid kennisneming zaak

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Is er sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel?

De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel, nu de rechter al in een ander onderzoek heeft geoordeeld over (de rol van) de verdachte, te weten in onderzoek Begonia. In dat onderzoek zou volgens de verdediging door de rechter zijn vastgesteld dat (al dan niet van toepassing zijnde) procedurele regels niet zijn overtreden door de verdachte. De verdediging stelt zich op het standpunt dat documenten uit het onderzoek Begonia met uiterste voorzichtigheid hadden moeten worden geïntroduceerd in onderhavige strafzaak van de verdachte (onderzoek Jasmine).

Het Gerecht stelt voorop dat het ne bis in idem-beginsel – kortgezegd – inhoudt dat niet is toegestaan dat een verdachte dubbel wordt vervolgd voor dezelfde feitelijke gedragingen. Uit het dossier leidt het Gerecht in de eerste plaats af dat de verdachte in onderzoek Begonia niet is vervolgd, omdat voor de vervolging van verdachte geen toestemming werd verleend door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Naar het oordeel van het Gerecht kan alleen al hierom het verweer van de verdediging niet slagen. Daarbij komt nog dat, indien de verdachte wel zou zijn vervolgd in onderzoek Begonia, het Gerecht voorts op basis van hetgeen uit het onderhavige strafdossier kan worden afgeleid vaststelt dat de feiten in onderzoek Begonia andere feiten betreffen, dan de onderhavige tenlastegelegde feiten in onderzoek Jasmine. Er is aldus geen sprake van dezelfde feitelijke gedragingen.

Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Verjaring

Het Gerecht ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of sprake is van verjaring ex artikel 1:145 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Immers, aan de verdachte is onder de feiten 2 en 5 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 schuldig heeft gemaakt aan het misbruik maken van zijn functie. Op dit feit is een gevangenisstraf gesteld van twee jaren en een geldboete van de 4e categorie (artikel 2:354 Sr). Voor dit feit vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na zes jaren.

Op 10 mei 2023 hebben in de onderhavige zaak bij de verdachte huiszoekingen plaatsgevonden. Een huiszoeking betreft een daad van vervolging waardoor de verjaring is gestuit ex artikel 1:147 Sr (ook ten aanzien van anderen dan de al dan niet bekende vervolgde). Het recht tot strafvordering is in dit geval aldus komen te vervallen door verjaring, indien en voor zover deze misdrijven zijn begaan voorafgaand aan 10 mei 2017, zes jaar voorafgaand aan de datum van de huiszoeking.

Het Openbaar Ministerie is daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wat betreft de tenlastegelegde misdrijven, voor zover deze zijn begaan voorafgaand aan 10 mei 2017. Vanaf die datum tot aan het eind van de tenlastegelegde periode, te weten 15 januari 2018, is het Openbaar Ministerie met betrekking tot de onder 2 en 5 tenlastegelegde feiten dus wel ontvankelijk.

Conclusie ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Het Gerecht komt tot de slotsom dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging, met uitzondering van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het onder de feiten 2 en 5 tenlastegelegde.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Partiële vrijspraak feiten 1 en 2 (aanvraag bouwvergunning [bouwvergunning 1])

Het Gerecht acht, anders dan het Openbaar Ministerie, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als gift een verblijf in een kamer heeft gevraagd/aangenomen van [betrokkene 1], al dan niet via [betrokkene 2], in ruil voor het begunstigen van [betrokkene 1] in het kader van een bouwvergunning met aanvraagnummer [bouwvergunning 1]. De door het Openbaar Ministerie in het kader van het bewijs aangedragen WhatsApp-gesprekken zijn hiertoe onvoldoende. Het Gerecht is in dit verband met de verdediging van oordeel dat op basis van de (verdere) inhoud van het dossier niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat deze gesprekken in directe relatie staan met [betrokkene 1]. Dit laat overigens onverlet dat het Gerecht de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat in de WhatsApp-gesprekken tussen hem en [betrokkene 2] werd gesproken over – kort gezegd – een kamer die als showroom werd gebruikt in het kader van een project van het ministerie van VROMI, gelet op de inhoud van de gesprekken volstrekt ongeloofwaardig acht. De WhatsApp-gesprekken eind mei 2017 over het door [betrokkene 2] ter beschikking stellen van een kamer aan de verdachte en het vervolgens door de verdachte sturen van een foto van een adviesblad behorende bij de vergunningaanvraag [bouwvergunning 1] op 12 juli 2017, staan naar het oordeel van het Gerecht evenwel in een te ver verwijderd verband van elkaar. Het (doorgestuurde) Whatsapp-bericht/de printscreen van [betrokkene 2] aan de verdachte d.d. 26 mei 2017 (“if you can push this one”) is in dit kader eveneens van onvoldoende gewicht nu ook hieruit geen direct verband kan worden getrokken, althans niet zonder aannames te doen die geen steun vinden in het strafdossier. Bij het voorgaande betrekt het Gerecht dat zich in het dossier geen verklaringen bevinden van direct betrokkenen. Personen die wellicht meer duidelijkheid konden verschaffen over het voorgaande, namelijk [betrokkene 2] en [betrokkene 1], zijn om voor het Gerecht onduidelijke redenen niet gehoord bij de politie.

Het Gerecht zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder respectievelijk 1 en 2 tenlastegelegde op dit punt.

5. Vrijspraak feit 3 (aannemen steekpenningen in het kader van het [project 1])

De verdenking en de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De verdachte (hierna ook wel aangeduid als: [verdachte]) wordt onder feit 3 – in de kern – verweten dat hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 als toenmalig (demissionair) minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) steekpenningen heeft aangenomen van [medeverdachte 1], waardoor het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] het zogenaamde ‘[project 1]’ mocht uitvoeren.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping. Volgens het Openbaar Ministerie staat de gunning van het [project 1] aan het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] in een directe relatie tot de betaling van NAf 23.500,- aan [verdachte] door [medeverdachte 1].

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit. De verdediging heeft – samenvattend – bepleit dat uit het onderhavige dossier niet is gebleken dat [medeverdachte 1] NAf 23.500,- aan de verdachte heeft betaald, in ruil voor het mogen uitvoeren van het [project 1]. Er was volgens de verdediging geen sprake van een aanbestedingsproject vanuit de overheid, maar van een persoonlijk project van [verdachte] zelf. Er was aldus geen sprake van een gunning.

De verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting ten stelligste ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het aannemen van steekpenningen.

Feiten en omstandigheden [project 1]

In de woning van [verdachte] werd op 10 mei 2023 een niet-getekende factuur van [bedrijf 1] van 5 november 2017 gericht aan het Ministerie van VROMI aangetroffen. De factuur met als onderwerp ‘[onderwerp 1]’, had betrekking op de reparatie van vier beschadigde palen voor een bedrag van ANG 34.000,- (D-264). Uit het dossier kan worden afgeleid dat het project op 10 november 2017 is afgerond.

Uit de bankgegevens van [medeverdachte 1], de eigenaar van [bedrijf 1], bleek dat op 17 november 2017 een bedrag van NAf 34.000,- is gestort (D-179). De NAf 34.000,- werd middels een cheque afkomstig van de overheid van Sint Maarten op 17 november 2017 betaald aan [medeverdachte 1]/[bedrijf 1]. Vervolgens is drie dagen later, op 20 november 2017, een cheque ter waarde van NAf 23.500,- uitgeschreven aan [verdachte] (D-180). De cheque werd geïnd door [verdachte] zelf.

Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen zijn stukken opgevraagd bij het ministerie van VROMI met betrekking tot dit project. In de aangeleverde stukken bevindt zich een adviesblad d.d. 13 november 2017 waarbij als beslispunt wordt gevraagd om de opdracht ter waarde van NAf 34.000,- aan het bedrijf [bedrijf 1] toe te kennen (D-273). Tevens is er een memo, ook van 13 november 2017, geschreven door [betrokkene 3] (D-274). In deze memo, gericht aan de toenmalig minister van VROMI, deelt zij met betrekking tot het [project 1] mee dat zij het adviesblad pas heeft gekregen nadat de paal al was gezet en de vlag al was gehesen. Bovendien benoemt zij ook een aantal bezwaren met betrekking tot het [project 1], namelijk:

[betrokkene 3] sluit haar memo af met de mededeling dat zij gelet op het voorgaande niet kan tekenen voor het advies of de factuur.

Op 14 november 2017 is het advies door de minister van VROMI (de verdachte) en [betrokkene 4] goedgekeurd en getekend.

Op 15 november 2017 is het advies door het waarnemend hoofd Financiën getekend, maar met de toelichting dat het kennisneemt van het commentaar van de controller (het Gerecht begrijpt: [betrokkene 3]) en dat dit niet nog eens mag gebeuren. Op 16 november 2017 volgt het advies van de afdeling Financieel Beheer en Beleid van de Begroting van het ministerie van Financiën (FBBB) waarin specifiek wordt verwezen naar de opmerkingen onder 1 en 3 in voornoemde memo van [betrokkene 3], waarbij vermeld wordt dat deze opmerkingen ook de opmerkingen van FBBB zouden zijn geweest. Door de minister van Financiën is het advies op 16 november 2017 goedgekeurd en getekend.

[Medeverdachte 1] is in december 2024 bij de politie als verdachte gehoord over het [project 1]. In de kern heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij destijds het [project 1] heeft uitgevoerd en hier een factuur voor heeft opgesteld en naar de minister van VROMI, [verdachte], heeft gestuurd om te tekenen en te betalen. Over het [project 1] zegt [medeverdachte 1] verder dat hij aan [verdachte] heeft gevraagd of er ook geboden moest worden op dit project. [Verdachte] zou gezegd hebben dat dit niet nodig was. Over de uitgeschreven cheque ter waarde van NAf 23.500,- aan [verdachte] zegt hij dat hij aan [verdachte] heeft gevraagd om dit geld voor hem, [medeverdachte 1], op te halen, zodat [verdachte] de betrokken werknemers bij het project kon betalen. Naast deze cheque kreeg de lasser van het [project 1], [betrokkene 5], NAf 9.900,- betaald. [Medeverdachte 1] heeft naar eigen zeggen zelf NAf 600,- aan het project verdiend. [Medeverdachte 1] ontkent dat sprake is geweest van een steekpenning.

De verdachte is op 15 januari 2025 bij de politie verhoord. Hij heeft verklaard dat hij voornoemde cheque heeft geïnd, maar dat hij zich de reden daarvan niet herinnert. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat de cheque bedoeld was voor de werknemers van [medeverdachte 1].

Conclusies van het Gerecht

Het Gerecht constateert dat er met betrekking tot het onderhavige project verschillende onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Frappant is dat het project al – zonder een daarvoor voor de hand liggende reden – aan [medeverdachte 1] was gegeven én uitgevoerd, nog voordat het adviestraject was gestart. De hiervoor genoemde opmerkingen van [betrokkene 3] in dit verband zijn glashelder en worden gesteund door de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën. Gelet op de bijbehorende (inhoud van de) adviezen en de interdepartementale correspondentie over het project, gaat het Gerecht er – anders dan de verdediging – vanuit dat er wel degelijk sprake was van overheidsproject.

Verder geldt dat op de ingediende factuur van [bedrijf 1] geen kostenpost voor ingehuurd personeel is vermeld. Enige administratie is in dit verband ook niet in het dossier aangetroffen of naderhand overgelegd door de verdediging. Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 1] acht het Gerecht nog van belang om op te merken dat de factuur ongespecificeerd is en dat de naam van een vertegenwoordiger van het bedrijf en een CRIB-nummer ontbreken.

Voorts is over de uitbetaling en de besteding van het bedrag van NAf 23.500,- naar het oordeel van het Gerecht door de verdachte ongeloofwaardig verklaard.

Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht gerede twijfels over de betrouwbaarheid van de factuur, de wijze waarop het totaalbedrag van NAf 34.000,- tot stand is gekomen en de bestemming van het bedrag van NAf 23.500,-.

De vraag die het Gerecht evenwel moet beantwoorden is of voornoemd handelen te kwalificeren is als passieve ambtelijke omkoping.

Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het Gerecht niet de overtuiging bekomen dat [verdachte] door [medeverdachte 1] is betaald in het kader van omkoping, in die zin dat de betaling van NAf 23.500,- (de cheque) in relatie staat tot de gunning van het [project 1] aan [medeverdachte 1]. Nog daargelaten dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [medeverdachte 1] met het verkrijgen van deze opdracht een (substantieel) zakelijk voordeel heeft gehad en het initiatief van de ‘gunning’ van dit project aan [medeverdachte 1] juist bij de verdachte lijkt te liggen (hetgeen overigens niet aan een bewezenverklaring van omkoping in de weg hoeft te staan), merkt het Gerecht in dit verband op dat het er op basis van alle feiten en omstandigheden in dossier veeleer de schijn van heeft dat de verdachte en [medeverdachte 1] een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, waarbij het erop moest lijken dat het (gehele) bedrag is aangewend voor het [project 1]. Dit kwalificeert naar het oordeel van het Gerecht evenwel niet als omkoping.

Het Gerecht zal de verdachte dan ook van het onder feit 3 tenlastegelegde vrijspreken.

6. Beoordeling van het bewijs

Bewijsuitsluiting inbeslaggenomen goederen tijdens huiszoeking [adres]?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de binnentreding bij de verdachte aan de [adres] geen toestemming door de verdachte is gegeven en dat een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris bij het binnentreden ontbrak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van een onherstelbare normschending en dat dit dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat is verkregen bij de huiszoeking op voornoemd adres.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris bij het binnentreden aan de [adres] aanwezig was en dat de rechter-commissaris op basis van artikel 155 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is vrijgesteld van de verplichting om een schriftelijke machtiging te overleggen bij het binnentreden. Het Openbaar Ministerie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het binnentreden rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat er geen sprake is van een normschending.

Het Gerecht stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de rechter-commissaris op 25 april 2023 de machtiging tot huiszoeking heeft afgegeven voor (onder andere) de woning van de verdachte aan de [adres]. Verder blijkt uit het proces-verbaal van huiszoeking ter inbeslagneming van de rechter-commissaris van 12 mei 2023 dat de rechter-commissaris bij het binnentreden van de woning aanwezig was.

Op basis van het voorgaande en overeenkomstig het standpunt van het Openbaar Ministerie is het Gerecht van oordeel dat het binnentreden van de woning derhalve rechtmatig heeft plaatsgevonden. Van een normschending is geen sprake en het verweer tot bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen. Het Gerecht zal de onderzoeksresultaten naar aanleiding van voornoemde huiszoeking, voor zover relevant, betrekken bij de beoordeling van het bewijs.

Inleidende overweging onderzoek Jasmine

In de kern genomen gaat het strafrechtelijk onderzoek Jasmine over vermeende onregelmatigheden bij de afgifte/aanvragen van bouwvergunningen (zaaksdossier 1) en vermeende onregelmatigheden bij het aanbesteden van meerdere overheidsprojecten na orkaan Irma (zaaksdossier 2), tijdens het bewind van de verdachte in diens voormalige hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI. In de ambtsperiode van de verdachte als minister van VROMI was hij eindverantwoordelijk voor de afgifte van bouwvergunningen en het aanbesteden aan bedrijven van (bouw)projecten die onder het ministerie van VROMI vielen.

De stelling van het Openbaar Ministerie is dat in de voorliggende zaaksdossiers de verdachte, als (demissionair) minister van VROMI, (tussen)personen/bedrijven een voorkeursbehandeling/-positie gaf bij het (uiteindelijk) afgeven van bouwvergunningen en het aanbesteden van overheidsprojecten. Daarmee heeft hij zich volgens het Openbaar Ministerie in zijn hoedanigheid van (demissionair) Minister van VROMI schuldig gemaakt aan – kort gezegd – passieve ambtelijke omkoping, misbruik van functie en oplichting.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting met klem ontkend dat hij aan bepaalde personen/bedrijven een voorkeursbehandeling gaf bij het afgeven van bouwvergunningen en het aanbesteden van projecten, om er zodoende zelf (financieel) beter van te worden. De verdachte heeft naar eigen zeggen altijd in het belang van het Land Sint Maarten gehandeld.

Het Gerecht zal hierna allereerst het juridisch kader van passieve ambtelijke omkoping, misbruik van functie en oplichting weergeven. Vervolgens zullen afzonderlijk de verdenkingen, de feiten en omstandigheden met betrekking tot de tenlastegelegde feiten en de rol van de verdachte worden besproken. Het Gerecht zal vervolgens beoordelen of sprake is geweest van strafbaar handelen door de verdachte.

Tot slot acht het Gerecht het van belang om op te merken dat bij de hierna vast te stellen feiten en de mate van betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, het Gerecht er niet aan ontkomt om ook de rol van anderen, die zich (wellicht) later nog dienen te verantwoorden bij de rechter, te duiden. Dit vonnis zal echter geen oordeel inhouden over de strafbaarheid van deze personen.

De juridische kaders van de tenlastegelegde feiten

Passieve ambtelijke omkoping (artikel 2:350/2:351Sr)

Bij ‘omkoping’ is sprake van een transactie of ruilrelatie tussen de (actieve) omkoper en de ambtenaar, waarbij beide partijen strafbaar zijn. Een ambtenaar die zich laat omkopen heeft om te beginnen gevraagd om een gift, of een gift of een belofte of een dienst aanvaard (‘passieve ambtelijke omkoping’). Voor het begrip gift wordt een ruime definitie gehanteerd. Elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze persoon waarde heeft kan hieronder worden verstaan.

Daarnaast moet de ambtenaar hebben geweten of redelijkerwijs hebben vermoed, dat deze gift of belofte werd gedaan (i) om hem als ambtenaar iets te laten doen of nalaten of (ii) omdat hij in het verleden als ambtenaar iets heeft gedaan of nagelaten. Voor het ‘weten’ is aldus voorwaardelijk opzet voldoende. Van ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ kan ook sprake zijn als de ambtenaar onzorgvuldig en onvoorzichtig een gift aanvaardt zonder zich voldoende te realiseren dat er een verband met de ambtsuitoefening kan zijn (‘verwijtbare naïviteit’). Er is geen direct verband vereist tussen de gift en een concrete tegenprestatie; zelfs als de ambtenaar nog geen tegenprestatie heeft geleverd kan er sprake zijn van omkoping, bijvoorbeeld als de gift bedoeld is om een speciale relatie te laten ontstaan zodat de gever later een voorkeursbehandeling kan verwachten (Hoge Raad 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318, Hoge Raad 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584, Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641). Verder vloeit uit de jurisprudentie voort dat bij de beantwoording van de vraag of kan worden vastgesteld dat de giften of beloften zijn gedaan om een voorkeursbehandeling te krijgen, dit mede zal afhangen van de omvang, de aard en de frequentie van de giften, de positie van de ambtenaar binnen de overheidsorganisatie (al dan niet in staat om de gever te begunstigen) en het tijdstip waarop de giften zijn gedaan (Hof ’s-Hertogenbosch 27 december 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7460 en ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7464 en Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8751).

Het eerste lid van voornoemde artikelen bevat aldus vier verschillende vormen van passieve omkoping. In de eerste plaats wordt gekeken naar de gedraging van de ambtenaar: heeft hij de gift al daadwerkelijk aangenomen, of heeft hij er alleen om gevraagd? Daarnaast maakt dit artikel onderscheid op grond van het tijdstip waarop omgekocht wordt: neemt de ambtenaar de gift aan ‘vooraf’, dat wil zeggen voor een ambtshandeling nog niet is verricht, of ‘achteraf’, dat wil zeggen voor een prestatie die al wel is verricht?

De vraag die het Gerecht dient te beantwoorden is of aan voornoemde vereisten voor passieve ambtelijke omkoping is voldaan of dat er sprake is van contra-indicaties. Contra-indicaties kunnen bijvoorbeeld zijn dat de aard en omvang van de giften ruimte laten voor een alternatieve verklaring (Hof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9047 en ECLI:NL:GHARL:2014:9048). Een hechte vriendschap tussen de betreffende ambtenaar en de gever – waardoor de privérelatie niet goed is te scheiden van de zakelijke relatie – kan evenwel geen rechtvaardiging vormen voor het aannemen van giften.

Misbruik van functie (2:354 Sr)

De Hoge Raad heeft over de uitleg van dit artikel als volgt overwogen: ‘Het artikel stelt onder meer strafbaar de ambtenaar die opzettelijk ‘met misbruik van zijn functie’ iets doet of nalaat om enig voordeel (voor zichzelf of een ander) te verkrijgen. Dat brengt met zich dat de betreffende gedraging van de ambtenaar in relatie moet staan tot zijn functie in die zin dat die functie hem tot die gedraging in staat stelt, maar dat de gedraging bij een normale uitoefening van de functie achterwege zou blijven en door de ambtenaar is verricht om enig voordeel te verkrijgen. Ook gedragingen die verband houden met de functie van de ambtenaar die niet als zodanig in een wet zijn verboden of strafbaar gesteld, kunnen dus onder het bereik van artikel 2:354 SrC vallen’ (Hoge Raad 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:12).

Bij het vorenstaande neemt het Gerecht in de onderhavige zaak nog in aanmerking dat het criterium ‘misbruik’ zelf al een tamelijk strenge wederrechtelijkheidstoets impliceert en voorts, dat in de aard van het ministerschap besloten ligt dat al snel sprake kan zijn van overtreding van een geschreven norm. Ministers hebben de ambtseed afgelegd (conform artikel 41 van de Staatsregeling Sint Maarten), inhoudende dat zij in hun betrekking als minister niets zullen doen of nalaten voor een ander en ook van niemand – middellijk of onmiddellijk – een belofte of geschenk zullen aannemen. In de eed wordt eveneens beloofd om het welzijn van Sint Maarten naar vermogen voor te staan. Uit de memorie van toelichting bij Landsverordening integriteitsbevordering ministers volgt verder dat ‘politieke gezagsdragers bij uitstek een voorbeeldfunctie vervullen’. En: ‘Hun handelen en nalaten heeft effect op de gehele ambtelijke organisatie en op de samenleving. (...). Wil men het vertrouwen van de burger behouden en versterken, dan is dat alleen mogelijk als de rechtmatigheid, zorgvuldigheid en het fatsoen van de bestuurders buiten kijf staat, met andere woorden als de integriteit van het bestuur is gewaarborgd’.

Tot slot geldt dat vaststaand laakbaar gedrag reeds voldoende kan zijn voor overtreding van art. 2:354 Sr (Hoge Raad 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:12).

Oplichting (2:305 Sr)

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het kenmerk van oplichting is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te kunnen maken (Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889). Daartoe moet de verdachte één of meer van de in de wet bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt om de ander te bewegen tot bepaalde gedragingen, zoals het aangaan van een schuld of de afgifte van goederen of geldbedragen. Van het in het bestanddeel ‘bewegen tot’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot die bepaalde gedragingen. Het antwoord op de vraag of de ander mede onder invloed van die onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot dit gedrag, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren de mate waarin de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Oplichting in de zin van de wet is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Tot slot moet voor een bewezenverklaring van oplichting worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen.

Uit het hiervoor aangehaalde standaardarrest van de Hoge Raad inzake oplichting leidt het Gerecht verder af dat het bij het oplichtingsmiddel “een samenweefsel van verdichtsels” in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen, die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Daarvan kan sprake zijn als meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook als een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden, tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. De oplichtingsbepaling beschermt niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat voor een bewezenverklaring van dit oplichtingsmiddel niet is vereist dat elke gesproken en/of geschreven uiting een leugenachtige mededeling oplevert. Bij de beantwoording van de vraag of van een samenweefsel van verdichtsels sprake is geweest, moeten in casu de aan het Land Sint Maarten gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen, zoals uitgewerkt in de verschillende gedachtestreepjes, in onderling verband en samenhang worden bezien.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 (zaaksdossier 1)

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot een bewezenverklaring.

De verweten gedragingen

De verdachte is in december 2016 aangesteld als minister van VROMI en dit blijft hij tot de aanstelling van de nieuwe minister op 18 januari 2018 (vanaf 2 november 2017 was de verdachte demissionair). De medeverdachte [medeverdachte 2] was in deze periode werkzaam als ondernemer en werkte eveneens voor het ministerie van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie (hierna: TEATT), als Chef de Kabinet.

De verdachte wordt onder feit 1 – in de kern – verweten dat hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018, als minister, geld (‘mango’s’) heeft gevraagd/aangenomen van [medeverdachte 2], teneinde hem een voorkeursbehandeling te geven bij – kort gezegd – het verstrekken van (informatie over de aanvragen van) bouwvergunningen. Dit wordt ook wel passieve ambtelijke omkoping genoemd.

De verdachte wordt onder feit 2 misbruik van functie verweten, inhoudende dat hij, (onder andere) in opdracht van [medeverdachte 2], beslissingen met betrekking tot de bouwvergunningen [bouwvergunning 2], [bouwvergunning 3], [[bouwvergunning 4] alsmede een document genaamd ‘[document 1]’ op enigerlei wijze heeft beïnvloed, waarbij hij, de verdachte, [medeverdachte 2] heeft geïnformeerd door onder andere het verstrekken van interne overheidsinformatie, teneinde enig op geld te waarderen voordeel voor hemzelf te verkrijgen, in WhatsApp-gesprekken vermoedelijk aangeduid als ‘mango’s’.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging met betrekking tot het tenlastegelegde feit onder 1 – kort samengevat – bepleit dat niet bewezen kan worden dat in de gesprekken (versluierd) wordt gesproken over betalingen in geld, in de zin van (elektronische/grafted) ‘mango’s’. In de WhatsApp-gesprekken wordt met ‘mango’s’ de mango als fruitsoort bedoeld. Tevens is er ook geen bewijs dat er een overdracht is geweest van mango’s. Het vereiste oogmerk om die mango’s als gift te kwalificeren op het moment van ontvangst of verzoek blijkt voorts ook niet uit het dossier. Niet kan worden bewezen dat de verdachte iets heeft gedaan of nagelaten in ruil voor mango’s. Zijn contact met [medeverdachte 2] was in dit verband enkel interdepartementaal.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging – naast hetgeen hiervoor is bepleit over de (uitleg van) ‘mango’s’ – bepleit dat de vergunningen conform interne procedures verwerkt en uitgegeven zijn, dat de minister discretionaire bevoegdheden heeft en hij, de verdachte, aldus geen misbruik van zijn functie heeft gemaakt.

Werkwijze afgeven van bouwvergunningen en verstrekking documenten

Afgifte van een bouwvergunningen

[Getuige 1], destijds [functie 1 binnen de overheid van Sint Maarten], heeft op 11 mei 2022 een getuigenverklaring afgelegd. De procedure bij een vergunningaanvraag was volgens [getuige 1] als volgt binnen het ministerie van VROMI:

aan de hand van een verzoek tot het afgeven van een bouwvergunning werd een advies opgemaakt;

vervolgens werd dit advies achtereenvolgens getekend door de afdelingshoofd, de Secretary General (SG) en daarna de minister;

als het advies positief was, dan werd de bouwvergunning opgemaakt en ondertekend door de minister;

na bewijs van betaling en afgifte door de minister, was [getuige 2] verantwoordelijk voor de daadwerkelijke afgifte van de bouwvergunning. [Getuige 2] was destijds werkzaam als [functie 2 binnen de overheid van Sint Maarten].

Er was volgens [getuige 1] een periode dat in opdracht van de minister (het Gerecht begrijpt: de verdachte) werd afgeweken van deze procedure. De handtekening van de SG werd bijvoorbeeld overgeslagen. Dit bleef de situatie totdat er een nieuwe minister van VROMI werd aangesteld.

Deze wijziging van de procedure wordt bevestigd door [getuige 2] in haar verhoor van 24 maart 2023. Ook [getuige 2] verklaarde dat de officiële procedure bij een aanvraag bouwvergunning, inhoudende dat een aanvraag via de SG naar de minister werd verstuurd, sinds de verdachte als minister werkzaam was niet meer is gevolgd. De SG tekende vanaf dat moment niet meer. Toen [verdachte] vertrok als minister werd de normale procedure weer gevolgd.

Verdachte heeft ter terechtzitting – in de kern – verklaard dat de werkwijze zoals hiervoor omschreven niet gebruikelijk was. Hij stelt dat hij juist volgens de geldende werkwijze handelde, en daarom de verantwoordelijkheid van de behandeling van de bouwvergunningaanvragen naar zich toe heeft getrokken. Dat andere ministers afwijkend handelden door medewerkers binnen VROMI bepaalde taken toe te kennen in het vergunningsproces, dat is voor rekening/een keuze van die desbetreffende minister zelf, aldus de verdachte.

Het Gerecht ziet echter geen aanleiding om aan de hiervoor door de getuigen beschreven werkwijze te twijfelen. Sterker nog, deze beschreven werkwijze vindt ook steun in de opmaak van de adviesbladen. Op basis van de opmaak van deze adviesbladen valt naar het oordeel van het Gerecht zonder meer af te leiden dat er meerdere controlemechanismes zijn ingebouwd ten behoeve van een transparante en zorgvuldige behandeling van een aanvraag van een bouwvergunning binnen het ministerie van VROMI. Ten overvloede merkt het Gerecht in dit kader nog op dat verdachte ter terechtzitting zelf ook heeft verklaard dat hij adviesbladen tekende en dat hij dat deed op basis van gedane ‘checks and balances’ door andere medewerkers binnen het ministerie van VROMI en ook andere medewerkers binnen de overheid van Sint Maarten. Dat verdachtes werkwijze, zoals hiervoor omschreven, de normale werkwijze was, acht het Gerecht gelet op het voorgaande dan ook ongeloofwaardig.

Verstrekking documenten

Over de inzage/verstrekking van overheidsdocumenten verklaarde [getuige 1] dat na ondertekening van een bouwvergunning door de minister, in- en extern inzage kan worden verkregen. Hiervoor dient een verzoek ingediend te worden. Verder merkte [getuige 1] op dat het niet gebruikelijk is dat er een kopie of een foto van een adviesblad voorafgaand aan het afgeven van de bouwvergunning aan de aanvrager wordt gestuurd. [Getuige 2] verklaart in dit kader dat het adviesblad bij een bouwvergunning voor intern gebruik is (het Gerecht begrijpt: binnen het ministerie van VROMI) en dat een adviesblad niet is bedoeld voor externe personen.

Het Gerecht overweegt in dit kader dat de Landsverordening Openbaarheid van Bestuur (hierna: LOB) op de verspreiding van interne overheidsdocumenten ziet. Een verzoek tot inzage van overheidsdocumenten kan gedaan worden op basis van artikel 3 LOB. Verder staat in artikel 12 LOB – kort en zakelijk weergegeven – beschreven dat informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, niet wordt verstrekt indien sprake is van beleidsopvattingen die herleidbaar zijn tot personen, ongeacht of er een verzoek ex artikel 3 LOB is ingediend. Het Gerecht is van oordeel dat de adviesbladen bij aanvragen van bouwvergunningen onder artikel 12 LOB vallen.

De hiervoor omschreven werkwijze bij de vergunningaanvragen en de bepalingen uit de LOB met betrekking tot het openbaar maken van interne overheidsdocumenten, zullen hierna, voor zover van belang, dan ook als uitgangspunt worden genomen.

Feiten en omstandigheden feiten 1 en 2

Het Gerecht stelt allereerst vast dat de verdachte als minister van VROMI verantwoordelijk was voor de afgifte van bouwvergunningen. Het Gerecht zal nu afzonderlijk de feiten en omstandigheden bespreken met betrekking tot de tenlastegelegde bouwvergunningen en de mogelijke rol van de verdachte hierbij. Vervolgens zal het Gerecht concluderen of aan de verdachte wel of geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Aanvraag bouwvergunning [betrokkene 6]/[bedrijf 2] ([bouwvergunning 3])

Door (toenmalig) [functie 3 binnen de overheid van Sint Maarten], [betrokkene 7], wordt in een e-mailbericht van 12 februari 2018 melding gemaakt van betalingen van smeergeld aan de voormalig minister van VROMI (het Gerecht begrijpt: de verdachte [verdachte]). Hierbij wordt specifiek de bouwvergunningaanvraag van [betrokkene 6], via het bedrijf [bedrijf 2], genoemd.

[Betrokkene 6] is op 27 mei 2022 gehoord als verdachte. [Betrokkene 6] heeft verklaard dat hij [betrokkene 8] heeft benaderd om hem te helpen bij de aanvraag van de voornoemde bouwvergunning. [Betrokkene 8] bracht [betrokkene 6] in contact met de medeverdachte [medeverdachte 2].

In de periode van mei 2017 tot en met augustus 2017 zijn meerdere WhatsApp-berichten gestuurd tussen [verdachte] ([telefoonnummer 1]) en [medeverdachte 2] ([telefoonnummer 2]) over de aanvraag van bouwvergunningen (noot Gerecht: alle hierna opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn terug te vinden in het betreffende proces-verbaal van bevindingen). Op 23 juni 2017 stuurt [medeverdachte 2] naar [verdachte] dat hij met de man van ‘Pointe Pirouette’ is en dat zij de herziene tekeningen hebben. Diezelfde dag wordt een afspraak gemaakt om met elkaar af te spreken.

Op 17 juli 2017 is het getekende advies van de SG met betrekking tot onderhavige bouwvergunning door [verdachte] ontvangen van [medeverdachte 3] ([telefoonnummer 3]; noot Gerecht: alle hierna opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn terug te vinden in het betreffende proces-verbaal van bevindingen). [Verdachte] stuurt diezelfde dag een foto van het advies met nummer [bouwvergunning 3] door naar [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] geeft in een WhatsApp-bericht van 17 juli 2017 de opdracht aan [verdachte] om de vergunning, ongeacht of hij deze tekent of niet, bij hem, [verdachte], te houden (‘Even though you sign hold then’). Hierop reageert verdachte [verdachte] met: ‘Hmmm ok’. [Medeverdachte 2] stuurt naar aanleiding van de foto dat alleen [getuige 3] (het Gerecht begrijpt: [functie 4 binnen de overheid van Sint Maarten] [getuige 3]) heeft getekend. [Verdachte] geeft aan dat de enige mogelijkheid om de vergunning tegen te houden is dat hij, [verdachte], (nog) niet tekent. Hierop reageert [medeverdachte 2] met: ‘Ok’.

Op 25 juli 2017 volgt er een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en ook tussen [verdachte] en [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] of er een update is over de ‘missing item’. Vervolgens stuurt [verdachte] direct een bericht aan [medeverdachte 3] met de vraag: ‘any updates?’. Het originele adviesblad is kennelijk niet meer terug te vinden en [medeverdachte 3] geeft aan dat er een duplicaat is die door [verdachte] getekend kan worden. [verdachte] geeft [medeverdachte 3] de opdracht om een foto van de vergunning te maken. [verdachte] geeft bij [medeverdachte 2] aan dat dat hij een duplicaat heeft geregeld en dat hij het zojuist heeft getekend. [Verdachte] ontvangt op 25 juli 2017 in een WhatsApp-gesprek van [medeverdachte 3] een kopie van de vergunning welke hij heeft ondertekend, dit stuurt hij vervolgens door naar [medeverdachte 2]. Ook stuurt [verdachte] op deze dag naar [medeverdachte 2] een duplicaat van het adviesblad behorende bij vergunningaanvraag [bouwvergunning 3]. Het duplicaat van het adviesblad is even daarvoor door [medeverdachte 3] naar [verdachte] gestuurd. Dit duplicaat is op de plaats van de SG ondertekend door [betrokkene 9] (in plaats van [getuige 3] in het originele exemplaar, zoals hiervoor door [medeverdachte 2] werd aangegeven).

Op 2 augustus 2017 stuurt [medeverdachte 3] naar [verdachte] dat zij een e-mail heeft ontvangen van iemand van de afdeling Vergunningen waarin staat geschreven dat iemand van [bedrijf 2] is geweest met een foto van de vergunning. Dit betrof kennelijk de foto die [medeverdachte 3] eerder aan [verdachte] heeft verstuurd via WhatsApp. [Verdachte] moet van [medeverdachte 3] tegen zijn contacten zeggen dat wat [verdachte] stuurt, niet voor iedereen is bedoeld. [Verdachte] meldt vervolgens aan [medeverdachte 2] dat hij deze foto’s niet door moeten sturen naar zijn, [medeverdachte 2]’s, contacten. [Medeverdachte 2] reageert met ‘Wtf’ en geeft aan dat hij gaat uitzoeken wat er aan de hand is.

Op 7 augustus 2017 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2]: ‘We were to go for the mangos this weekend, what happened?’. Hierop reageert [medeverdachte 2]: ‘Tomorrow at 10:30 am. He want to send electronic and I said no’.

[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij zich zijn betrokkenheid bij deze vergunningaanvraag kan herinneren en dat hij (in algemene zin) mensen helpt als zij problemen hebben bij een vergunningaanvraag. [Medeverdachte 2] verklaarde verder dat hij een geldbedrag heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden. De hoogte van de vergoeding voor zijn werkzaamheden hangt af van de complexiteit van de aanvraag en is meestal op basis van ‘no cure no pay’ (het Gerecht begrijpt dat [medeverdachte 2] alleen een vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden, indien de daadwerkelijke afgifte van een vergunning is gevolgd).

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting – kort gezegd – verklaard dat hij de specifieke details van de aanvraag niet kent, [betrokkene 6] niet kent en die [betrokkene 6] nooit heeft ontmoet. [Medeverdachte 2] en [betrokkene 8] hebben alleen aan hem gevraagd of hij naar de vergunningaanvraag kon kijken. Over de WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte 2] zegt de verdachte dat hij geen opdrachten heeft gekregen van [medeverdachte 2], hij niet weet waarom er een duplicaat is gemaakt en hij niet weet wat er met de originele versie is gebeurd.

Vergunningaanvraag [bouwvergunning 2]

De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben ook over de bouwvergunning met nummer [bouwvergunning 2] contact.

[Medeverdachte 2] stuurt op 20 juni 2017 via WhatsApp een foto van een brief naar [verdachte] met de titel ‘Receipt confirmation for application for a Building Permit’. De aanvrager betreft [betrokkene 10]. [Medeverdachte 2] geeft later die avond aan dat hij [verdachte] morgen wil zien. Een dag later stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2]: ‘you have some explaining to do!!!!!!. You give 5 grafted mangoes. If the rip just give me a few I will set them up until they get full. Even if they ain’t rip yet’. [Medeverdachte 2] wil het er niet over hebben via WhatsApp (‘no texting’). Verder vraagt [medeverdachte 2] of de mensen van [verdachte] bezig zijn geweest met de brief die hij gisteren heeft gestuurd (het Gerecht begrijpt: de brief die [medeverdachte 2] stuurde per WhatsApp (D-227)). Dezelfde avond, 21 juni 2017, stuurt [medeverdachte 2] twee keer een foto van voornoemde brief. Verder stuurt [medeverdachte 2] naar [verdachte]: ‘[document 2]’. Op 22 juni 2017 zegt [medeverdachte 2] dat de info die hij stuurde genoeg was. [Verdachte] geeft aan dat eraan gewerkt wordt. [Verdachte] stuurt op 22 juni 2017 via WhatsApp een foto van een memo met de titel ‘[document 1]’ naar [medeverdachte 2] waarin – kort gezegd – staat beschreven dat [verdachte] het niet eens is met het advies van [getuige 3] met betrekking tot een gewijzigde aanvraag van [bouwvergunning 2], waarbij [verdachte] later aan [medeverdachte 2] meldt: ‘I just told them to issue the permit’.

Op 27 juni 2017 stuurt [medeverdachte 2] naar [verdachte]: ‘You check on the last building permit’, hetgeen door [verdachte] wordt bevestigd.

Op 28 juni 2017 vraagt [medeverdachte 2] of het klaar is. [Medeverdachte 2] geeft daarbij aan: ‘the first one with the pictures I sent you via WhatsApp’. [Medeverdachte 2] stuurt daarbij een foto van de eerder genoemde memo van [verdachte] (D-228). [Verdachte] geeft aan dat deze is afgerond, waarop [medeverdachte 2] vrijwel direct als volgt reageert: ‘Ok. Some more Mango’s.’ [Verdachte] reageert hierop: ‘They setting up, should be ready soon but only grafted though’. [Medeverdachte 2]: ‘Always’.

Op 20 juli 2017 stuurt [verdachte] een door hem getekende bouwvergunning met nummer [bouwvergunning 2].

[Medeverdachte 2] verklaarde dat hij [betrokkene 10] inderdaad heeft geholpen bij deze vergunningaanvraag en dat hij voor deze werkzaamheden een vergoeding heeft gekregen.

De verdachte kan zich zowel bij de politie als ter terechtzitting niets herinneren van deze vergunningaanvraag.

Project [[bouwvergunning 4] ([aanvragers bouwvergunning 4])

Op 15 juni 2017 vraagt [medeverdachte 2] via WhatsApp aan [verdachte] of hij de bouwvergunning voor [bouwvergunning 4] aan de ‘[aanvragers bouwvergunning 4]’ heeft afgegeven. [Verdachte] geeft aan dat dat volgens hem nog niet het geval is en dat zij (het Gerecht begrijpt: de [aanvragers bouwvergunning 4]) een brief hebben gekregen waarin staat dat hij, [verdachte], geen problemen ziet met de hoogte van het gebouw. [Medeverdachte 2] geeft aan dat ‘zij’ (het Gerecht begrijpt: de [aanvragers bouwvergunning 2]) aan het ‘fucken’ zijn met het [project]. [Medeverdachte 2] geeft [verdachte] vervolgens de volgende opdracht: ‘hold it back until I get the [project] approved’. [Verdachte] reageert hierop met ‘K’ (het Gerecht begrijpt: oké).

De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij zich dit gesprek niet kan herinneren.

Tussenconclusie

Het Gerecht is van oordeel dat uit de bovenstaande bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte (soms uit eigen beweging en soms in opdracht van) [medeverdachte 2] op de hoogte hield van de stand van zaken met betrekking tot de aanvraag van de onderhavige bouwvergunningen. Dit deed de verdachte onder meer door het via WhatsApp toezenden van interne overheidsdocumenten, waaronder (niet-getekende) adviesbladen, vergunningen en een memo. Ook valt naar het oordeel van het Gerecht uit het voorgaande af te leiden dat de verdachte door [medeverdachte 2] werd geïnstrueerd wanneer hij vaart achter bepaalde aanvragen van bouwvergunningen moest zetten en wanneer juist niet. Het Gerecht leidt tot slot uit de berichten verder af dat [medeverdachte 2] ook een afspraak heeft ingepland tussen de verdachte en een derde (onbekend gebleven) persoon.

Conclusie feiten 1 en 2

Conclusie feit 1 (passieve ambtelijke omkoping)

De verdachte was gedurende voornoemde handelingen ambtenaar in de zin van artikel 1:205 van het Wetboek van Strafrecht, te weten in zijn hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI.

De verdachte had in zijn bediening als minister van VROMI een belangrijke positie bij het afgeven van een bouwvergunning. Immers, zonder zijn handtekening werd een vergunning niet afgegeven. De verdachte had derhalve een beslissende invloed op het wel of niet afgegeven van een bouwvergunning, maar ook op het wel of niet voortvarend laten verlopen van een aanvraagprocedure.

De verdediging heeft in dit verband nog aangevoerd dat het ministerie van VROMI onder andere ‘open vrijdag(en)’ organiseerde om de toegankelijkheid van het ministerie van VROMI te verbeteren, meer in het bijzonder dat de minister (lees: de verdachte) op een toegankelijke manier te bereiken was voor de burgers van Sint Maarten voor onder andere vragen over de stand van zaken met betrekking tot de aanvragen van bouwvergunningen en aanbestedingsprojecten. De verdediging heeft daarnaast de kleinschaligheid van Sint Maarten benadrukt, en daarbij opgemerkt dat direct (telefonisch) contact tussen bewindslieden en burgers niet ongebruikelijk was en is op Sint Maarten.

Het Gerecht sluit zich evenwel aan bij het standpunt van het Openbaar Ministerie in dit verband, in die zin dat met het onder de aandacht brengen van een vergunningaanvraag in principe niets mis is, ook niet als dit bij de minister gebeurt, maar dat het problematisch wordt als dit gepaard gaat met giften of beloftes dan wel misbruik van functie.

In dit licht geldt dan vervolgens dat ook [medeverdachte 2] wist, gelet op de inhoud van genoemde berichten, dat de verdachte als minister van VROMI beslissende invloed had op het afgeven van een vergunning en de snelheid van de vergunningaanvraag. De verdachte gaf bijvoorbeeld bij [medeverdachte 2] aan dat hij een vergunningaanvraag kon vertragen, op het moment dat hij zou beslissen om te wachten met het plaatsen van zijn handtekening onder een adviesblad.

Door [medeverdachte 2] op voornoemde wijze te informeren, (in opdracht van [medeverdachte 2]) te wachten met het plaatsen van zijn handtekening en interne overheidsdocumenten te verstrekken aan die [medeverdachte 2], heeft de verdachte [medeverdachte 2] op zijn minst genomen een voorkeursbehandeling gegeven bij de aanvragen van bouwvergunningen. Daarbij geldt dat, voor zover is betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk heeft gewacht met het plaatsen van zijn handtekening (en de tegenprestatie dus niet heeft geleverd), er nog steeds sprake is van omkoping. De hierna te noemen giften en beloften moeten immers worden bezien in het licht van de relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 2] en de daarmee bewerkstelligde voorkeursbehandeling. Dat vergunningen vervolgens op een later moment rechtmatig zijn afgegeven, doet naar het oordeel van het Gerecht aan het voorgaande evenmin af.

In dit kader merkt het Gerecht nog op dat, anders dan door de verdediging is bepleit, uit het dossier niet is gebleken en ook niet is onderbouwd dat [medeverdachte 2] deze interne documenten destijds ontving in zijn rol als Chef de Kabinet van het ministerie van TEATT. [Medeverdachte 2] kreeg naar eigen zeggen bovendien een vergoeding van de opdrachtgevers voor zijn werkzaamheden bij de vergunningaanvragen, wat naar het oordeel van het Gerecht een contra-indicatie is dat hij deze interne overheidsdocumenten van de verdachte kreeg in het kader van zijn werkzaamheden voor het ministerie van TEATT. Dit verweer wordt derhalve terzijde geschoven.

Uit de berichten vloeit voorts naar het oordeel van het Gerecht voort dat aan de verdachte als beloning voor het geven van deze voorkeursbehandeling aan [medeverdachte 2] ‘(grafted) mango’s’ werden betaald/beloofd. Dat deze ‘mango’s’ ook in relatie stonden tot de vergunningaanvragen en dat de verdachte en [medeverdachte 2] ook allebei wisten dat het hiervoor bedoeld was, komt naar het oordeel van het Gerecht zonder twijfel tot uitdrukking in het feit dat, op het moment dat de verdachte aangeeft dat vergunningaanvraag [bouwvergunning 2] rond is, [medeverdachte 2] direct reageert met: ‘some more mango’s’. Hieruit volgt eveneens dat er klaarblijkelijk al eerder is betaald (waarmee sprake is van een gift). Er werden ook afspraken gemaakt om deze ‘mango’s’ aan te nemen door de verdachte (‘We were to go for mangos this weekend, what happened?’) waarbij de verdachte alleen ‘grafted mango’s’ wilde. Op basis van het dossier is dan ook voldoende komen vast te staan dat de verdachte wist dat de mango’s uitsluitend als belofte dan wel als gift werden gedaan vanwege zijn werkzaamheden in het kader van de vergunningsaanvragen waarbij [medeverdachte 2] als tussenpersoon betrokken was.

Het Gerecht gaat hierbij voorbij aan het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van mango’s in de zin van een fruitsoort. Los van het feit dat het geven (of de belofte van het geven) van mango’s als fruitsoort ook als een tegenprestatie kan worden gezien, is het Gerecht van oordeel dat, gelet op de context waarin over ‘mango’s’ wordt gesproken, namelijk in het kader van een vergunningsaanvraag en tegen de achtergrond dat [medeverdachte 2] aangeeft dat hij er niet via WhatsApp over wil spreken, met ‘mango’s’ (versluierd) geld werd bedoeld. Het Gerecht betrekt bij dit oordeel verder de gehele gang van zaken met betrekking tot de (poging tot) overdracht van de ‘mango’s’. [Medeverdachte 2] geeft in een gesprek van 7 augustus 2017 met [verdachte] namelijk aan: ‘He want to send electronic and I said no’, terwijl daarvoor door [verdachte] wordt gevraagd aan [medeverdachte 2]: ‘We were to go for the mangos this weekend, what happened?’. Het Gerecht leidt uit dit gesprek af dat [medeverdachte 2] de ‘mango’s’ niet elektronisch wil verstrekken en dat er daarom enige vertraging is bij de overdracht van de ‘mango’s’. Deze opmerking zou bij normale mango’s, als fruitsoort, niet nodig zijn geweest. Immers, mango’s kunnen per definitie niet elektronisch kunnen worden verzonden. Deze opmerking past naar het oordeel van het Gerecht daarentegen wel bij het verzenden van ‘mango’s’, in de zin van geld. Dat [medeverdachte 2] deze geldbedragen niet elektronisch wilde verzenden is ook voorstelbaar, omdat hierdoor niet kan worden getraceerd wat de hoogte van de geldbedragen is geweest en ook niet wie de verzender en ontvanger daarvan was. Het is een feit van algemene bekendheid dat de overdracht van crimineel geld in het algemeen daarom contant plaatsvindt en dat is naar het oordeel van het Gerecht ook wat [medeverdachte 2] in voornoemd bericht afspreekt met de verdachte.

In dit kader heeft de raadsvrouw, eerst ter zitting, aangegeven dat de opmerking ‘He want to send electronic and I said no’ van 7 augustus 2017 niet sloeg op de ‘mango’s’, maar op de woorden ‘The Key’. De verdachte is bij de politie geconfronteerd met de voorgaande berichten en heeft toen verklaard dat hij niet weet wat hiermee werd bedoeld en dat hij het zich niet kan herinneren. Het Gerecht is gelet op het ontbreken van een verklaring van de verdachte zelf en tegen de achtergrond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat het gesprek niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat met het voorgaande de elektronische verzending van geld werd bedoeld, en verwerpt aldus dit verweer.

Het Gerecht komt verder tot het oordeel dat de verdachte met zijn handelen eveneens in strijd met zijn plicht heeft gehandeld.

Voor zover er een directe relatie bestaat tussen de betaling van ‘(grafted) mango’s’ enerzijds en het afgeven van vergunningen anderzijds, levert dit naar zijn aard reeds ‘in strijd met de plicht op’. Voor de ‘(grafted) mango’s’ die direct werden beloofd door [medeverdachte 2], nadat de verdachte heeft gezegd dat de vergunning is afgerond, is dit eveneens het geval.

De verdachte wist op basis van de door hem afgelegde eed dat dit niet was toegestaan.

Ook uit de jurisprudentie volgt dat het verlenen van giften en het doen van beloftes om zo een voorkeursbehandeling te doen ontstaan, vallen onder ‘in strijd met de plicht’, omdat de onpartijdigheid en objectiviteit die een minister moet bewaren bij het uitoefenen van zijn discretionaire bevoegdheden verdwijnt. Daarvan is, zoals hiervoor reeds overwogen, ook voldoende gebleken. De verdachte kon door zijn verhouding met [medeverdachte 2] niet langer een objectief-zakelijke houding ten opzichte van [medeverdachte 2] hebben, waardoor hij niet langer onpartijdig en objectief was in de uitoefening van zijn functie. Dat de verdachte ook wist dat wat hij deed niet door de beugel kon, blijkt uit het hiervoor aangehaalde bericht, inhoudende dat hij [medeverdachte 2] erop aansprak dat de stukken die hij van hem ontving, niet mocht doorsturen.

Hiervoor heeft het Gerecht al geoordeeld dat de verdachte moet hebben geweten dat [medeverdachte 2] de giften/beloften deed met als doel een voorkeursbehandeling te krijgen. Door met deze wetenschap die giften/beloften aan te nemen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping met plichtsverzuim. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het Gerecht niet gebleken.

Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Conclusie feit 2 (medeplegen misbruik van functie)

Voortbordurend op wat hiervoor al is vastgesteld en overwogen, is het Gerecht van oordeel dat eveneens sprake is van het medeplegen van misbruik van functie door de verdachte en [medeverdachte 2].

De verdachte heeft immers allereerst onrechtmatig voornoemde interne overheidsdocumenten gedeeld met [medeverdachte 2], gelet op de bepalingen in de LOB. Verzoeken tot verstrekking van documenten ex artikel 3 LOB heeft het Gerecht niet aangetroffen in het dossier. Het is het Gerecht ook niet anderszins gebleken dat een dergelijk verzoek is gedaan. Sterker nog, conform artikel 12 LOB zijn de adviesbladen alleen voor intern gebruik bedoeld, ongeacht of er een verzoek ex artikel 3 LOB is ingediend. Zoals eerder overwogen was er ook geen sprake van het delen van overheidsdocumenten in het kader van een interdepartementale samenwerking. Van een rechtmatige verstrekking van de in de bewijsmiddelen genoemde documenten is het Gerecht dan ook niet gebleken.

Bovendien blijkt ook uit de bewijsmiddelen dat de verdachte en [medeverdachte 2] zich er beiden terdege van bewust waren dat zij deze interne overheidsdocumenten niet mochten delen met derden.

Verder versnelde of vertraagde de verdachte op verzoek van [medeverdachte 2] het beslisproces van aanvragen van bouwvergunningen waarbij [medeverdachte 2] de tussenpersoon was. Ook gaf [medeverdachte 2] [verdachte] de opdracht om vergunningsaanvragen van anderen te vertragen, zoals bijvoorbeeld bij het project van de [aanvragers bouwvergunning 2], zodat [medeverdachte 2] zijn ‘[project]’ eerst kon afronden. Het Gerecht is van oordeel dat de verdachte als minister van VROMI met deze handelingen ernstig laakbaar heeft gehandeld.

De verdachte was in staat om voornoemde handelingen te verrichten vanwege zijn functie als minister van VROMI. Hij was immers eindverantwoordelijk voor het afgeven van bouwvergunningen. Zonder zijn handtekening kon een bouwvergunning simpelweg niet worden verstrekt. De verdachte wist daarom dat hij [medeverdachte 2] op voornoemde wijze een voorkeursbehandeling kon geven bij de aanvraag van bouwvergunningen. Het belang van een voorkeursbehandeling voor [medeverdachte 2] bij de aanvraag van een bouwvergunning is naar het oordeel van het Gerecht ook helder en concreet. Aangezien [medeverdachte 2] als tussenpersoon, conform zijn eigen verklaring, werd betaald op basis van het ‘no cure no pay’-principe had [medeverdachte 2] er alle belang bij dat een vergunningaanvraag waarbij hij betrokken was, succesvol zou worden afgerond.

De hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte zouden naar het oordeel van het Gerecht bij een normale uitoefening van zijn functie achterwege zijn gebleven. Het contact tussen [medeverdachte 2] en de verdachte over de vergunningaanvragen ging veel verder dan enkel laagdrempelig en onschuldig contact tussen een burger en een minister, al dan niet via een ‘open vrijdag’. Voornoemde handelingen zijn door de verdachte immers verricht om geld te ontvangen van [medeverdachte 2]. De verdachte heeft daarmee zijn eigen financieel belang en dat van [medeverdachte 2] vooropgesteld in plaats van, zoals de door hem afgelegde eed vereist, het belang van het Land Sint Maarten.

Het Gerecht komt aldus tot de conclusie dat bij de hiervoor besproken feiten en omstandigheden opzettelijk door de verdachte en [medeverdachte 2] misbruik is gemaakt van de functie van de verdachte als minister van VROMI. Hierbij was op basis van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2]. Verdachtes bijdrage aan het delict is van voldoende gewicht om hem als medepleger te kwalificeren.

Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 2 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 4 en 5 (zaaksdossier 2)

De verweten gedragingen

De verdachte wordt onder feit 4 verweten dat hij zich met betrekking tot de projecten ‘[aanbestedingsproject 3]’, ‘[aanbestedingsproject 4]’, ‘[aanbestedingsproject 1’ en ‘[aanbestedingsproject 2]’ schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Daarbij wordt de verdachte – kort samengevat in hoofdlijnen – verweten dat:

offertes van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) op elkaar waren afgestemd, zodat het bedrijf [bedrijf 3] de opdrachten van voornoemde projecten toegewezen zou krijgen;

niet is onderzocht of de ingestuurde offertes marktconform waren en eveneens niet is onderzocht of de gang van zaken bij de voornoemde projecten voldeed aan (intern) beleid zoals de PtP-procedure;

offertes kort na indienen al werden geaccordeerd door de verdachte;

de verdachte de projecten aan [bedrijf 3] heeft gegund, zonder daarbij in de beoordeling andere ambtenaren te betrekken en/of juist ambtenaren buitenspel te zetten bij deze beslissingen;

de verdachte en [medeverdachte 3] hun positie binnen het ministerie van VROMI hebben aangewend om voornoemde projecten aan [bedrijf 3] te gunnen en hun positie eveneens te gebruiken voor het spoedig uit laten betalen van betalingen door adviezen als ‘urgent’ te bestempelen;

de verdachte en medeverdachten hun vriendschappelijke relatie niet kenbaar hebben gemaakt aan het publiek en/of andere (relevante) ambtenaren;

nevenfuncties niet gedeeld zijn, in het bijzonder door verdachte [medeverdachte 3] binnen het bedrijf [bedrijf 3].

Aldus zou de verdachte zich hebben voorgedaan als een betrouwbare en integere minister van VROMI, waardoor het Land Sint Maarten bewogen is tot afgifte van projecten en geldbedragen.

De verdachte wordt onder feit 5 – in de kern – verweten dat hij samen met [medeverdachte 3], destijds Chef de Kabinet bij het ministerie van VROMI, opzettelijk misbruik heeft gemaakt van hun functie(s) binnen dat ministerie door voornoemde aanbestedingsprojecten aan [bedrijf 3] te gunnen, teneinde enig voordeel, te weten de afgifte van projecten en geldbedragen en/of het aangaan van (een) schuld(en), te verkrijgen.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging met betrekking tot het tenlastegelegde feit onder 4 – in essentie – bepleit dat niet bewezen kan worden dat er in strijd is gehandeld met procedurele regels, noch dat de verdachte heeft deelgenomen aan het vervalsen van documenten en ook niet dat hij heeft geprofiteerd van de toegekende projecten. Ook kan niet worden bewezen dat de verdachte wist dat [medeverdachte 3] betrokkenheid had bij het bedrijf [bedrijf 3]. Er is dan ook geen sprake van medeplegen. Met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 5 heeft de verdediging – voortbouwend op wat zij heeft gesteld in het kader van feit 4 – verder bepleit dat de projecten zijn toegekend binnen het mandaat van de verdachte als minister van VROMI. De urgentie van de werkzaamheden was een gegeven, gelet op de noodtoestand waarin het Land Sint Maarten destijds verkeerde. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de Procure-to-Pay (PtP)-procedure niet gold ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot een bewezenverklaring.

Feiten en omstandigheden feiten 4 en 5

6.6.2.1. Orkaan Irma

De tenlastegelegde feiten hebben zich afgespeeld in een periode kort nadat orkaan Irma op 6 september 2017 grote verwoestingen had aangebracht op Sint Maarten. Daarbij is forse schade ontstaan op het eiland, waaronder aan wegen, gebouwen en het vliegveld. Sint Maarten bevond zich na orkaan Irma in een toestand waarbij het zich met name concentreerde op de wederopbouw. Uit het dossier – in het bijzonder de getuigenverklaringen – leidt het Gerecht af dat het opruimen van het puin een prioriteit was. Daarnaast moest het ontvangen van toeristen zo snel mogelijk weer mogelijk gemaakt worden, nu dit immers de grootste inkomstenbron van Sint Maarten betreft.

Het Gerecht kan zich, gelet op de rampzalige situatie waarin het land zich bevond kort na de orkaan Irma, er alles bij voorstellen dat het voor de bestuurders en de ambtenaren uitermate moeilijk was om in die periode hun werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te verrichten. Niettemin dient te worden beoordeeld of het handelen dat de verdachte wordt verweten strafrechtelijk verwijtbaar is, ongeacht de impact van de orkaan.

Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat de verdachte, zoals hiervoor al is vastgesteld door het Gerecht, in december 2016 is aangesteld als minister van VROMI en hij dit blijft tot de aanstelling van de nieuwe minister op 18 januari 2018 (vanaf 2 november 2017 was de verdachte demissionair). In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor het toekennen van overheidsprojecten die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van VROMI vielen.

De medeverdachte [medeverdachte 3] was in deze periode werkzaam als Chef de Kabinet bij het ministerie van VROMI.

Het Gerecht zal nu eerst de van toepassing zijnde regelgeving ten aanzien van (aanbestedings)projecten bespreken. Vervolgens zal het Gerecht afzonderlijk de feiten en omstandigheden met betrekking tot de tenlastegelegde projecten en de rol van de verdachte hierbij beoordelen. Tot slot zal het Gerecht concluderen of aan de verdachte wel of geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6.6.2.2. De Comptabiliteitsverordening

Het Gerecht stelt bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten 4 en 5 voorop dat de Comptabiliteitsverordening (hierna: de verordening) gold in de onderhavige periode. Daarover bestaat ook bij de verdediging en het Openbaar Ministerie geen discussie. Het Gerecht acht in deze zaak specifiek artikel 47 van de verordening van toepassing, welke luidt als volgt:

De uitvoering van werken, en het inkopen van goederen of diensten door het Land wordt in het openbaar aanbesteed.

Het vaststellen van de begroting houdt geen afwijking van het eerste lid in.

In afwijking van het eerste lid, is een openbare aanbesteding niet vereist indien de geprojecteerde besteding:

a.het bedrag van NAf. 50.000,00 niet te boven gaat in geval van de inkoop van diensten of goederen;

b.het bedrag van NAf. 150.000,00 niet te boven gaat in geval van de uitvoering van werken.

4. Bij landsbesluit op voordracht van Minister van Financiën kan van het eerste lid en derde lid worden afgeweken, indien:

a.het inkopen van goederen of diensten, of de uitvoering van werken noodzakelijk is als gevolg van een ramp, of

b.het algemeen belang zich verzet tegen uitstel van de aanbesteding.

5. Een landsbesluit als bedoeld in het vierde lid wordt terstond aan de Staten gezonden.

6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels vastgesteld voor de wijze waarop een aanbesteding wordt ingericht en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het vierde lid.

Uit voornoemde bepaling, meer in het bijzonder uit de woorden ‘geprojecteerde besteding’, leidt het Gerecht af dat voorafgaand aan een project aldus dient te worden bepaald hoeveel dat project vermoedelijk zal gaan kosten, om zodoende te kunnen bepalen of een overheidsproject openbaar moet worden aanbesteed of, indien bovengenoemde drempelwaarde niet wordt gehaald, het project onderhands kan worden aanbesteed. Bij een onderhandse aanbesteding worden meerdere bedrijven direct benaderd om een offerte in te dienen.

6.6.2.3. Aanleiding onderzoek aanbestedingsprojecten

Op 12 februari 2018 stuurde toenmalig [functie 4 binnen de overheid van Sint Maarten], [getuige 3], naar [functie 5 binnen de overheid van Sint Maarten], [betrokkene 11], een mail met als titel ‘work assignment former Minister of VROMI’ (vrij vertaald: werkopdracht voormalig minister van VROMI (het Gerecht begrijpt: [verdachte])). In deze mail gaf [getuige 3] aan dat, in reactie op een verzoek van [betrokkene 11] om te onderzoeken welke relevante opdrachten (inzake Werken) zijn gedaan in de laatste weken van de vorige regering, de volgende drie projecten als betwistbaar konden worden beschouwd:

[drie aanbestedingsprojecten]

[Getuige 3] geeft in deze mail – kortgezegd – aan dat er geen openbare aanbestedingen nodig waren voor deze projecten. Echter, voor deze projecten waren wel drie offertes vereist, terwijl in bovengenoemde zaken slechts twee offertes waren ingediend. De twee offertes waren bovendien steeds van dezelfde aannemers. De voornoemde projecten zijn alle drie gegeven aan [bedrijf 3] (hierna weer: [bedrijf 3]), het bedrijf van de echtgenoot/compagnon van de Chef de Kabinet van VROMI (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 3]). Verder geeft [getuige 3] in de mail aan dat het tweede bedrijf dat een offerte heeft ingediend, te weten [bedrijf 1] (hierna weer: [bedrijf 1]), ook vragen oproept.

Verder bleek dat voor deze projecten een aanbetaling van 50% was goedgekeurd, voordat de werkzaamheden werden uitgevoerd en zonder enige vorm van garantie voor de aanbetalingen. [Getuige 3] schrijft dat dit zeer ongebruikelijk is binnen de overheid. Tot slot vermeldt [getuige 3] dat in alle drie de gevallen de beleidsadviseur binnen het kabinet van de minister en het hoofd van de afdeling Infrastructure Management (hierna: IM) genoemd zijn als contactpersonen voor de projecten, maar is er geen documentatie verstrekt over de uitvoering van de projecten. Het hoofd van het ministerie van VROMI beweerde niet betrokken te zijn geweest bij de projecten. [Getuige 3] komt in zijn e-mail tot de conclusie dat hij vermoedt dat [bedrijf 1] een nepbedrijf is en er gefraudeerd is om de indruk te wekken dat er twee offertes zijn uitgebracht. Het toewijzen van de projecten voldoet volgens [getuige 3] evenwel niet aan de minimumeisen van de overheid voor het toewijzen van projecten en het financieel beheer ervan.

[Getuige 3] is op 11 maart 2022 gehoord als getuige. Hij verklaarde dat hij van [periode en functie] was. In zijn functie was hij verantwoording schuldig aan de verdachte als minister van VROMI en de ministerraad van Sint Maarten. Vanaf ongeveer 29 augustus 2017 werd hij door [verdachte] aan de kant geschoven als [functie]. Vanaf dat moment wilde [verdachte] geen bemoeienis meer van de getuige hebben met betrekking tot dagelijkse werkzaamheden bij het ministerie van VROMI. Voorafgaand aan voornoemde datum kwamen de terms of references (TOR) en het adviesblad in het kader van de aanbestedingen van projecten altijd langs de getuige om te beoordelen. [Getuige 3] gaf aan dat de Comptabiliteitsverordening van toepassing was bij het toekennen van een project aan een bedrijf, waarbij hij specifiek verwees naar artikel 47 van de verordening. De Procedure to Pay (hierna: PtP) betreft een intern handboek ten aanzien van onderhandse aanbestedingen, opgesteld door het ministerie van Financiën, en bevat de procedure die de financiële afdeling volgt om betalingen te faciliteren. [Getuige 3] verklaart dat de normale procedure binnen VROMI in de periode 2017-2018 met betrekking tot het toekennen van een project aan een bedrijf was als volgt. Bij projecten onder de NAf 150.000,- bereidt de afdeling IM een TOR voor. Deze TOR wordt naar de aannemer gestuurd en de aannemer wordt uitgenodigd om een bieding te doen (het Gerecht begrijpt: uitgenodigd om een offerte in te dienen). In voornoemd geval worden minimaal drie aannemers benaderd en gevraagd om een offerte in te dienen. Vervolgens wordt de aannemer met de beste prijs uitgekozen. De afdeling IM bekijkt de offertes en bereidt dan een aanbesteding voor. De afdeling moet het advies tekenen om de opdracht voor het werk te kunnen geven. Daarna gaat het advies naar de financial controller van het ministerie van VROMI die het advies ook moet tekenen. Daarna gaat het advies naar de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën waar het advies ook getekend moet worden. De SG van Financiën moet het advies ook tekenen.

[Getuige 3] verklaarde verder dat destijds de toegewezen Werken (het Gerecht begrijpt: de overheidsprojecten) afgehandeld werden door het kabinet van minister [verdachte]. Normaalgesproken werd dit gedaan door de afdeling IM. Met betrekking tot de procedure van aanbesteden van projecten was er voor en na Irma geen onderscheid, hooguit gold er een uitzondering voor de opruimwerkzaamheden na orkaan Irma.

Met betrekking tot betalingen geeft [getuige 3] aan dat bij werkzaamheden een betaalschema werd opgesteld. Er werden nooit betalingen gedaan voordat diensten werden verleend tenzij door een aannemer een bankgarantie was afgegeven. Dit gold ook voor aanbestedingen.

Ook de getuige [getuige 4], destijds minister van Financiën, heeft verklaard dat de afdeling IM verantwoordelijk was voor het benaderen van de bedrijven, maar in deze gevallen werd dat klaarblijkelijk gedaan door het kabinet van de verdachte. Het vergelijken van offertes valt onder normale omstandigheden onder de Beheersdienst.

Getuige [betrokkene 3] is op 17 mei 2022 bij de politie gehoord als getuige. Zij was destijds [functie binnen de overheid van Sint Maarten]. Zij verklaarde dat voor het reguleren van aanbestedingen bij het ministerie van VROMI gebruik wordt gemaakt van de mandaatregeling, de Comptabiliteitsverordening en de PtP. Als er afgeweken wordt van de PtP-procedure, dan moet altijd uitgelegd worden waarom er wordt afgeweken. Naast de controller, zijn de SG en de minister verantwoordelijk voor de naleving van de PtP. [Betrokkene 3] is eveneens gehoord bij de rechter-commissaris. Bij de rechter-commissaris verklaarde zij dat het betalen van voorschotten niet gebruikelijk is. Dit is alleen mogelijk indien de SG akkoord is gegaan of indien het vooraf in de aanbestedingsdocumenten is opgenomen. Als een stempel ‘urgent’ op het advies stond, dan controleerde zij waarom het een urgent project was. Dit deed zij op basis van onderbouwende stukken, bijvoorbeeld een e-mailbericht. De minister moet uiteindelijk verantwoorden waarom hij een project urgent vond. De urgentie moet aldus gestaafd worden. Een advies met daarin een afwijking van de PtP gaat altijd naar de ministerraad.

De getuigen [getuige 4], [betrokkene 4] en [getuige 6] beschrijven in hun verklaringen een procedure die in grote lijnen vergelijkbaar is met hetgeen hiervoor is vermeld.

6.6.2.4. Tussenconclusie

Hoewel de verdediging betwist dat er beleid bestond binnen het ministerie van VROMI bij het aanbesteden van overheidsprojecten, en de verdachte zelfs bij de politie heeft verklaard niet bekend te zijn met enige regelgeving op dit gebied, hebben getuigen verklaard over de gangbare procedure binnen het ministerie van VROMI. Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen en de daarin beschreven werkwijze te twijfelen. Immers, die werkwijze vindt ook steun in de opmaak van de adviesbladen, nu daaruit zonder meer kan worden afgeleid dat er meerdere controlemechanismes waren ingebouwd ten behoeve van, zo begrijpt het Gerecht, een transparante en zorgvuldige behandeling van een aanbestedingsprocedure binnen het ministerie van VROMI. Ten overvloede merkt het Gerecht in dit kader nog op dat de verdachte ter terechtzitting – zoals al eerder in dit vonnis aangehaald – zelf ook heeft verklaard dat hij adviesbladen tekende en dat hij dit deed op basis van gedane ‘checks and balances’ door andere medewerkers binnen het ministerie van VROMI en binnen de overheid van Sint Maarten.

Uit al het voorgaande volgt naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam dat er ten tijde van de tenlastegelegde projecten (logischerwijs) een intern vastgestelde procedure bij het aanbesteden van projecten bestond. Of deze procedure wel of niet ‘de PtP-procedure’ werd genoemd en/of de PtP-procedure al (definitief) was vastgelegd in beleidstukken, acht het Gerecht dan ook niet van belang. Het Gerecht verwerpt daarom de verweren van de verdediging op dit punt.

Voor zover de verdediging naar voren heeft willen brengen dat in de onderhavige periode lid 4 van artikel 47 van de verordening van toepassing was (rampsituatie), dan wel een andere uitzonderingsgrond van toepassing was verklaard door de toenmalige Raad van Ministers, passeert het Gerecht dit verweer, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting nergens het vereiste landsbesluit, dan wel een ander officieel stuk van het Land Sint Maarten, voor deze vermeende uitzonderingssituatie naar voren is gekomen of is overgelegd door de verdediging. Ook uit de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het Gerecht niet gebleken dat de verdachte als minister van VROMI destijds alles mocht beslissen wat hem op dat moment goed leek om te doen, zonder daarbij de (interne) procedures te volgen.

Hoewel ten tijde van de tenlastegelegde periode sprake was van een uitzonderlijke situatie als gevolg van de orkaan, is het Gerecht van oordeel dat ook – en juist – onder dergelijke omstandigheden de regels voor het gunnen van overheidsprojecten onverkort dienen te gelden. Immers, juist in tijden van crisis is naleving van regelgeving van groot belang, nu een land zich dan in een bijzonder kwetsbare positie bevindt. Het Gerecht zal later in dit vonnis concluderen dat bij de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten er echter alles aan is gedaan om te doen alsof ten aanzien van de onderhavige projecten een rechtmatige procedure is gevolgd waarbij is gedaan alsof het adviestraject zoals hiervoor beschreven werd nageleefd. Het Gerecht acht dit nu juist een contra-indicatie voor de stelling van de verdediging dat de verdachte als minister van VROMI, naar aanleiding van de orkaan Irma, als het ware een zogenaamde ‘carte blanche’ had gekregen.

De hiervoor omschreven gangbare procedure bij aanbestedingen van projecten binnen het ministerie van VROMI, zal hierna, voor zover van belang, dan ook als uitgangspunt worden genomen.

6.6.2.5. De tenlastegelegde aanbestedingsprojecten

De bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 3]

Het bedrijf [bedrijf 1] is opgericht op [datum] met als eigenaar [medeverdachte 1]. Op basis van de belastinggegevens en informatie afkomstig van de afdeling Documentaire Informatie Voorziening (DIV) van Sint Maarten is niet gebleken van uitgevoerde werkzaamheden voor de overheid van Sint Maarten, dan wel dat er betaald werd voor verrichte werkzaamheden door de overheid van Sint Maarten, behoudens het [project 1] zoals uit dit dossier volgt.

Het bedrijf [bedrijf 3] (handelsnaam [bedrijf 3]) is opgericht op [datum] met als managing director [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] worden aangemerkt als aandeelhouders in de ‘final tax returns for profit’ voor de jaren 2015, 2016 en 2017. [Medeverdachte 3], in [jaar] Chef de Kabinet van het ministerie van VROMI, ondertekende alle belastingaangiftes in de periode van 2012 tot en met 2019 als eigenaar/managing directrice/endorsee. De aangifte over 2017 ondertekende [medeverdachte 3] op 28 december 2018.

[Aanbestedingsproject 1]

Dit project was toegekend aan het bedrijf [bedrijf 3]. [Bedrijf 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 149.768,25 en [bedrijf 1] een offerte van NAf 164.350. Op de offerte van [bedrijf 1] staat geen naam van de vertegenwoordiger van het bedrijf, geen CRIB-nummer en de offerte was niet ondertekend. In beide offertes is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen. De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor de reparatie van de [aanbestedingsproject 1]. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] ([functie]) en [betrokkene 9] ([functie 6 binnen de overheid van Sint Maarten]) de contactpersonen zijn voor deze opdracht. [Betrokkene 12] heeft evenwel verklaard geen van de tenlastegelegde projecten te kennen en zijn naam komt verder ook niet op het adviesblad voor.

Verder zit in het dossier met betrekking tot dit project een urgent adviesblad van 24 november 2017. De handtekening van de SG van het ministerie van VROMI ontbreekt en ook lijken de handtekening van de minister van Financiën en het hoofd van Financiën te ontbreken. Op de derde pagina van het advies is op 24 november 2017 opgeschreven dat twee bedrijven met laservaring zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat niet uit het dossier is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd. Voorts wordt aangegeven dat [bedrijf 3] de opdracht heeft gekregen. Vervolgens heeft (vermoedelijk) [betrokkene 3] genoteerd dat de PtP niet is gevolgd, omdat er maar twee in plaats van drie offertes zijn opgevraagd. Op pagina drie van het adviesblad staan geen namen genoteerd bij de vakjes ‘contactpersoon 1’ en ‘contactpersoon 2’.

Verder merkt de afdeling FBBB in het kader van onderhavig project eveneens op dat de PtP niet is gevolgd, omdat er maar twee in plaats van drie offertes zijn opgevraagd en dat de offertes te simplistisch zijn opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen. Als het de bedoeling is dat de uitgaven teruggevorderd moeten worden van de hulpfondsen van Nederland, dan moet men zorgvuldiger zijn in het accepteren van offertes om de uitgaven op een transparantere manier aan een derde partij te rechtvaardigen, aldus de afdeling FBBB. De afdeling FBBB voegt aan hun advies een drietal voorbeeld-offertes toe.

Bij onderhavig project zit ook een beslisblad van de ministerraad. De beslissing van de ministerraad is gelijkluidend aan het advies, namelijk dat er een akkoord is voor de betaling van bovengenoemd bedrag en de aanbetaling van 50%.

Op 11 december 2017 is door de overheid van Sint Maarten een bedrag van NAf 146.395,75 overgeboekt naar en ontvangen door het bedrijf [bedrijf 3]. Op het overzicht van de overboeking stond vermeld ‘50% dep. for [aanbestedingsproject 4] – NAf 74.884,13 en 50% dep. [aanbestedingsproject 2] Naf 68.511,62’.

[Medeverdachte 3] doet op 20 september 2018 met het e-mailadres van haar werk navraag over de betalingen aan [bedrijf 3] met betrekking tot de [aanbestedingsproject 1].

Op 21 september 2018 is door de overheid van Sint Maarten een bedrag van Naf 81.678,71 overgeboekt naar en ontvangen door [bedrijf 3]. Op het overzicht van de overboeking stond vermeld: ‘Final Pay for [ [aanbestedingsproject 1] Naf. 74.884,12’ en ‘Final Pay of [aanbestedingsproject 4] Naf. 6.794,59’.

Het Gerecht acht in dit kader verder nog een Whatsapp-gesprek van 8 juli 2017, dus voorafgaand aan de orkaan Irma, van belang tussen [verdachte] en [medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] geeft aan dat zij aan de [aanbestedingsproject 1] werkt om alles goed te regelen. Zij heeft foto’s van de plekken die gemaakt moeten worden, ze heeft rotte plekken gezien. Ook heeft zij een offerte. [Verdachte] vraagt om de offerte, maar [medeverdachte 3] geeft aan dat zij op ‘[bijnaam medeverdachte 4]’ (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 4]) moeten wachten. [Verdachte] reageert hierop dat dat [medeverdachte 3] weet hoe hij denkt over een simpele offerte. Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 3].

Deze offerte is niet aangetroffen in het dossier. Echter, in de laptop van [medeverdachte 3] worden twee offertes aangetroffen met betrekking tot reparatiewerkzaamheden aan de [aanbestedingsproject 1], geruime tijd voorafgaand aan de orkaan Irma. Opvallend is dat de offertes destijds wel gespecifieerd zijn en dat de bedragen evident lager zijn dan de uiteindelijke (en niet-gespecificeerde) offerte.

[Aanbestedingsproject 2]

Bij dit project gaat het om vier verschillende ‘repairs’-projecten, waarbij door de bedrijven [bedrijf 3] en [bedrijf 1] voor deze vier projecten offertes zijn ingediend. Alle vier de projecten zijn aan [bedrijf 3] toegewezen.

Het eerste project betreft de ‘[aanbestedingsproject 2A]’. Het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 50.123,46. In de offerte van [bedrijf 1] is niet gespecificeerd hoe aan dit totaalbedrag is gekomen en ook is de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening niet opgenomen in de offerte. Het bedrijf [bedrijf 3] heeft óók op 5 oktober 2017 een offerte ingediend ter hoogte van NAf 43.087,81. Op de offerte van [bedrijf 3] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op diezelfde dag heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende de mededeling dat hij de opdracht kreeg voor het ‘[aanbestedingsproject 2]. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht.

Verder is voor dit project een adviesblad van 17 november 2017 aangetroffen. Het Gerecht merkt hierbij op dat dit project kennelijk niet als urgent werd bestempeld, althans de stempel daarvan ontbreekt op het adviesblad. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG en de controller van VROMI. Ook van de SG van Financiën ontbreek een handtekening. Verder staat op de eerste pagina in grote letters het woord ‘Void’ (vrij vertaald betekent dit: nietig). Vermoedelijk is dit opgeschreven door de [functie], [betrokkene 3], omdat er rechtsboven op het advies een handtekening staat met ‘[betrokkene 3]’ en de datum van 28 november 2017. Verder merkt het Gerecht op dat pagina twee van het adviesblad ontbreekt. Op deze pagina wordt normaal gesproken de handtekening van de minister van VROMI, de minister van Financiën en de handtekening van de controller van het ministerie van Financiën genoteerd. Ook de handtekening van het hoofd van Financiën ontbreekt. Op de derde pagina van het advies is op 6 oktober 2017 opgeschreven dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat niet uit het dossier is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd, maar wel wordt aangegeven dat [bedrijf 3] de opdracht heeft gekregen. Op pagina drie van het adviesblad staan geen namen genoteerd bij de vakjes ‘contactpersoon 1’ en ‘contactpersoon 2’.

Verder merkt de afdeling FBBB in het kader van onderhavig project op dat de offertes te simplistisch zijn opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen. Als het de bedoeling is dat de uitgaven teruggevorderd worden van de hulpfondsen van Nederland, dan moet men zorgvuldiger zijn in het accepteren van offertes om de uitgaven op een transparantere manier aan een derde partij te rechtvaardigen. FBBB voegt aan hun advies een drietal voorbeeld-offertes.

Het tweede project betreft ‘aanbestedingsproject 2B’. Het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 31.586. In de offerte van [bedrijf 1] is niet gespecificeerd hoe aan dit totaalbedrag is gekomen en ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. [Bedrijf 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 27.379,80. Op de offerte van [bedrijf 3] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het ‘painting of raillings’-project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Van dit project is geen apart adviesblad aangetroffen.

Het derde project betreft ‘aanbestedingsproject 2C’. Het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 53.985,22. In de offerte van [bedrijf 1] is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen en zijn de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening niet genoteerd. [Bedrijf 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 47.055,45. Op de offerte van [bedrijf 3] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 3] werd op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het repairing to raillings project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Van dit project is geen apart adviesblad aangetroffen.

Het vierde project betreft ‘[aanbestedingsproject 2D]’. Het bedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte 1] heeft op 9 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 24.540,10. In de offerte van [bedrijf 1] is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen en ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. Het bedrijf [bedrijf 3] heeft op 9 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 19.500,17. Op de offerte van [bedrijf 3] is niet gespecificeerd hoe tot dit bedrag is gekomen. Verder is er geen naam genoteerd op de offerte, maar wel een handtekening. In de brief staat de volgende passage: ‘Our company was subsequently requested to make an assessment of all other railings, guardrails, roadside barriers, gates and bridges on the island that would need attention. Our initial assessment was submitted in the month of August, however due to the passing of Hurricanes Irma and Maria a reassessment of the situation was executed. It recently came to our attention that the rails located at [locatie] substained additional damage after passing of the storm due to the persons that frequently sit on them. The entire rails need to be reconstructed as a result as they no longer standing upright as they shoud’.

De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief gestuurd naar [medeverdachte 4], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het [aanbestedingsproject 2D]. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht.

Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 28 november 2017 opgesteld. Op de eerste pagina van het adviesblad staat bij het beslispunt onder andere de betaling van NAf 137.023,23 aan [bedrijf 3] vermeld. Gelet op dit bedrag en de algemene toelichting in het adviesblad gaat het Gerecht ervan uit dat dit adviesblad is bedoeld voor alle hiervoor genoemde (vier) projecten. Verder heeft het Gerecht gezien dat de handtekening van de SG van het ministerie van VROMI ontbreekt. Op pagina twee ontbreekt de handtekening van de minister van Financiën. Op pagina drie ontbreken de namen van de contactpersonen en ook lijkt de handtekening van het hoofd van Financiën te ontbreken. Op pagina drie staat wel vermeld dat volgens de PtP-procedure er drie in plaats van twee offertes opgevraagd hadden moeten worden, met daarbij vermoedelijk de handtekening van [betrokkene 3], gelet op de stempel van de financial controller van VROMI.

Verder staat op pagina twee van het advies een kruisje bij ‘to be handled in the Council of Ministers’. In het dossier zit ook een beslisblad van de ministerraad van 6 december 2017. De beslissing is conform advies, namelijk een betaling van Naf 137.023,23 en een aanbetaling van 50%. Op pagina drie van het advies is opgeschreven dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat niet uit het dossier is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd, maar wel wordt aangegeven dat [bedrijf 3] de opdracht heeft gekregen.

Zoals hiervoor al genoemd heeft op 11 december 2017 een betaling plaatsgevonden van de overheid van Sint Maarten aan [bedrijf 3] ten bedrage van Naf 146.395,75 met de omschrijving ‘50% dep for [aanbestedingsproject] – Naf. 74.884,13’ en ‘50% dep [aanbestedingsproject] Naf 68.511,62’. Op 12 december 2017 wordt op de bankrekening van [bedrijf 3] een bedrag van Naf 146.395,75 bijgeschreven met als omschrijving ‘(...) [aanbestedingsproject]’. Op 22 januari 2019 werd een bedrag van Naf 22.455,49 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 3] met als omschrijving ‘50% [aanbestedingsproject]’. Op 23 april 2019 werd een bedrag van Naf 17.091,91 overgeboekt naar [bedrijf 3] met als omschrijving ‘[aanbestedingsproject]’.

[Aanbestedingsproject 3]

Onderhavig project is toegekend aan het bedrijf [bedrijf 3]. Het bedrijf [bedrijf 3] heeft op 10 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 49.873,44, [bedrijf 1] heeft op 11 oktober 2017 een offerte van NAf 58.750 ingediend. Bij beide offertes is niet gespecificeerd hoe zij aan het totaalbedrag zijn gekomen. In de offerte van [bedrijf 1] ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening.

De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het ‘[aanbestedingsproject 3]’ in [plaats]. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht.

Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 24 november 2017 opgesteld. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG van het ministerie van VROMI. Op pagina twee lijkt de minister van Financiën op 30 november 2017 geen akkoord te hebben gegeven voor deze financiering. Vervolgens lijkt er toch een akkoord te zijn van de minister van Financiën op 1 december 2017, waarbij staat vermeld: ‘reasons for not approving have been addressed’. Op pagina drie staat bij contactpersoon 1: [betrokkene 9] en bij contactpersoon 2: [betrokkene 13]. Op pagina drie van het advies is opgeschreven dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat niet uit het dossier is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd, maar wel wordt aangegeven dat [bedrijf 3] de opdracht heeft gekregen. Verder ontbreekt op pagina drie de handtekening van het hoofd van Financiën.

De afdeling FBBB merkt op 29 november 2017 op dat er niet voldaan is aan de PtP-procedure, aangezien er op basis van het bedrag drie offertes noodzakelijk waren. Echter, merken zij ook het volgende op (vrij vertaald): ‘Uit de toelichting op het advies blijkt echter dat het moeilijk zou zijn om een ​​derde partij ervan te overtuigen dat dergelijke uitgaven verband houden met orkaan Irma’.

Op 4 december 2017 is door de overheid van Sint Maarten een bedrag van Naf 49.873,44 naar de rekening van [bedrijf 3] overgemaakt met als omschrijving: ‘Contstruction of [aanbestedingsproject 3]’. Aldus is binnen drie dagen na akkoord het totale bedrag overgemaakt aan [bedrijf 3], terwijl in het advies werd aangegeven dat er een aanbetaling van 50% zou worden gedaan.

[Aanbestedingsproject 4]

Dit project is toegekend aan het bedrijf [bedrijf 3]. Het bedrijf [bedrijf 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 13.598,18 en [bedrijf 1], óók op 5 oktober 2017, een offerte ten bedrage van NAf 15.278,10. Op de offerte van [bedrijf 1] staat geen naam van de vertegenwoordiger van het bedrijf, geen CRIB-nummer en de offerte was niet ondertekend. Ook de offerte van [bedrijf 3] is niet ondertekend en is niet voorzien van een naam van een vertegenwoordiger van het bedrijf. Bij beide offertes is niet gespecificeerd hoe zij aan het totaalbedrag zijn gekomen. De offerte van [bedrijf 3] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en op 11 oktober 2017 heeft [verdachte] een getekende brief naar [medeverdachte 4] gestuurd, inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het project [aanbestedingsproject 4]. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 9] de contactpersonen zijn voor deze opdracht.

Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 1 december 2017 opgesteld. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG van VROMI. Op de derde pagina van het advies is opgeschreven dat twee bedrijven met laservaring zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat niet uit het dossier is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd, maar wel wordt aangegeven dat [bedrijf 3] de opdracht heeft gekregen. Verder ontbreekt op de derde pagina een handtekening van het hoofd van Financiën en zijn de namen van de contactpersonen niet ingevuld.

Opvallend is dat [medeverdachte 3] op 20 september 2018 met het e-mailadres van haar werk navraag doet over de betalingen aan [bedrijf 3] voor de [aanbestedingsproject 4]. Op 8 december 2017 ontving het bedrijf NAf 6.794,59 van de overheid (50% [aanbestedingsproject 4]). Op 21 september 2018 ontving het bedrijf het resterende deel.

6.6.2.6. De betalingen aan en de uitgaven van [bedrijf 3]

Uit de bankgegevens van de [bank] blijkt het volgende met betrekking tot de voor de tenlastegelegde aanbestedingen overgemaakte bedragen aan [bedrijf 3] in de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2018:

 Op 5 december 2017 ontvangt het bedrijf NAf 49.873,44 van de overheid;

 Op 8 december 2017 ontvang het bedrijf NAf 6.794,59 van de overheid;

 Op 12 december 2017 ontvangt het bedrijf NAf 146.395,75 van de overheid;

 Op 21 september 2018 ontvangt het bedrijf Naf 81.678,71 van de overheid.

In voornoemde periode is eveneens een bedrag van in totaal NAf 9.338,17 bijgeschreven op de bankrekening waarbij geen relatie bestond tot de aanbestedingen.

In 2019 werden er eveneens nog bedragen overgemaakt aan [bedrijf 3] in het kader van de aanbestedingen:

 Op 22 januari 2019 werd door het Land Sint Maarten een bedrag van Naf 22.455,49 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 3] met als omschrijving ‘50% [aanbestedingsproject]’.

 Op 23 april 2019 werd door het Land Sint Maarten een bedrag van Naf 17.091,91 overgeboekt naar [bedrijf 3] met als omschrijving ‘[aanbestedingsproject]’.

Met betrekking tot de uitgaven in de periode van 5 december 2017 tot en met 31 december 2018 van [bedrijf 3] kan van de volgende uitgaven worden gezegd dat er twijfels bestaan over de vraag of deze enigszins te maken hebben met de aanbestedingen:

 [ [medeverdachte 3] neemt cashbedragen op van in totaal Naf 86.418,05;

 [ [medeverdachte 4] neemt cashbedragen op van in totaal NAf 11.364,-;

 Aan [betrokkene 14] wordt op 7 december 2017 een cheque uitgeschreven van NAf 4.987,-;

 Betalingen van belastingen aan de Landsontvanger van in totaal NAf 55.706,-;

 Op 8 januari 2018 wordt een bedrag van NAf 29.700,- overgemaakt naar [bedrijf 4]. Dit bedrijf is op hetzelfde adres ingeschreven als [bedrijf 3]. De moeder van [medeverdachte 3], [betrokkene 15], is de managing director van dit bedrijf. De bedrijfsdoelstelling van [bedrijf 4] is volgens het uittreksel in de KVK: beleggingen en onroerend goed.

 Op 5 oktober 2018 wordt een bedrag van Naf 25.812,- overgemaakt naar [betrokkene 15].

 Op 12 januari 2018 wordt een betaling verricht aan [bedrijf 5] van in totaal NAf 26.200,-;

 Op 12 oktober 2018 wordt een cheque afgeschreven aan [bedrijf 6] ter waarde van NAf 9.000,-.

Deze uitgaven opgeteld betreft een totaalbedrag van NAf 249.187,05.

In dit kader acht het Gerecht voorts van belang om op merken dat voorafgaand aan de overheidsbetalingen op 5 december 2017 het saldo van de bankrekening NAf 2.440,88 bedroeg. Het eindsaldo op 31 december 2018 bedroeg NAf 1.629,-. Het onderzoeksteam komt tot de conclusie dat vermoedelijk een bedrag van NAf 238.987,62 (NAf 249.187,05 - NAf 9.338,17 (overige inkomsten en - eindsaldo bankrekening NAf 1.629,62) afkomstig van het geld voor de aanbestedingen, niet daadwerkelijk is gebruik voor de aanbestedingen.

6.6.2.7. Verklaringen [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]

De verdachte is op 15 januari 2025 verhoord bij de politie. Hij verklaarde – in de kern – dat hij in het Kabinet van VROMI een ‘chief of staff’ had die alles regelde (het Gerecht begrijpt: Chef de Kabinet, te weten [medeverdachte 3]). Als alles was geregeld dan tekende de verdachte. Verder kon de verdachte zich alle hiervoor vermelde projecten niet (goed) herinneren. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte nagenoeg gelijkluidend.

[Medeverdachte 3] is op 23 januari 2024 verhoord als verdachte bij de politie. In de periode van december 2016 tot en met januari 2018 was zij de Chef de Kabinet bij het ministerie van VROMI. [Verdachte] was minister van VROMI van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018. In haar functie als Chef de Kabinet assisteerde zij de minister. Zij was onder meer belast met het lezen van adviezen voordat deze adviezen naar de minister gingen. Als de offertes onderdeel waren van het advies, dan las zij deze offertes ook. Het was belangrijk om, als onderdeel van het advies, de juistheid van de informatie te controleren voordat de minister het in behandeling zou nemen. De minister bepaalde of een bedrag in een factuur realistisch was voor een project. Met betrekking tot de projecten kan zij zich niet herinneren door wie binnen het ministerie van VROMI het bedrijf [bedrijf 3] is benaderd. Op de vraag waarom 50% werd aanbetaald bij bepaalde projecten geeft zij aan dat een aannemer een bepaald deel vooraf krijgt, zodat het bedrijf met het werk kon beginnen. Zij verklaarde verder 50% aandeelhouder van het bedrijf [bedrijf 3] te zijn. Zij assisteerde het bedrijf met administratieve zaken. Het klopt dat zij belastingaangiften heeft getekend als directeur.

[Medeverdachte 4] is op 17 mei 2023 verhoord als verdachte bij de politie. De projecten kwamen (het Gerecht begrijpt: in algemene zin) onder zijn aandacht door een nieuwsbericht in de krant of via een projectleider van VROMI. Dan ontving hij vervolgens een TOR en diende hij zijn ‘quotation’ (offerte) in.

[Medeverdachte 1] is op 17 december 2024 verhoord als verdachte bij de politie. In de kern verklaarde [medeverdachte 1] met betrekking tot de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten dat de offertes uit naam van [bedrijf 1] niet door hem zijn opgemaakt en vals zijn.

Tussenconclusies met betrekking tot de aanbestedingsprojecten

In de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vallen het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden op.

Allereerst stelt het Gerecht vast dat het ontbreken van een kostenraming en een term of references (TOR) bij de verschillende overheidsprojecten als zeer ongebruikelijk kan worden bestempeld (ook bij onderhandse aanbestedingen), nu hierdoor vooraf geheel onduidelijk is hoeveel de projecten volgens de overheid (ongeveer) hadden moeten gaan kosten en onduidelijk blijft wat de doelstellingen waren en wie de verantwoordelijken waren van het specifieke project. Het Gerecht kan hierdoor ook niet – los van de vraag of de projecten überhaupt een (onderhandse) aanbestedingsroute hebben gevolgd – vaststellen of bij voornoemde projecten de juiste aanbestedingsroute is gevolgd. In het verlengde daarvan valt naar het oordeel van het Gerecht ook niet vast te stellen of het door het Land Sint Maarten betaalde bedrag voor de projecten reële bedragen zijn, temeer nu de in de offertes van [bedrijf 3] genoemde bedragen uiterst summier/niet zijn onderbouwd. Kort gezegd zijn de betreffende offertes op geen enkele wijze toetsbaar.

Met betrekking tot de offertes acht het Gerecht verder nog de volgende punten van belang om op te merken. In het dossier bevinden zich ten aanzien van alle tenlastegelegde projecten steeds twee offertes, namelijk van de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 3]. Op basis van het dossier valt niet vast te stellen of en, zo ja, door wie deze bedrijven zijn uitgenodigd om een offerte in te dienen voor de verschillende projecten. Mogelijk dat het de verdachte is geweest die (in ieder geval) [bedrijf 3] heeft benaderd aangezien uit de offertes volgt dat [bedrijf 3] heeft aangegeven dat ‘op verzoek’ (‘as per your request’) van de verdachte de locaties van de volgende projecten zijn bezocht: [aanbestedingsproject 3], [aanbestedingsproject 1], en [aanbestedingsproject 4] [aanbestedingsproject 4]. Het bedrijf [bedrijf 3] richtte haar offertes ook steeds persoonlijk aan de verdachte. Uit de hiervoor door de getuigen beschreven werkwijze volgt dat een aannemer wordt benaderd door de afdeling IM, en ook dat de offertes worden bekeken en beoordeeld door de afdeling IM nu dit de afdeling is die hiervoor bij uitstek de kennis en kunde heeft. Dat de minister deze offerte kennelijk zelf heeft beoordeeld acht het Gerecht dan ook zeer ongebruikelijk. Van enige betrokkenheid van de afdeling IM bij de onderhavige projecten lijkt überhaupt geen sprake.

Naast het feit dat de in de offertes van [bedrijf 3] en [bedrijf 1] genoemde bedragen en de uit te voeren werkzaamheden niet/uiterst summier zijn onderbouwd, valt verder op dat de offertes van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 3] bij alle projecten, met uitzondering van het [aanbestedingsproject 3]-project, op dezelfde dag zijn ingediend. Anders dan bij de andere projecten werd bij het [aanbestedingsproject 3]-project bovendien op dezelfde dag als het indienen van de offerte door [bedrijf 3], het project al toegezegd door de verdachte aan [bedrijf 3]. Bij de overige projecten zat hier een (zeer korte) periode van enkele dagen tussen.

Daarbij is in de offertes van beide bedrijven niet gespecificeerd waaruit de werkzaamheden bestonden en welk bedrag daartegenover behoorde te staan. In de offertes van [bedrijf 1] ontbrak zelfs bij alle offertes de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. De FBBB concludeerde in bovengenoemde adviezen – kort gezegd – dat de offertes te simplistisch waren opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen.

Gelet op al het voorgaande en in het licht van de overige inhoud van het dossier, waaronder de verklaring van [medeverdachte 1], houdt het Gerecht het ervoor dat de offertes van het bedrijf [bedrijf 1] uitsluitend zijn opgesteld om de schijn te wekken dat een tweede onderneming bij de aanbestedingsprojecten was betrokken en dat de gebruikelijke aanbestedingsprocedure werd gevolgd. In zoverre gaat het Gerecht er dan ook vanuit dat deze offertes vals zijn.

Dan acht het Gerecht het voorts zeer opmerkelijk dat de verdachte in alle gevallen (binnen een dag of enkele dagen na het indienen van de offerte) de projecten in een persoonlijke brief al heeft toegekend aan het bedrijf [bedrijf 3] van [medeverdachte 4]. Dit deed de verdachte nog voordat het gehele adviestraject was afgerond. De stelling van de verdediging dat deze toezeggingen van de projecten door de verdachte werden gedaan aan [bedrijf 3], onder voorbehoud van een positief advies, volgt het Gerecht het niet. Dit blijkt immers op geen enkele wijze uit de inhoud van de brieven. Naar het oordeel van het Gerecht kan de inhoud van de brieven ook niet op deze wijze worden geïnterpreteerd.

In dit kader merkt het Gerecht verder nog op dat de verdachte vervolgens, zonder daarvoor ter terechtzitting en/of bij de politie een verklaring te hebben gegeven, de adviesbladen voor akkoord heeft ondertekend, ondanks de bezwaren van (onder andere) zijn financial controller binnen het ministerie van VROMI en de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën. Het is het Gerecht opgevallen dat zowel de SG van het ministerie van VROMI en het hoofd van Financiën geen enkel advies hebben getekend. Ook ontbreekt in sommige gevallen de handtekening van de minister van Financiën. De verklaring van [getuige 3], [functie 4 binnen de overheid van Sint Maarten], inhoudende dat hij door de verdachte niet meer werd betrokken bij de adviezen in het kader van de aanbestedingen volgt aldus, in deze specifieke gevallen, ook uit het ontbreken van zijn handtekening op de adviesbladen. De persoon die in voornoemde brief van de verdachte als contactpersoon is genoemd, getuige [betrokkene 12], heeft verklaard geen van de onderhavige projecten te kennen.

Het stempel ‘Urgent’ op de adviesbladen roept bij het Gerecht eveneens vraagtekens op. De verdachte heeft deze gestelde urgentie naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende concreet kunnen onderbouwen. Daar komt bij dat een nadere motivering van die urgentie – die, zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, in dat geval vereist zou zijn – niet in de stukken is aangetroffen. Bovendien is reeds gebleken dat sommige projecten al voorafgaand aan de advisering zouden zijn opgepakt.

Tot slot overweegt het Gerecht dat bij alle projecten een aanbetaling van 50% van het totaalbedrag is afgesproken. Los van de vraag of dit gebruikelijk is, blijkt uit de inhoud van de stukken, waaronder de verklaring van [medeverdachte 3], (logischerwijs) dat deze aanbetalingen bedoeld waren om materialen voor de projecten aan te schaffen, om zodoende, zo begrijpt het Gerecht, voortvarend te kunnen starten met de werkzaamheden. Bij alle projecten is de helft van het totaalbedrag na de toezeggingen van de verdachte ook overgemaakt aan [bedrijf 3], waarbij het Gerecht opmerkt dat in het geval van het [aanbestedingsproject 3]-project zelfs het gehele bedrag in één keer is overgemaakt.

Uit het hiervoor weergegeven onderzoek naar de bankgegevens van [bedrijf 3] volgt naar het oordeel van het Gerecht dat vrij kort nadat bedragen vanuit het Land Sint Maarten worden overgemaakt, contante geldopnamen worden gedaan door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], geld werd uitbetaald aan derden (onder andere) in de vorm van cheques en geld werd overgemaakt naar (het bedrijf van) de moeder van [medeverdachte 3]. Het Gerecht heeft uit het dossier nergens kunnen afleiden dat voornoemde uitgaven zijn gebruikt voor de aan [bedrijf 3] genoemde projecten.

Conclusie feit 4 (medeplegen oplichting)

Het Gerecht dient de vraag te beantwoorden of de verdachte, samen met zijn medeverdachte(n), het Land Sint Maarten heeft bewogen tot afgifte van goederen (geldbedragen) en het aangaan van schulden aan [bedrijf 3] door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels.

Op basis van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, beantwoordt het Gerecht die vraag bevestigend. De hele gang van zaken kan tot geen andere conclusie leiden dan dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gepoogd de indruk te wekken dat de aanbestedingsprocedures op de juiste wijze zijn doorlopen, zodat het Land de beste prijs zou krijgen voor de betreffende aanbesteding, terwijl de tenlastegelegde projecten al direct op voorhand – nog voordat er überhaupt een advies binnen de overheid was uitgebracht – door de verdachte waren toegewezen aan [bedrijf 3]. Het Gerecht beschouwt hierbij de afgifte van een schriftelijke opdracht als het aangaan van een schuld, nu daarmee door de (aldus) ontstane overeenkomst een betalingsverplichting ontstaat. Deze onjuiste voorstelling van zaken hebben de verdachte en zijn medeverdachten in het leven geroepen door middel van een combinatie van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Het Gerecht wijst in dit verband op voornoemde omstandigheden zoals het ontbreken van een TOR en een kostenraming met betrekking tot de projecten, de sterk simplistische, niet toetsbare offertes van [bedrijf 3] en [bedrijf 1], waarbij het Gerecht offertes van de zijde van [bedrijf 1] als vals aanmerkt, het feit dat de offertes (bijna allemaal) op dezelfde dag werden ingediend (met bijna identieke omschrijvingen) en de offertes van [bedrijf 3] veelal nog op dezelfde dag – zonder voorafgaand (financieel en inhoudelijk) onderzoek en zonder adviezen van betrokken medewerkers – werden goedgekeurd door de verdachte, waarbij anderen (zoals de afdeling IM), ook later tijdens de adviesprocedure, niet betrokken werden. Daarbij komt dat alle adviesbladen het stempel ‘urgent’ dragen terwijl die urgentie onvoldoende, of zelfs geheel niet, uit het dossier naar voren komt.

Uit de verklaring van de verdachte vloeit verder voort dat hij, de verdachte, alles tekende, zodra het beoordeeld en goed was bevonden door [medeverdachte 3]. Uit de hiervoor beschreven werkzaamheden van [medeverdachte 3] als Chef de Kabinet leidt het Gerecht af dat [medeverdachte 3] directe invloed had op het toekennen van de overheidsprojecten aan [bedrijf 3].

Aan de stelling van de verdediging dat de verdachte de gangbare procedures niet kende, dan wel niet behoefde te kennen, gaat het Gerecht voorbij. Naast het feit dat het Gerecht van oordeel is dat de verdachte als minister van VROMI verantwoordelijk is voor de aanbestedingsprocedure binnen zijn ministerie en hij dus (op zijn minst in grote lijnen) moet weten van de geldende procedures, had de verdachte naar het oordeel van het Gerecht in deze specifieke gevallen in ieder geval kennis van het feit dat de procedures niet goed waren doorlopen. Hij werd daar in de adviezen namelijk duidelijk op geattendeerd door de financial controller van het ministerie van VROMI en de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën. Het Gerecht concludeert dan ook dat de verdachte geen enkele boodschap had aan de inhoud van de adviezen. Daaruit kan weer worden afgeleid dat hij, met of zonder die adviezen, de projecten hoe dan ook aan het bedrijf [bedrijf 3] zou gunnen, wat de verdachte, zo blijkt ook uit het hiervoor overwogene, overigens ook al had gedaan nog voordat het adviestraject überhaupt was afgerond.

Dat hierbij de minister van Financiën in sommige gevallen het adviesblad heeft getekend en dat de Raad van Ministers ook in sommige gevallen akkoord is gegaan met het toekennen van projecten aan [bedrijf 3], doet naar het oordeel van het Gerecht niet aan het voorgaande af. Zij mochten er namelijk op vertrouwen dat de verdachte als minister van VROMI en dus eindverantwoordelijke voor het gunnen van deze projecten, gelet op zijn ambtseed, integer en betrouwbaar zijn werk zou doen. Zij hadden er dan ook geen rekening mee hoeven te houden dat de verdachte, voordat zij hun adviezen/handtekening hadden gegeven, de projecten al had weggegeven aan [bedrijf 3]. Evenmin behoefden zij er rekening mee te houden dat de stukken die wel beschikbaar waren enkel tot doel hadden om te doen alsof de juiste procedure was gevolgd en er aldus een eerlijke en marktconforme (onderhandse) aanbesteding had plaatsgevonden.

Aldus kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien.

Oogmerk

Het oogmerk van de verdachte was gericht op het wederrechtelijk bevoordelen van (in ieder geval) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] middels het bedrijf [bedrijf 3]. Hiervoor is reeds overwogen dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het merendeel van de ontvangen gelden van het Land Sint Maarten, door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] niet is gebruikt voor bijvoorbeeld de aankoop van materialen om zodoende op een voortvarende manier aan de slag te gaan. Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werden daarentegen contante geldbedragen opgenomen waarvan tot op de dag van vandaag onbekend is gebleken welke bestemming deze geldbedragen hebben gehad. Ook zijn er geldbedragen overgemaakt naar (het bedrijf van) de moeder van [medeverdachte 3], terwijl er op geen enkele wijze is onderbouwd dat zij (of haar bedrijf) een relatie heeft met de aan [bedrijf 3] gegunde projecten. Met betrekking tot de uitgeschreven cheques is niet gebleken dat deze geheel of ten dele zijn gebruikt voor het uitvoeren van de projecten. [Medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben hiervoor geen, althans geen afdoende, verklaring gegeven. Het Gerecht kan, gelet op het voorgaande, dan ook geen ander conclusie trekken dan dat het oogmerk van de verdachte gericht was op deze hele constructie, die tot doel had om projecten toe te wijzen aan [bedrijf 3] en zo een grote hoeveelheid geld van het Land Sint Maarten te ontvangen. Dat (deels) projecten vervolgens wel daadwerkelijk zijn gestart, doet naar het oordeel van het Gerecht aan het voorgaande niet af.

Medeplegen

De verdachte had in zijn bediening als minister van VROMI een belangrijke positie bij het toekennen van overheidsprojecten die onder de verantwoordelijk van zijn ministerie vielen. Op basis van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met anderen waarbij verdachtes bijdrage van voldoende gewicht is om hem als medepleger te kwalificeren. De hiervoor door de verdachte beschreven handelingen waren van cruciaal belang om de oplichting van het Land Sint Maarten te laten slagen. Aangezien een project zonder zijn handtekening niet kon worden gegund, was de verdachte van doorslaggevende betekenis.

Het onder 4 tenlastegelegde feit kan op grond van het voren overwogene wettig en overtuigend worden bewezen.

Conclusie feit 5 (medeplegen misbruik van functie)

Uit al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, volgt naar het oordeel van het Gerecht dat eveneens sprake is van (het medeplegen van) misbruik van functie door de verdachte.

De verdachte was gedurende voornoemde handelingen ambtenaar in de zin van artikel 1:205 van het Wetboek van Strafrecht, te weten in zijn hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI. [Medeverdachte 3] was in december 2016 als ambtenaar overgeplaatst naar de functie van senior Vakspecialist en belast met de taak van Chef de Kabinet van de minister van VROMI. [Medeverdachte 3] was aldus ook een ambtenaar in de zin van artikel 1:205 Sr.

Met de hiervoor bewezenverklaarde oplichting is naar het oordeel van het Gerecht het misbruik van beide functies een gegeven. [Verdachte] en [medeverdachte 3] waren in staat om de hiervoor beschreven handelingen te verrichten vanwege respectievelijk de functie van minister van VROMI en die van Chef de Kabinet van de minister van VROMI. De verdachte was immers eindverantwoordelijk voor het gunnen van de projecten en heeft, ondanks de bezwaren van meerdere ambtenaren, de projecten aan [bedrijf 3] gegeven. Ook blijkt uit de adviesbladen dat de minister in alle gevallen de SG van het ministerie van VROMI heeft gepasseerd en in sommige gevallen eveneens de minister van Financiën. Ook is hiervoor geconcludeerd dat [medeverdachte 3] directe invloed had op de toewijzing van de projecten aan [bedrijf 3], het bedrijf waarvan zij op dat moment aandeelhouder was en waarvan [medeverdachte 4], haar partner, eigenaar is. De hiervoor beschreven gedragingen zouden naar het oordeel van het Gerecht bij een normale uitoefening van de beider functies achterwege zijn gebleven. [Verdachte] en [medeverdachte 3] hebben evenwel de financiële belangen van (ieder geval) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] vooropgesteld, in plaats van het belang van het Land Sint Maarten dat zij dienden uit hoofde van hun functie.

Het Gerecht is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet zonder meer duidelijk is geworden of de verdachte zelf ook voordeel heeft verkregen, waardoor dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.

Het Gerecht heeft voorts de tenlastelegging zo begrepen dat de opsteller daarvan de verdachte onder feit 5 eveneens verwijt dat sprake was van misbruik van functie in het kader van het [project 1]. Van een samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 3] met betrekking tot het [project 1] is het Gerecht evenwel niet gebleken, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Het Gerecht komt aldus tot de conclusie dat bij de hiervoor besproken feiten en omstandigheden opzettelijk door [verdachte] en [medeverdachte 3] misbruik is gemaakt van de functie van [verdachte] als minister van VROMI en de functie van [medeverdachte 3] als Chef de Kabinet van de minister van VROMI. Hierbij was op basis van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3]. Verdachtes hiervoor omschreven bijdrage aan het delict is van voldoende gewicht om hem als medepleger te kwalificeren.

Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 5 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

7. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht – op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 (aannemen steekpenningen (ZD 1))

hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten, als ambtenaar, te weten als (demissionair) Minister van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (hierna: “VROMI”),

meermalen

voor zichzelf gift(en) en/of belofte(n) heeft aangenomen van en/of heeft gevraagd aan [medeverdachte 2],

zijnde die gift(en) en/of belofte(n):

één of meer geldbedrag(en), aangeduid als mango’s en/of ‘grafted’ mango’s en/of ‘electronic’ mango’s;

wetende dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) hem, verdachte, werden gedaan, verleend en/of aangeboden,

teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht handelend, in zijn bediening iets te doen of na te laten en/of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, al dan niet in strijd met zijn plicht handelend, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten,

te weten het:

Feit 2 (misbruik van functie (ZD 1))

hij in de periode van 10 mei 2017 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, als ambtenaar, te weten als (demissionair) Minister van het ministerie van VROMI,

meermalen

opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets heeft gedaan of heeft nagelaten te doen,

namelijk door anders dan om (enkel) zakelijke redenen:

- beslissing(en) op bouwvergunningen [bouwvergunning 2] en/of [bouwvergunning 3] en/of [bouwvergunning 4], te versnellen en/of te vertragen en/of uit te stellen en/of (nog) vertrouwelijke en/of interne overheids- en/of (nog) niet openbare informatie over de procedure en/of het beslisproces (adviesbladen) te delen met [medeverdachte 2] en/of te beslissen op aanvra(a)g(en),

teneinde één of meerdere geldbedrag(en), aangeduid als mango’s en/of ‘grafted’ mango’s en/of ‘electronic’ mango’s, voor hemzelf, verdachte, te verkrijgen,

en

teneinde enig voordeel voor een ander te verkrijgen, te weten betaling van werkzaamheden ten gunste van [medeverdachte 2];

Feit 4 (oplichting (ZD 2))

hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen

met het oogmerk om anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

het Land Sint Maarten, heeft bewogen tot de afgifte van goederen en het aangaan van schulden, te weten:

Project “[aanbestedingsproject 3]”

Project “[aanbestedingsproject 4]”

Project “[aanbestedingsproject 1]”

Project “[aanbestedingsproject 2]”

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergeven, listiglijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

aldus doende hebben [medeverdachte 3] en verdachte zich voorgedaan als een betrouwbare en integere ambtenaar en Minister van het ministerie van VROMI, waardoor het Land Sint Maarten werden bewogen tot de afgifte van bovengenoemde goederen en/of aangaan van schulden en verlening van opdrachten;

Feit 5 (misbruik van functie (ZD 2))

hij in de periode van 10 mei 2017 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3], welke [medeverdachte 3] handelend als ambtenaar, te weten als Chef de Kabinet van het ministerie van VROMI,

als ambtenaar, te weten als (demissionair) Minister van het ministerie van VROMI,

meermalen

opzettelijk met misbruik van zijn (verdachtes) en haar ([medeverdachtes]) functie en/of positie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen,

namelijk door anders dan om (enkel) zakelijke redenen:

- de volgende opdrachten/projecten aan [bedrijf 3] ([bedrijf 3]) te verstrekken/gunnen/aanbesteden:

o “[aanbestedingsproject 3]”; en/of

o “[aanbestedingsproject 4]”; en/of

o “[aanbestedingsproject 1]”; en/of

o “[aanbestedingsproject 2]”;

teneinde enig voordeel voor anderen, zijnde [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], te verkrijgen, te weten de afgifte van opdrachten en geldbedragen en het aangaan van schulden;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn voorzien bij en strafbaar gesteld in artikelen 1:123, 2:305, 2:351 en 2:354 van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten worden als volgt gekwalificeerd:

feit 1:

als ambtenaar een belofte en/of een gift aannemen, wetende dat deze hem aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd.

feiten 2 en 5:

medeplegen van het als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen teneinde enige voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd;

feit 4:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

10. Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door de Gerechten en het Hof plegen te worden opgelegd. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als toenmalig minister van VROMI schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) misbruik van functie, oplichting en het aannemen van steekpenningen. Dit zijn ernstige misdrijven. Juist in zijn hoedanigheid als minister had de verdachte een maatschappelijke voorbeeldfunctie en mochten aan zijn handelen de hoogste eisen worden gesteld. De verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een schrijnend gebrek aan moreel besef ten aanzien van het vertrouwen en de verantwoordelijkheid die hem door het Land Sint Maarten zijn toevertrouwd. De verdachte heeft met zijn handelwijze het vertrouwen dat burgers in het openbaar bestuur moeten kunnen hebben, dan ook ernstig geschaad. Het handelen van de verdachte heeft bovendien een ondermijnende invloed op de samenleving als geheel en levert eveneens ernstige imagoschade op voor het Land Sint Maarten.

Waar het de persoon van de verdachte betreft, overweegt het Gerecht als volgt. De verdachte heeft een blanco strafblad. Deze strafzaak heeft onmiskenbaar diep ingegrepen in het leven van de verdachte. Als publieke figuur in een kleine gemeenschap is hij in zijn aanzien aangetast. Het Gerecht heeft oog voor de gevolgen die dit voor de verdachte heeft gehad. Daarin wordt evenwel geen grond voor strafmatiging gevonden. Deze nadelige consequenties vloeien immers rechtstreeks voort uit zijn eigen handelen. Het Gerecht overweegt voorts dat hetgeen de verdachte heeft gesteld ten aanzien van zijn verbondenheid met het Land Sint Maarten en zijn betrokkenheid bij de samenleving, niet goed te rijmen valt met de ernst van zijn handelen, waarbij de verdachte dan toch zijn persoonlijk gewin boven het landsbelang heeft gesteld en het in hem gestelde vertrouwen zwaar heeft beschaamd. Dat de bewezenverklaarde feiten inmiddels langer geleden hebben plaatsgevonden doet niet af aan de ernst van de feiten. Wel is het Gerecht, overigens met het Openbaar Ministerie, van oordeel dat dit tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat.

Het belang van generale preventie weegt in deze zaak bovendien zwaar. Voor de samenleving moet buiten twijfel staan dat een handelwijze als die van de verdachte ontoelaatbaar is, nu slechts op die wijze kan worden gewaakt over de integriteit van het landsbestuur van Sint Maarten.

De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen voorts de bijkomende straffen van ontzetting van het passieve kiesrecht en het recht om enig ambt te bekleden. De langdurige en ernstige integriteitsschending is onverenigbaar met het optreden als overheidsdienaar, in welke hoedanigheid ook.

Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf van 32 maanden passend en geboden. Daarnaast zal de verdachte worden ontzet van het passieve kiesrecht en het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren.

De op te leggen gevangenisstraf is wat lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf, mede omdat het Gerecht tot een beperktere bewezenverklaring komt dan die waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd.

Redelijke termijn

Het Gerecht constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het Gerecht gaat er – met de officier van justitie – vanuit dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op de datum van de huiszoeking, 10 mei 2023. Daarmee was sprake van een handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Tussen die datum en de datum waarop het Gerecht vonnis zal wijzen (26 maart 2026) ligt een periode die de redelijke termijn met ruim 10 maanden overschrijdt. Naar het oordeel van het Gerecht komt deze overschrijding voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking, in lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Het Gerecht zal een strafkorting toekennen aan de verdachte van 3 maanden. Dit betekent dat de door het Gerecht passend geachte gevangenisstraf van 32 maanden wordt verminderd naar een gevangenisstraf van 29 maanden.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:64, 1:123 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 en 5 ten laste gelegde voor zover dat ziet op de periode vóór 10 mei 2017;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 29 (negenentwintig) maanden;

ontzet de verdachte van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 (vijf) jaren;

ontzet de verdachte van het recht tot lid van algemeen vertegenwoordigende organen te worden verkozen voor de duur van 5 (vijf) jaar.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.C. Bours, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittingsgriffier), en op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Curaçao alwaar de rechter en de griffier zich bevinden).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?