ECLI:NL:OGEAM:2026:45

ECLI:NL:OGEAM:2026:45

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer SXM202400076, SXM202500025, SXM202500036 tot en met SXM202500051, SXM202500075, SXM202500076, SXM202500078 en SXM202500211
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen WB, LB, premies AOV/AWW en AVBZ en BBO al dan niet in combinatie met vergrijpboetes opgelegd. Het gaat om diverse correcties naar aanleiding van boekenonderzoeken.

Uitspraak

Uitspraak van 27 maart 2026

BBZ nrs. SXM202400076, SXM202500025, SXM202500036 tot en met SXM202500051, SXM202500075, SXM202500076, SXM202500078 en SXM202500211

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:

[Belanghebbende], gevestigd te Sint Maarten,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,

de Inspecteur.

1. PROCESVERLOOP

De naheffingsaanslagen premie AVBZ 2007 en Winstbelasting 2007 en Loonbelasting 2008 en premie AVBZ 2008 en de in verband daarmee opgelegde boetebeschikkingen

Aan belanghebbende zijn op 29 november 2011 en 29 december 2011 naheffingsaanslagen premie AVBZ over respectievelijk de jaren 2007 en 2008 opgelegd naar respectievelijke bedragen van NAf 24.752 en NAf 19.125. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag premie AVBZ 2007 is een vergrijpboete opgelegd van NAf 3.094.

Aan belanghebbende is op 25 november 2011 een naheffingsaanslag winstbelasting (hierna: WB) over het jaar 2007 opgelegd naar een bedrag van NAf 246.333. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van NAf 61.583.

Aan belanghebbende is op 29 september 2011 een naheffingsaanslag loonbelasting (hierna: LB) over het jaar 2008 opgelegd naar een bedrag van NAf 488.282.

Belanghebbende heeft op 27 januari 2012 (LB en premie AVBZ 2008), 2 februari 2012 (WB 2007) en 14 maart 2012 (premie AVBZ 2007) en 31 oktober 2012 (LB 2007) tegen de naheffingsaanslagen en boetes bezwaar gemaakt.

Belanghebbende heeft op 7 april 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

Bij uitspraak van 13 maart 2024, SXM202200513, SXM202200622 tot en met SXM2025500624 en SXM202200626, heeft het Gerecht de zaak met betrekking tot de onder 1.1 tot en met 1.3 vermelde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen teruggewezen naar de Inspecteur met de opdracht om binnen zes maanden (opnieuw) uitspraak op bezwaar te doen.

De Inspecteur heeft op 20 december 2024 uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de onder 1.1 tot en met 1.3 vermelde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen.

Op 10 januari 2025 (premie AVBZ 2007 en 2008 en WB 2007) en 13 januari 2025 (LB 2008) heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van in totaal NAf 350 (twee maal NAf 150 en eenmaal NAf 50).

De Inspecteur heeft op 19 maart 2025 een verweerschrift ingediend.

Op 16 april 2025 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend en op 26 mei 2025 de Inspecteur een conclusie van dupliek. Nadien, tot op de dag van de zitting, hebben partijen nog diverse stukken aan elkaar en het Gerecht doen toekomen.

De naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW, AVBZ en BBO 2017 tot en met 2020 en de in verband daarmee opgelegde boetebeschikkingen

Aan belanghebbende is op 30 december 2022 (ter behoud van rechten) een naheffingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2017 opgelegd naar een bedrag van NAf 50.000. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van NAf 12.500.

Belanghebbende heeft op 10 januari 2023 tegen de naheffingsaanslag en boete premie AVBZ 2017 bezwaar gemaakt.

Op 27 november 2023 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag premie AVBZ 2017 bij uitspraak op bezwaar verminderd naar een bedrag van NAf 3.812 en een boete van NAf 953.

Op 15 januari 2024 heeft belanghebbende daartegen beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

Op 11 september 2024 is het beroep tegen de naheffingsaanslag premie AVBZ 2017 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is in Sint Maarten verschenen mr. E.A. Jansen, verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is verschenen M.M.F. van Grinsven-Trinidad LL.M en L.J.B. Vanblarcum Msc. Ter zitting is door het Gerecht vastgesteld dat de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag en boete premie AVBZ 2017 onderdeel uitmaken van een reeks naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen, waaronder de onder 1.1 tot en met 1.3 genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. In overleg met partijen is besloten om alle nog lopende zaken van belanghebbende op een nader te bepalen datum in één keer te behandelen. Daarbij zijn tevens met partijen afspraken gemaakt over termijnen waarbinnen zij stukken zullen aanleveren. De behandeling van het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete premie AVBZ 2017 is aangehouden tot die nader te bepalen datum.

De naheffingsaanslag premie AVBZ 2017 is opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek. Naar aanleiding van dat boekenonderzoek zijn voorts nog de volgende naheffingsaanslagen en boetes opgelegd:

- naheffingsaanslagen premie AVBZ 2018 tot en met 2020 naar bedragen van NAf 5.049 (2018), NAf 5.282 (2019) en NAf 3.088 (2020). Tegelijktijdig met deze naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd naar bedragen van NAf 1.262 (2018), NAf 1.320 (2019) en NAf 772 (2020);

- naheffingsaanslagen LB 2017 tot en met 2020 naar bedragen van NAf 150.000 (2017), NAf 48.309 (2018), NAf 45.390 (2019), NAf 17.860 (2020). Tegelijktijdig met deze naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd naar bedragen van NAf 37.500 (2017), NAf 12.077 (2018), NAf 11.347 (2019) en NAf 2.232 (2020);

- naheffingsaanslagen premies AOV/AWW 2017 tot en met 2020 naar bedragen van NAf 100.000 (2017), NAf 35.348 (2018), NAf 36.979 (2019) en NAf 21.610 (2020). Tegelijktijdig met deze naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd naar bedragen van NAf 25.000 (2017), NAf 4.418 (2018), NAf 4.622 (2019) en NAf 5.402 (2020), en

- naheffingsaanslagen BBO 2017 tot en met 2020 naar bedragen van NAf 51.310 (2017), NAf 1.246 (2018), NAf 5.655 (2019) en NAf 26.212 (2020). Tegelijktijdig met deze naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd naar bedragen van NAf 12.827 (2017), NAf 311 (2018),NAf 1.413 (2019) en NAf 6.553 (2020).

Belanghebbende heeft op 10 januari 2023 (LB, premies AOW/AWW en AVBZ 2017), 9 maart 2023 (BBO 2017), 12 januari 2024 (premie AVBZ 2018 en 2019), 11 maart 2024 (BBO 2017 tot en met 2020), 23 mei 2024 (LB 2018 en 2019 en premie AVBZ 2020), 18 juni 2024 (premies AOV/AWW 2018 tot en met 2020) en 19 december 2024 (LB 2020) bezwaar gemaakt.

Op 6 november 2023 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag LB 2017 ambtshalve verminderd naar een bedrag van NAf 26.537 en een boete van NAf 6.634, op 17 oktober 2023 de naheffingsaanslag premies AOV/AWW 2017 naar een bedrag van NAf 26.052 en een boete van NAf 3.256 en op 27 november 2023 de naheffingsaanslag AVBZ 2017 naar een bedrag van NAf 3.812 en een boete van 953 (zie ook 1.13).

Op 13 oktober 2023 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag BBO 2017 ambtshalve verminderd naar een bedrag van NAf 26.486 en een boete van NAf 6.621.

De Inspecteur heeft op 20 december 2024 uitspraken gedaan op de bezwaren tegen alle naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen die zijn vermeld onder 1.16, behoudens op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking LB 2020, waarop de Inspecteur op 25 februari 2025 uitspraak heeft gedaan.

Op 15 januari 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen alle hiervoor genoemde uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van in totaal NAf 750 (5 maal NAf 150).

De Inspecteur heeft op 17 maart 2025 (inzake de LB en premies AOV/AWW) en 19 maart 2025 (inzake de premie AVBZ en BBO) verweerschriften ingediend.

Op 16 april 2025 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend en op 23 mei 2025 de Inspecteur een conclusie van dupliek. Nadien, tot op de dag van de zitting, hebben partijen nog diverse stukken aan elkaar en het Gerecht doen toekomen, waaronder, door beide partijen, een pleitnota.

Op 4 juni 2025 is het beroep tegen alle onder 1.16 genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen op zitting behandeld. Namens belanghebbende is verschenen mr. E.A. Jansen, verbonden aan [X] en [A] van [Y], het kantoor dat de administratie voor belanghebbende verzorgt. Namens de Inspecteur is verschenen mr. M.M.F. van Grinsven-Trinidad LL.M en L.J.B. Vanblarcum Msc, alsmede V. Medema, namens de SBAB.

2. Feiten

Belanghebbende is op 23 juni 2003 opgericht. De door haar gedreven onderneming is actief vanaf 1 april 2004.

Directeur van belanghebbende is de heer [B]. De administratie voor wat betreft de jaren 2007 en 2008 is verzorgd door mevrouw [A] van [Y].

Het geplaatst kapitaal bedraagt US$ 10.000. Op 10 januari 2006 zijn alle aandelen verkocht aan [Z], gevestigd op Nevis voor US$ 175.000.

De ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het exploiteren van een restaurant annex café en een ‘Game Room’.

Feiten met betrekking tot de naheffingsaanslagen WB 2007, premie AVBZ 2007 en 2008 en LB 2008

In 2011 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 2004 tot en met 2007 door controlemedewerker [C] van de afdeling controle & opsporing van de Belastingdienst. Het rapport dateert van 19 september 2011. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn naheffingsaanslagen premie AVBZ 2007 en WB 2007 opgelegd. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd.

De naheffingsaanslagen LB 2008 en premie AVBZ 2008 zijn niet naar aanleiding van het boekenonderzoek opgelegd, maar bij de aanslagregeling. Ter zake van die naheffingsaanslagen zijn geen boetes opgelegd.

Voor wat betreft de administratieve verplichtingen en de bewaarplicht is in het controlerapport, voor zover van belang, het volgende vermeld:

3.3 Administratieve verplichtingen

Tijdens het controle heeft de belastingplichtige niet artikel 40 van de A.L.L. 2001 voldaan. Ik heb herhaaldelijk aan belastingplichtige en Derden ([XX]) om inlichtingen gevraagd maar tot nu toe deze ontvangen. [Naar het Gerecht aanneemt is het woordje ‘niet’ weggevallen en zijn de gevraagde inlichtingen niet ontvangen].

Op basis van artikel 43 van de Algemene Landsverordening Landsbelasting (A.L.L. 2001) zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:

Er is een gebrekkige administratie voor wat betreft het bewijs van betaling v/d kosten. De primaire administratie v.w.b. de betalingen aan de derden over de jaren 2004 t/m 2007.

Niet alle bankafrekeningen zijn tijdens dit boekenonderzoek aan mij overhandigd.

Gedurende dit onderzoek heb ik op verschillende tijdstippen gevraagd naar de bewijsstukken/onderbouwing inzake verschillende de posten opgenomen op de balansen en specifieke kosten op de winst en verlies rekeningen 2004 t/m 2007.

Tijdens het controle is bekend gemaakt door belastingplichtige dat hij met meerdere banken zaken deden dan alleen met de [XY]. Gedurende het controle heb ik naar de bankafschriften van desbetreffende banken gevraagd, maar tot nu toe heb ik nog géén andere Bankafschrift ontvangen, behalve datgene van [XY] rekening nummers US$ [nummer 1] en NAfl [nummer 2] gedurende de periode 1 Juni t/m 31 december 2007.

Bewaarplicht

Op basis van artikel 43, lid 6 van de A.L.L. 2001, zijn de administratieplichtigen verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende 10 jaar te bewaren.

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de volgende delen van de administratie niet zijn bewaard:

de betalingsbewijzen van de Franchise Fees over de jaren 2004 t/m 2007;

de bewijs van de ontvangsten in verband met de verkoop van aandelen;

niet alle Bankafschriften zijn aan mij tijdens dit onderzoek overhandigd;

in de boekhouding zijn geen rekening gehouden met een eind voorraad.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, lid 6 van de A.L.L. 2001. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zgn. omkering bewijslast.’

WB 2007

Voor wat betreft de WB 2007 zijn de volgende correcties in geschil: inkopen van NAf 163.587, franchise fees van NAf 227.840, extra ordinary expenses van NAf 284.800 en consulting fees van NAf 40.690. Ter zake daarvan is in het controlerapport het volgende vermeld:

‘6.1 Inkopen

Bij de beoordeling van de berekening van de voorraad is het volgende geconstateerd:

Opvallend is dat de post “Voorraad” op de balans niet voorkomt. Belastingplichtige heeft ten onrechte geen rekening gehouden met een eind voorraad. Ik heb tijdens verschillende gesprekken met de adviseur gevraagd hoe er hiermee wordt omgegaan. De adviseur heeft mij verteld dat vanwege het feit dit bedrijf heel snel de voorraad verkoopt er hier door aan het eind van het jaar weinig voorraad overblijft, wordt met een eind voorraad géén rekening gehouden.

Daarom hebben zij besloten om elk jaar de ingekochte voorraad als daadwerkelijk verkochte voorraad te boeken. Ik heb de adviseur geinformeerd dat dit niet mogelijk was (Goed koopmans gebruik) omdat er aan het eind van de jaar ondanks het feit de voorraad het bedrijf snel wordt verkocht, blijft toch aan het eind van het jaar voorraad over.

In een compromis hebben wij besloten om 10% van de voorraad voor de jaren 2004 t/m 2007 in mindering op de winst te corrigeren.

Zoals hierboven vermeld staat wordt volgens de afgesproken percentage, 10% per jaar van de inkopen verminderd. Voor (…) 2007 US$ 91.903 (10% van $ 919.034).

[Gerecht: gecorrigeerd wordt voor het jaar 2007 US$ 91.903 x 1,78 = NAf 163.587].

Op de W&V rekeningen 2005, 2006 en 2007 komen de volgende bedragen van respectievelijk US$ 48.000, US$ 128.000 en US$ 128.000 als Franchise fees voor. Gedurende deze controle periode heb ik op verschillende tijdstippen de adviseur dhr. [D] naar bewijs van betalingen en motivering van kosten gevraagd. De adviseur kon geen concrete motivatie rondom deze kosten aangeven. Wat voor mij opmerkelijk was is het feit dat twee jaar de oprichting van [Belanghebbende] een franchise in het leven wordt geroepen vanuit het eiland Nevis. Ook opmerkelijk voor mij was dat er geen vastlegging van betaling kon worden overhandigd.

Als enig document heb ik een overeenkomst tussen belastingplichtige en de Franchiseverlener d.d. 9 januari 2006 ontvangen. Ik heb de adviseur voor het laatst de tijd gegeven om alsnog deze kosten te bewijzen en onderbouwen maar dit is helaas niet gebeurd.

Gezien de volgende feiten worden deze kosten niet door mij geaccepteerd als daadwerkelijk zakelijke kosten en wordt door mij aangemerkt als een constructie om de winst te verlagen en de Sint Maartense heffingsgrondslag uit te hollen.

er is géén enkele vastlegging van deze kosten overhandigd;

het Franchise contact is op 9 januari 2006 ondertekend, terwijl kosten reeds in 2005 ten laste van de winst zijn gebracht;

geen bewijs is overhandigd waaruit blijkt dat de bedrijfsnaam “[handelsnaam van belanghebbende]” als beschermd merknaam is geregistreerd bij een internationaal erkend bureau voor intellectuele eigendom;

het sluiten van een Franchise-overeenkomst heeft vanuit een bedrijfseconomisch oogpunt het voordeel dat dat de franchisenemer kan profiteren van de naamsbekendheid en meteen een compleet beproefd product- of dienstenpakket aan het publiek kan aanbieden. In het onderhavige geval is de naamsbekendheid en het concept “[handelsnaam van belanghebbende]” in Sint Maarten opgebouwd en geniet al enige bekendheid. De zakelijkheid van het afsluiten van een franchiseovereenkomst en het overnemen van een reeds door belastingplichtige in gebruik genomen bedrijfsnaam, kan derhalve worden betwist. Géén weldenkend ondernemer zou zo’n onzakelijke transactie aangaan;

niet is aannemelijk gemaakt dat naast de belastingplichtige ook andere ondernemingen zijn die onder de bedrijfsnaam “[handelsnaam van belanghebbende]” opereren. Gelet op de kleinschaligheid, kan mijns inziens geen sprake zijn van een Franchise.

Deze kosten worden gecorrigeerd. (…)

[Gerecht: gecorrigeerd wordt voor het jaar 2007 US$ 128.000 x 1,78 = NAf 227.840].

Extra-Ordinary expense

Volgens artikel 5 lid 1 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 worden uitgaven ter verwerving, inning en behouden van de voordelen genoemd in artikel 4 van de Landsverordening op de Winstbelasting beschouwd als zakelijke kosten.

Op de winst en verliesrekening 2007 komt het bedrag ten laste van de winst voor, Extra Ordinary expense ten bedrage van US$ 160.000. Belastingplichtige heeft de Extra Ordinary kosten niet aannemelijk kunnen maken door;

Als onderbouwing van deze kosten heb ik een copie van een rechtszaak aangegaan door de voormalige directeur groot aandeelhouder dhr. [B] en dhr. [E] van [YX]. De adviseur heeft mij verteld dat deze kosten in 2007 zijn gedaan om een zaak te beginnen. Namelijk een internet gok bedrijf.

Als gevolg van de hiervoor genoemde feit worden deze kosten niet als bedrijfskosten volgens artikel 5 lid 1 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 in aanmerking genomen.

[Gerecht: gecorrigeerd wordt voor het jaar 2007 US$ 160.000 x 1,78 = NAf 284.800].

Consulting Fees

Op grond van artikel 5, lid 1, van de Landsverordening Winstbelasting 1940, zijn kosten die uitsluitend betrekking hebben op de verwerving, inning en behoud van de voordelen die zuiver verkregen worden uit bedrijf en uit buiten bedrijf gebezigd kapitaal, aftrekbaar.

Op de Winst en Verlies rekeningen 2006 en 2007 komen respectievelijk US$ 43.200 en US$ 22.860 voor als Consulting fees. Van deze kosten heb ik géén onderbouwing ook géén facturen gekregen om te kunnen beoordelen of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Ook verwijs ik naar de verplichting opgenomen in artikel 43, lid 7 van de A.L.L. 2001, niet voldaan is.

Belastingplichtige heeft met voorgenoemd geen rekening gehouden.

Rekening houden met de voorgenoemde verplichtingen worden deze kosten door mij niet geaccepteerd.

[Gerecht: gecorrigeerd wordt voor het jaar 2007 US$ 22.860 x 1,78 = NAf 40.690].

Na correcties bedraagt het gecorrigeerd belastbaar bedrag NAf 714.010 en de daarover verschuldigde belasting NAf 246.333. De over de belasting verschuldigde boete bedraagt NAf 61.583.

Premie AVBZ 2007

Voor wat betreft het jaar 2007 heeft de controlerend ambtenaar gedurende diens boekenonderzoek geconstateerd dat er geen aansluiting is tussen de salariskosten in de verlies- en winstrekening (US$ 569.437) en de salarissen die zijn vermeld op de verzamelloonstaat (US$ 449.762). Desgevraagd heeft belanghebbende voor dat verschil (US$ 119.675) geen verklaring kunnen geven. De Inspecteur heeft het verschil (na omrekening in NAf) van NAf 213.021 als loon in aanmerking genomen, daarover NAf 10.028 aan premie AVBZ berekend en ter zake een naheffingsaanslag AVBZ 2007 opgelegd. Bij de genoemde berekening is het anoniementarief gehanteerd.

Eveneens tijdens het boekenonderzoek over het jaar 2007 heeft de controlerend ambtenaar vastgesteld dat in 2007 tot een bedrag (omgerekend in NAf) van NAf 100.493 betalingen hebben plaatsgevonden aan muzikant [F] (Music and Live Entertainment) die niet in de loonadministratie zijn opgenomen. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat [F] in 2007 in loondienst was bij belanghebbende. Hij heeft het (netto) loon van NAf 100.493 omgerekend tot een brutoloon van NAf 148.550, daarover NAf 2.971 aan premie AVBZ berekend en ter zake een naheffingsaanslag AVBZ voor het jaar 2007 opgelegd.

Het heikele punt tijdens het boekenonderzoek betreft de correctie ‘Fooien en dergelijke prestaties van derden’. Met betrekking tot dit onderwerp is in het controlerapport het volgende vermeld:

Fooien en dergelijke prestaties van derden

Loon is volgens art. 6 lid 1 op de Landsverordening LB 1976 al hetgeen is ontvangen. Op grond van art. 4, lid 3 van deze verordening wordt de werkgever aangewezen als inhoudingsplichtige.

De fooien dienen dus onderhevig te zijn aan de loonbelasting. De inspectie normen bedragen: als er geen rekeningen worden gehouden met de fooien, dan wordt 10% van de omzet als loon aangemerkt.

Tijdens het inleiding gesprek heeft de Manager dhr. [B] aangegeven dat er géén rekening wordt gehouden met de fooien.

De fooien en dergelijke prestaties van derden zijn tot het loon van de betreffende werknemers gerekend.

Gecorrigeerd als (netto) loon (fooien) is voor het jaar 2007 10% van de omzet van belanghebbende, te weten 10% x NAf 4.752.833 is NAf 475.283. De Inspecteur is bij de berekening van het nettoloon naar het brutoloon uitgegaan van een verschuldigde loonbelasting van 12,5%, zijnde een gemiddeld percentage van de lonen. Over het berekende brutoloon van NAf 582.276 heeft de Inspecteur NAf 11.646 aan premie AVBZ berekend en ter zake een naheffingsaanslag AVBZ over het jaar 2007 opgelegd.

De naheffingsaanslag AVBZ 2007 bedraagt NAf 24.752 en is samengesteld uit de volgende bedragen: NAf 10.028 (aansluitingsverschil; zie 2.7), NAf 2.971 ([F], zie 2.8), NAf 11.646 (fooien; zie 2.9) en NAf 107 (privé gebruik auto). De correctie privé gebruik auto is niet in geschil. De daarmee in verband opgelegde boete bedraagt NAf 3.094.

LB 2008 en premie AVBZ 2008

In het jaar 2008 is blijkens de verlies- en winstberekening een bedrag van NAf 327.479 aan ‘casual labor’ en een bedrag van NAf 78.327 aan ‘bonussen’, totaal NAf 405.806, ten laste van de winst gebracht.

De Inspecteur heeft deze bedragen aangemerkt als loon en gebruteerd met inachtneming van het anoniementarief tot een brutoloon van NAf 956.244. Ter zake van het berekende brutoloon is een naheffingsaanslag LB 2008 opgelegd naar een bedrag van 488.282, alsmede naheffingsaanslagen premies AOV/WW 2008 en AVBZ 2008 van respectievelijk NAf 102.980 en NAf 19.125.

Aan de naheffingsaanslagen LB 2008 en premie AVBZ 2008 ligt de volgende berekening ten grondslag, uitgaande van een anoniementarief van 53,75%:

Brutoloon NAf 956.244

Af: premie AOV/AWW werknemersdeel 6,5% NAf 47.812

Grondslag LB NAf 908.432

LB 53,75% NAf 488.342

Premie AVBZ WN 1,5% van bruto NAf 14.344

Netto NAf 405.806

Naheffing

LB 53,75% NAf 488.282

Premie AOV/AWW 14% NAf 102.980

Premie AVBZ 2% NAf 19.125

Feiten met betrekking tot de naheffingsaanslagen BBO, LB, premies AOV/AWW en AVBZ over de jaren 2017 tot en met 2020

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften BBO 2017 tot en met 2020, LB 2017 tot en met 2020, AOV/AWW 2017 tot en met 2020 en AVBZ 2017 tot en met 2020 door de Stichting Belastingaccountantsbureau (hierna: SBAB).

Het boekenonderzoek is aangekondigd op 17 augustus 2022, het controlerapport dateert van 23 mei 2023 en is toegezonden aan belanghebbende op 10 juli 2023.

Ook gedurende deze periode is de heer [B] werkzaam als directeur van belanghebbende en is de administratie verzorgd door mevrouw [A] van [Y]. De aandelen van belanghebbende worden gehouden door [YY], gevestigd op Sint Maarten.

Op 19 december 2019 zijn voor alle middelen naheffingsaanslagen over het jaar 2017 opgelegd ter behoud van rechten.

Tijdens het boekenonderzoek is de controlerend ambtenaar tot de conclusie gekomen dat niet voldaan is aan de administratieplicht en aan de bewaarplicht. Het controlerapport vermeldt ter zake:

Administratieplicht

Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:

1. Omdat een (groot) deel van de omzet per kas wordt ontvangen dient belastingplichtige een sluitende kasadministratie te voeren. Uit de volgende constateringen blijkt dat dit niet het geval is:

 er wordt geen kasboek bijgehouden;

 in de controlejaren worden ontvangsten aan het einde van de maand geboekt in de grootboekrekening “Cash on hand”;

 het kassaldo volgens de grootboekrekening is gedurende de controlejaren regelmatig negatief;

 op 31 december 2020 werd een bedrag in de rekening-courant bijgeboekt om het kassaldo van de grootboekrekening “Cash on hand” kloppend te krijgen;

2. Er wordt geen voorraadadministratie bijgehouden;

 Het voorraadsaldo per balansdatum volgens de jaarrekening is geschat;

3. De goederenbeweging is het aanknopingspunt voor de dienstverlenende onderneming met een beweging van eigen goederen. Aangezien dat er geen voorraadadministratie wordt bijgehouden en de inventarisatielijsten niet zijn bewaard kan ik de volledigheid van de omzet niet op basis van de primaire vastleggingen vaststellen.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering van de bewijslast.

Bewaarplicht

Op basis van artikel 43, leden 2 en 6 ALL zijn administratieplichtigen verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende 10 jaar te bewaren.

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de volgende onderdelen van de administratie niet zijn bewaard:

Z-afslagen van de dagen 28 januari, 29 januari, 15 maart, 24 maart, 4 december en 14 december over het jaar 2020;

Inventarisatielijsten.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, leden 2 en 6 ALL. In dit verband heb ik inhoudingsplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast.

BBO 2017 tot en met 2020

Gedurende het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar vastgesteld dat er gedurende alle jaren (2017 tot en met 2020) sprake was negatieve kassaldi. Daarnaast heeft de controlerende ambtenaar vastgesteld dat per 31 december 2020 een bedrag in contanten van US$ 92.000 in de kas is gestort, hetgeen volgens belanghebbende een storting in privé is van de directeur van belanghebbende.

De controlerend ambtenaar heeft (de saldi van) de negatieve kassaldi en het bedrag dat boekhoudkundig als storting door de directeur van belanghebbende is aangemerkt als meer omzet gecorrigeerd en daarover BBO berekend.

Gedurende het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar voorts verschillen geconstateerd tussen de omzet zoals deze is vermeld in de jaarrekening en de omzet waarover BBO is voldaan. Na rekening te hebben gehouden met van BBO vrijgestelde leveringen (verkoop van flessen water) heeft de Inspecteur het verschil tussen de met de verkoop water gecorrigeerde omzet volgens de jaarrekening en de omzet waarover BBO is berekend, gecorrigeerd en daarover BBO berekend.

Het vorenstaande heeft aanleiding gegeven tot de volgende correcties:

Correcties op basis van negatieve kassen en storting directeur

2017

2018

2019

2020

Wisselgeld

320

-

320

320

Hoogste negatieve kas

64.884

-

13.254

128.451

Correctie in de rekening-courant

-

-

-

92.000

Correctie in US dollars

65.204

-

13.574

220.771

Koers in guldens (x 1,78)

116.064

-

24.162

392.972

Correcties vanwege aansluitingsverschil tussen omzet jaarrekening en volgens aangiften:

2017

2018

2019

2020

Omzet volgens jaarrekening

3.283.212

3.796.088

4.014.445

2.203.458

Af: omzet volgens aangiften BBO

2.770.107

3.659.030

3.789.270

2.022.218

Aansluitingsverschillen

513.105

137.058

225.175

181.240

Af: berekende omzet ivm water

99.452

112.140

136.234

49.982

Belaste omzet

413.653

24.918

88.941

131.258

Na te heffen BBO:

2017

2018

2019

2020

BBO negatieve kassen/storting (5%)

5.803

-

1.208

19.649

BBO over aansluitingsverschil (5%)

20.683

1.246

4.447

6.563

Totale naheffing BBO

26.486

1.246

5.655

26.212

LB, premies AOV/AWW en AVBZ voor de jaren 2017 tot en met 2020

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen en boetes opgelegd voor de LB, premies AOV/AWW en AVBZ over de jaren 2017 tot en met 2020. De naheffingsaanslagen hangen nauw met elkaar samen; veelal zijn het dezelfde correcties die ten grondslag liggen aan meerdere naheffingsaanslagen. De in geschil zijnde correcties zijn: de correctie ‘casual labor’, ‘music and entertainment’, ‘subcontractor’, ‘repair and maitenance’ en ‘fooien’.

Voor wat betreft de post ‘casual labor’ is een correctie aangebracht voor de premies AOV/AWW en de AVBZ, niet voor de LB. De controlerend ambtenaar is er voor de LB vanuit gegaan dat de loonbetalingen ter zake van ‘casual labor’ zijn gedaan aan werknemers die het minimum uurloon hebben ontvangen en waarvoor het LB percentage 0% bedraagt.

De post ‘casual labor’ maakt onderdeel uit van de hoofdgrootboekrekening ‘Payroll Expenses’, maar de bedragen die in de jaren 2017 tot en met 2020 zijn uitbetaald maken geen deel uit van de verzamelloonstaat en ter zake van die betalingen zijn dan ook geen LB en premies AOW/AWW en AVBZ afgedragen.

In het overzicht hierna zijn de netto uitbetaalde bedragen vermeld, alsmede de bedragen die deel uitmaken van de naheffingsaanslagen premies AOV/AWW en AVBZ over de jaren 2017 tot en met 2020.

Betalingen

2017

2018

2019

2020

Casual labor (netto loon)

30.936

25.586

-

2.848

Na te heffen LB

-

-

-

-

Na te heffen premie AOV/AWW

4.078

3.894

-

433

Na te heffen premie AVBZ

673

556

-

62

Gedurende de jaren 2017 tot en met 2020 hebben verschillende muzikanten bij belanghebbende opgetreden. Ter zake van die optredens is geen LB en premie AOV/AWW en AVBZ ingehouden en afgedragen. Door de controlerend ambtenaar zijn de muzikanten, die alleen met hun voornaam, bijnaam of artiestennaam in belanghebbendes administratie zijn opgenomen, aangemerkt als werknemer in (fictieve) dienstbetrekking. De betalingen aan de muzikanten zijn door de controlerend ambtenaar aangemerkt als netto loon. Ter zake daarvan zijn naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ over de jaren 2017 tot en met 2020 opgelegd. Zie het overzicht hierna.

Betalingen

2017

2018

2019

2020

Music and entertainment (netto loon)

49.146

61.998

83.994

33.923

Na te heffen LB

26.370

32.437

44.505

17.636

Na te heffen premie AOV/AWW

11.492

14.371

19.554

7.846

Na te heffen premie AVBZ

1.642

2.053

2.793

1.121

In de jaren 2017 tot en met 2020 zijn onder verschillende kostenposten betalingen gedaan aan de [G]. In 2017 en 2018 zijn deze betalingen geboekt onder de post ‘Casual Labor, in 2019 als ‘Net salaries aan Bank’, een subrekening van de hoofdrekening ‘Payroll Liabilities’ en in 2020 onder de kostenpost ‘Subcontractor’. De betalingen aan [G] zijn niet in de loonadministratie opgenomen en er zijn derhalve geen LB en premies ingehouden en afgedragen. In de jaren 2017 en 2018 heeft belanghebbende twee betalingen aan [G] gedaan, in 2019 11 maandelijkse betalingen en in 2020 12 maandelijkse betalingen.

Door de controlerend ambtenaar en de Inspecteur zijn de betalingen aan [G] aangemerkt als loon en zijn naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd. Zie het overzicht hierna.

Betalingen

2017

2018

2019

2020

Betalingen aan [G]

3.916

3.916

21.538

18.758

Na te heffen LB

167

161

885

224

Na te heffen premie AOV/AWW

609

608

3.342

2.588

Na te heffen premie AVBZ

87

87

477

370

Onder de kostenpost “Cleaning and Bathroom Supplies’, een subrekening van de hoofdrekening ‘Repair and Maintenance’ is in 2017 een bedrag van NAf 9.767 (US$ 5.587) betaald aan mevrouw [H]. Dit totaalbedrag is de som van maandelijkse betalingen. Het betreffen nettobetalingen waarover geen LB en premies zijn ingehouden en afgedragen.

Belanghebbende heeft verklaard, dan wel namens belanghebbende is verklaard, dat mevrouw [H] het eiland heeft verlaten en dat zij niet bereikbaar is voor belanghebbende.

Door de controlerend ambtenaar en de Inspecteur zijn de betalingen aan [H] aangemerkt als loon en zijn naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd. Zie het overzicht hierna.

Betalingen

2017

Betalingen aan [H]

9.767

Na te heffen LB

-

Na te heffen premie AOV/AWW

1.297

Na te heffen premie AVBZ

185

Belanghebbende heeft over de jaren 2017 tot en met 2020 geen fooienadministratie bijgehouden. De controlerend ambtenaar en de Inspecteur zijn van mening dat gegeven de aard van de onderneming er fooien betaald moeten zijn, dat ter zake een administratie bijgehouden had moeten worden en dat over de ontvangen fooien loonbelasting en premies ingehouden en afgedragen hadden moeten worden.

De controlerend ambtenaar heeft op 6, 9 en 11 februari 2023 waarnemingen ter plaatse (hierna: WTP’s) uitgevoerd dan wel laten uitvoeren met als doel vast te stellen hoeveel fooien er aan het personeel wordt verstrekt.

De WTP’s zijn van te voren, op 2 februari 2023, aangekondigd. Van de WTP’s is een afzonderlijk rapport opgemaakt dat mede aan belanghebbende is verstrekt.

Het bedrag aan contante fooien in dollars bedroeg op 6 februari 2023: US$ 21,50, op 9 februari 2023: US$ 121 en op 11 februari 2023: US$ 55,52, ofwel gemiddeld US$ 66,01. Omgerekend in NAf’s bedraagt het gemiddelde aan contante fooien per dag: NAf 117,50. Het bedrag aan fooien dat op genoemde dagen via de betaalautomaat is ontvangen bedroeg op 6 februari 2023: US$ 46,50, op 9 februari 2023: US$ 150 en op 11 februari US$ 105,40. Omgerekend bedraagt het gemiddelde aan fooien ontvangen via de betaalautomaat NAf 179,12. In totaal (contant en via de betaalautomaat) bedraagt het gemiddelde aan fooien per dag NAf 296,62.

Op basis van informatie van de directeur van belanghebbende, de heer [B], is belanghebbende 312 dagen per jaar geopend. Voor wat betreft het jaar 2017 dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat belanghebbende was gesloten in verband met de gevolgen van de orkaan Irma, en in 2020 met het feit dat belanghebbende was gesloten in verband met COVID-19. Daarmee rekening houdend was belanghebbende in 2017: 190 dagen geopend en in 2020: 238 dagen.

Op basis van het vorenstaande zijn de volgende bedragen aan fooien aangemerkt als loon en zijn naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd. Zie het overzicht hierna.

Berekening fooien per jaar

2017

2018

2019

2020

Gemiddelde fooien per dag

296,62

296,62

296,62

296,62

Aantal dagen geopend

190

312

312

238

Berekend fooien

56.358

92.545

92.545

70.596

Na te heffen LB

15.711

Na te heffen AOV/AWW

8.576

16.475

14.083

10.743

Na te heffen AVBZ

1.225

2.353

2.012

1.535

3. GESCHIL

In geschil is of de door de Inspecteur opgelegde naheffingsaanslagen en boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Anders dan de Inspecteur is belanghebbende van mening dat dit niet het geval is.

Niet langer in geschil is de correctie privé-gebruik auto (AVBZ 2007). Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij zich akkoord verklaard met deze correctie.

Evenmin zijn de correcties met betrekking tot de heer [G] voor de jaren 2017 tot en met 2020 nog in geschil. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de heer [G] op de loonlijst had moeten staan.

4. OVERWEGINGEN

Naheffingsaanslagen WB 2007, LB 2008 en premie AVBZ 2007 en 2008 en de boetebeschikkingen WB 2007 en premie AVBZ 2007

Naheffingsaanslag WB 2007

Correctie inkopen

Anders dan in het controlerapport is vermeld, is de correctie inkopen kennelijk nog steeds in geschil. Uit hetgeen belanghebbende in haar conclusie van repliek schrijft, p. 16/20 leidt het Gerecht af dat belanghebbende de correctie inkopen bestrijdt. Omdat van een compromis uit de nadien gewisselde stukken niet(s) is gebleken, gaat het Gerecht er vanuit dat er geen compromis op dit punt is gesloten.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij het niet met de correctie inkopen eens is, gegeven de aard van de onderneming. De onderneming van belanghebbende betreft een restaurantbedrijf waarvoor dagelijks inkopen plaatsvinden. Daarnaast beschikt belanghebbende slechts over beperkte opslagmogelijkheden. Volgens belanghebbende bedragen de wekelijkse inkopen tussen de US$ 10.000 en US$ 20.000 en kan er derhalve niet meer dan US$ 20.000 aan de eindvoorraad worden toegerekend.

De Inspecteur stelt in zijn conclusie van dupliek, p. 4 van 9, dat er op de eerste plaats sprake is van omkering van de bewijslast. Voorts acht de Inspecteur hetgeen de controlerend ambtenaar stelt, te weten dat er minimaal 10% van de kostprijs verkopen op jaarbasis aan eindvoorraad is, niet onredelijk. In dat verband voert de Inspecteur aan dat er vier verschillende grootboekrekeningen zijn waarop inkopen worden geboekt: 5020 Boutique, 5040 sigaretten, 5100 drank en 5060 voedsel en dat de eerste drie categorieën afgerond 28% van de totale kostprijs verkopen vormen.

Voor zover er al sprake is van omkering (en verzwaring) van de bewijslast – immers, de bewijslast ter zake van de hoogte van de kostprijs verkopen rust al op belanghebbende – dient de vaststelling van de kostprijs verkopen op een redelijke schatting te berusten. Datzelfde geldt uiteraard ook indien de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk maakt dat de kostprijs verkopen tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen.

Evenals de Inspecteur is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende ten onrechte geen eindvoorraad heeft opgenomen en dat de kostprijs verkopen als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag in de verlies- en winstrekening terecht zijn gekomen. De door de Inspecteur aangebrachte correctie op de kostprijs verkopen van NAf 163.587 acht het Gerecht evenwel niet redelijk.

Op de eerste plaats is het Gerecht van oordeel dat het in aanmerking genomen percentage van 10 veel te hoog is. Dit betekent dat uitgaande van een 52 weken in een jaar, slechts één keer in de vijf weken de hele voorraad vervangen wordt.

Uitgaande van het percentage van 28% voor ‘Boutique’, ‘sigaretten’ en ‘drank’, resteert voor ‘voedsel’ een percentage van 72%. De omzetsnelheid van ‘voedsel’, veelal versproducten, is hoog. Het Gerecht gaat er vanuit dat ‘voedsel’ wekelijks vers wordt ingekocht. Het resterende percentage van 28 zal voor een belangrijk deel uit ‘drank’ bestaan, dat eveneens geacht wordt een hoge omzetsnelheid te hebben. Daarbij komt nog dat de opslagruimte kennelijk beperkt is, hetgeen ook gevolgen heeft voor de omvang van de voorraden. Dit alles leidt het Gerecht tot de conclusie dat een redelijke schatting van de eindvoorraad niet meer bedraagt dan 5% van de verkopen. Dit betekent dat de eindvoorraad dient te worden bepaald op 5% van US$ 919.034 x 1,78 = NAf 81.794.

Onjuist is dat de controlerend ambtenaar voor alle jaren (2004 tot en met 2007), cumulatief alleen de eindvoorraad corrigeert en daarbij verzuimt om de eindvoorraad van jaar 1 aan te merken als de beginvoorraad van jaar 2, die de kostprijs verkopen verhoogt. De ‘correctie eindvoorraad’ 2006 bedraagt NAf 147.901. Deze dient eveneens te worden gehalveerd (5% in plaats van 10%) tot NAf 73.951.

Met inachtneming van het voorafgaande bedraagt de saldocorrectie van de kostprijs verkopen (eindvoorraad minus beginvoorraad) voor het jaar 2007 NAf 81.794 minus NAf 73.950 is NAf 7.844.

De ‘correctie inkopen’ door de Inspecteur bedraagt NAf 163.587 en is derhalve voor een te hoog bedrag van NAf 155.743 (NAf 163.587 minus NAf 7.844) in aanmerkinggenomen.

Correctie Franchise fees:

De correctie ‘Franchise fees’ is al eens aan de orde geweest in een belastingprocedure voor de winstbelasting 2005. In dat jaar is een bedrag van $ 48.000 als franchise fee ten laste van de winst gebracht. De Raad van Beroep heeft in die procedure, ECLI:NL:ORBBACM:2014:17, onder andere geoordeeld:

“5.5 Het is aan belanghebbende, die in haar jaarstukken en aangifte heeft vermeld dat in 2005 een bedrag aan franchise fees van US$ 48.000 is betaald en dit bedrag in aftrek van haar belastbare winst wenst te brengen, om - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur - aannemelijk te maken dat sprake is van een reële franchise overeenkomst en dat de fees, zoals zij stelt, daadwerkelijk zijn betaald. De Raad acht belanghebbende noch in het een, noch in het ander, geslaagd.

Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd geen bewijzen van betaling van de fees over te kunnen leggen en deze evenmin bij de bank te hebben opgevraagd. De stelling van belanghebbende dat terzake sprake is van, kort gezegd, een overmachtsituatie in verband met orkaan ‘Omar’, acht de Raad niet aannemelijk geworden. De blote stelling van belanghebbende vormt daarvan althans onvoldoende bewijs. Voorts vermag de Raad niet in te zien waarom belanghebbende niet op een andere wijze in haar kennelijke bewijsnood had kunnen voorzien, bijvoorbeeld door overlegging van kopie-bankafschriften en van verklaringen van de wederpartij bij de franchise overeenkomst en van de ontvanger van de fees. Belanghebbende heeft daaromtrent overigens ook geen bewijsaanbod gedaan. Reeds op grond van het voorgaande heeft de Inspecteur naar het oordeel van de Raad de aftrek van de fees terecht geweigerd.

Maar ook indien zou komen zijn vast te staan dat belanghebbende betalingen uit hoofde van de franchise overeenkomst aan de Inc. zou hebben gedaan, dan zouden dergelijke uitgaven slechts dan tot de kosten van de door belanghebbende gedreven onderneming kunnen worden gerekend, indien belanghebbende - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur - aannemelijk maakt dat die uitgaven ten behoeve van haar onderneming zijn gedaan. De Raad acht belanghebbende ook in dat bewijs niet geslaagd. Van enige aan belanghebbende op grond van de franchise overeenkomst toekomende, reële tegenprestatie is niet gebleken.

Belanghebbende gebruikte de naam X al vanaf 1 april 2004 terwijl het gebruik van die naam, naar uit de stellingen van belanghebbende volgt, een wezenlijk onderdeel van de franchise zou moeten zijn. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist en belanghebbende heeft daar tegenover niet aannemelijk gemaakt dat het recht op het gebruik van die naam toekwam aan de Inc. en dat belanghebbende die naam niet zonder vergoeding zou kunnen gebruiken. Ook overigens acht de Raad de in 4.1 weergegeven stellingen van belanghebbende niet voldoende om het bestaan van een reële franchise overeenkomst, waarbij voor belanghebbende tegenover de verplichting betalingen te doen recht op een tegenprestatie bestaat, aannemelijk te achten. Belanghebbende heeft terzake evenmin voldoende concreet (nader) bewijs bijgebracht. Dat er in Z, Verenigde Staten, een restaurant bestaat (kennelijk met een 'two main buffets all day' formule) met de naam ‘X’ is daarvoor onvoldoende. Dit temeer nu de formule van het restaurant van belanghebbende, naar zij ter zitting heeft verklaard: een zogenaamd à la carte restaurant, blijkbaar totaal anders is dan de formule van het in de Verenigde Staten bestaande restaurant met dezelfde naam.

Dit alles leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat het restaurant van belanghebbende deel uitmaakt van een (blijkbaar betrekkelijk kleine) franchiseketen met de naam X en dat de fees zijn overeengekomen voor het gebruik van die naam en van een daarbij behorende formule. Belanghebbende heeft, behoudens de in 2.3 genoemde overeenkomst, ook geen andere documentatie omtrent de totstandkoming van de gestelde franchise overgelegd. Mitsdien is het bestaan van een reële franchise overeenkomst, op grond waarvan belanghebbende recht heeft op enige tegenprestatie, niet komen vast te staan en is evenmin aannemelijk geworden dat de verplichting tot het betalen van franchise fees ten behoeve van de onderneming van belanghebbende is overeengekomen. De Raad is van oordeel dat de Inspecteur de aftrek van de fees terecht heeft geweigerd.”

De feiten en omstandigheden voor het jaar 2007 zijn identiek aan die van het jaar 2005. Belanghebbende heeft geen enkel nader bewijs geleverd. Zo had het voor de hand gelegen dat belanghebbende de franchise-gever verzocht had om nadere informatie te verstrekken, waaronder bewijzen waaruit zou volgens dat belanghebbende bepaalde bedragen heeft betaald. Het Gerecht acht het dan ook niet geloofwaardig dat belanghebbende deel zou uitmaken of heeft gemaakt van een franchiseketen en ziet dan ook geen enkele reden om af te wijken van het oordeel van de Raad van Beroep. Het Gerecht oordeelt dat het door belanghebbende ten laste van de winst 2007 gebrachte bedrag van NAf 227.840 dan ook niet aftrekbaar is.

Correctie Extra ordinary expenses

Belanghebbende heeft voor het jaar 2007 een bedrag van US$ 160.000 (NAf 284.800) ten laste van de winst gebracht voor de investering in een online casinobedrijf in Antigua. Naar belanghebbende stelt is zij bij deze transactie bedrogen (beroepschrift p. 15/20). Belanghebbende heeft in deze kwestie een rechtszaak aangespannen, maar is die rechtszaak gestaakt, na bedreigingen aan het adres van de heer [B] en vernielingen aan de auto van de heer [B].

De aftrek van genoemde ‘extra ordinary expenses’ wordt betwist door de Inspecteur. Alsdan heeft te gelden dat belanghebbende het bewijs levert dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en aftrekbaar zijn van de winst. Belanghebbende is in de op haar rustende bewijslast niet geslaagd. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat de kosten daadwerkelijk zijn betaald, bijvoorbeeld door overlegging van betalingsbewijzen, of in het geval contant zou zijn betaald, het bewijs dat voorafgaande aan die contante betaling(en) gelden zijn opgenomen bij een bank of anderszins. Evenmin is vast komen te staan dat, zo al bewezen kan worden dat een uitgaaf van US$ 160.000 is gedaan, die uitgaaf is gedaan ten behoeve van de onderneming van belanghebbende. Het enige concrete stuk dat behoort tot de stukken van het geding, te weten het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag, lijkt erop te wijzen dat de ‘investering’ is gedaan door de heer [B] in privé. In het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag wordt belanghebbende geen enkele keer vermeld. Het betreft een procedure die is geëntameerd door [B] en in alle passages wordt [B] vermeld als degene die gelden heeft gestort, betaald, jegens wie een wanprestatie is verricht, etc. Dat het hier zou gaan om kosten ten behoeve van de onderneming van belanghebbende is derhalve evenmin aannemelijk gemaakt.

Het vorenstaande leidt voor het Gerecht tot de conclusie en het oordeel dat de ‘extra ordinary expenses’ voor wat betreft het jaar 2007 ten onrechte ten laste van de winst van belanghebbende zijn gebracht. De Inspecteur heeft terecht een bedrag van NAf 284.800 gecorrigeerd.

Het verzoek van belanghebbende om 50% van de kosten als zakelijk te accepteren wordt, nu het op geen enkele wijze is onderbouwd, (eveneens) afgewezen.

Correctie Consulting fees

Voor het jaar 2007 heeft belanghebbende een bedrag van US$ 22.860 (NAf 40.690) als ‘consulting fees’ ten laste van de winst gebracht. Daarbij zou het gaan om bonnen die in een doos waren opgeborgen en dat dit legitieme bedrijfskosten zouden betreffen. Die doos met bonnen zou verloren zijn gegaan door toedoen van de storm Omar in 2008.

De Inspecteur heeft de aftrekbaarheid van genoemde kosten betwist. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft geen bewijs geleverd van de gemaakte kosten en evenmin inzicht verschaft over de aard van de uitgaven, zodat kan worden vastgesteld of de uitgaven al dan niet zijn gedaan ten behoeve van de onderneming van belanghebbende.

Nu enig bewijs met betrekking tot de ‘consulting fees’ ontbreekt, oordeelt het Gerecht dat de ‘consulting fees’ voor het jaar 2007 ten onrechte ten laste van de winst van belanghebbende zijn gebracht. De Inspecteur heeft terecht een bedrag van NAf 40.690 gecorrigeerd.

Het verzoek van belanghebbende om 50% van de kosten als zakelijk te accepteren wordt (eveneens) afgewezen.

Naast de hiervoor besproken correcties heeft de Inspecteur ook nog correcties ‘afschrijving goodwill’ en ‘profit tax’ aangebracht.

De correctie ‘afschrijving goodwill’ ziet op de goodwill die is geactiveerd in verband met de verkoop van de aandelen van belanghebbende aan [Z], gevestigd te Nevis. De winst die bij de verkoop van de aandelen van belanghebbende is gerealiseerd leidt uiteraard niet tot te activeren goodwill bij belanghebbende. Deze correctie is volledig terecht aangebracht en is ook niet in geschil.

De correctie ‘profit tax’ is eveneens terecht aangebracht en evenmin in geschil. Het betreft de verschuldigde winstbelasting die ten laste van de winst van belanghebbende is gebracht. Op grond van artikel 6, lid 2, onderdeel e van de Lv WB is de winstbelasting niet aftrekbaar.

Met inachtneming van het vorenstaande dient het gecorrigeerde belastbare bedrag voor de winstbelasting voor het jaar 2007 als volgt te worden bepaald:

Aangegeven belastbaar bedrag NAf 58.882 -/-

Winstcorrecties:

Geen afschrijving goodwill NAf 35.244

Correctie inkopen NAf 7.844

Correctie franchise fees NAf 227.840

Correctie extra ordinary expenses NAf 284.800

Correctie consulting fee NAf 40.690

Correctie profit tax NAf 20.731

Totaal correcties NAf 617.149

Gecorrigeerd belastbare bedrag NAf 558.267

De verschuldigde belasting over het belastbare bedrag bedraagt NAf 558.267 x 34,5% = NAf 192.602.

Boetebeschikking WB 2007

Aan belanghebbende is ter zake van de correcties die hebben geleid tot de naheffingsaanslag WB 2007 een vergrijpboete opgelegd van 25% wegens grove schuld van NAf 61.563. De boete is als volgt bepaald:

Totaal correcties NAf 772.892

Bij: aangegeven belastbare bedrag NAf 58.882 (-/-)

Gecorrigeerd belastbare bedrag NAf 714.010

Over het gecorrigeerde belastbare bedrag bedraagt de verschuldigde winstbelasting (34,5%) NAf 246.333. Over laatstgenoemd bedrag is de boete van 25% berekend: NAf 246.333 x 25% is NAf 61.583.

Volgens de Inspecteur is sprake van grove schuld vanwege nalatig en onzorgvuldig handelen door belanghebbende. Belanghebbende is meermalen verzocht om de hele kasadministratie, alle bankafschriften en alle facturen te overhandigen, maar heeft verzuimd dit te doen. Er zijn grote bedragen ten laste van de winst gebracht waarvoor geen bewijs kon worden overgelegd en waardoor belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans heeft genomen dat onjuist dan wel onvolledig aangifte zou worden gedaan.

Belanghebbende heeft tegen de aard en omvang van de boete nauwelijks iets ingebracht, anders dan dat de boete dient te worden vernietigd wegens ‘undue delay’.

Uit het boekenonderzoek is gebleken dat de administratie van belanghebbende op onderdelen niet deugdelijk is en dat voor bepaalde kostenposten door belanghebbende geen bewijs is geleverd. Het Gerecht acht het nalatig dat goodwill is geactiveerd en dat daarover ten onrechte is afgeschreven en dat winstbelasting ten laste van het resultaat is gebracht. Dat alles maakt naar het oordeel van het Gerecht dat sprake is van grove schuld, zodat een boete van 25% gerechtvaardigd is en in overeenstemming met de ernst van het vergrijp.

De grondslag van de boete behoeft evenwel correctie. Zoals geconcludeerd in overweging 4.5 is de post ‘correctie inkopen’ tot een te hoog bedrag van NAf 155.743 gecorrigeerd. Het gecorrigeerd belastingbedrag van NAf 714.010 dient te worden bepaald op NAf 714.010 minus NAf 155.743 is NAf 558.267 (zie 4.14). De hierover verschuldigde belasting van NAf 192.602 geldt als boetegrondslag. Alsdan bedraagt de boete NAf 192.602 x 25% is NAf 48.150.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt om vernietiging van de boete. De overschrijding van de redelijke termijn leidt er niet toe dat een boete wordt vernietigd, maar kan wel aanleiding vormen voor een vermindering van de boete. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

Het conceptrapport is op 19 september 2011 aan belanghebbende afgegeven. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waaraan belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (27 maart 2026) is, afgerond 14 jaar en 7 maanden verstreken. Nu bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boete van NAf 48.150 verminderen met 20%, ofwel NAf 9.630, tot een bedrag van NAf 38.520, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

Naheffingsaanslag premie AVBZ 2007

Aansluitingsverschil

Met betrekking tot de correctie die is aangebracht in verband met het aansluitingsverschil tussen de salariskosten in de verlies- en winstrekening en de salarissen vermeld op de verzamelloonstaat van NAf 213.021 heeft belanghebbende geen enkele verklaring gegeven. Niet gedurende of na het boekenonderzoek en evenmin gedurende de onderhavige procedure. Ter zitting is belanghebbende ook gevraagd duidelijkheid te verschaffen omtrent het aansluitingsverschil. Belanghebbende, bij monde van mevrouw [A], heeft toen geantwoord:

“U houdt mij voor dat er een verschil is tussen de verzamelloonstaat en de verlies- en winstrekening van NAf 10.028. Ik geef aan dat daarvoor geen verklaring is.”

Gegeven het vorenstaande ziet het Gerecht geen enkele reden om de door de Inspecteur aangebrachte correctie niet te volgen, en laat deze correctie en de naheffingsaanslag, voor zover deze kan worden toegerekend aan genoemd bedrag van NAf 10.028, dan ook in stand.

Muzikant [F]

Voor zover de naheffingsaanslag premie AVBZ 2007 ziet op het bedrag van NAf 2.971 in verband met de aan [F] gedane betalingen van NAf 100.493 overweegt het Gerecht als volgt.

Niet in geschil is dat [F] niet woonachtig is in het Nederlandse deel van Sint Maarten. [F] is een in het buitenland wonende artiest die in 2007 met grote regelmaat heeft opgetreden bij belanghebbende.

In artikel 3 lid 1 van de Landsverordening op de Loonbelasting 1975 (hierna: Lv LB) is bepaald dat als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en die het uitvoert.

In artikel 3, lid 2, onderdeel d Lv LB is bepaald dat onder een dienstbetrekking tevens wordt verstaan degene die als artiest of beroepssportbeoefenaar optreedt en zijn woonplaats niet in Sint Maarten heeft. In de Memorie van Toelichting, Statenstukken 1975-196-27, nr. 3, p. 6-7 is, voor zover van belang, vermeld,

Hoewel de praktijk uitwijst, dat het grootste deel van de artiesten en beroepssportbeoefenaars in dienstbetrekking is, werd het noodzakelijk geacht het bepaalde in het tweede lid, onder d op te nemen teneinde de artiesten en de beroepssportbeoefenaars die niet in dienstbetrekking zijn onder de werking van de loonbelasting te doen vallen. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan buitenlandse personen, die gedurende korte tijd in de Nederlandse Antillen verblijven [Gerecht: thans te lezen als ‘in Sint Maarten verblijven’] en inkomsten uit hun optreden verwerven. Door de fictie in het tweede lid onder d worden problemen ten aanzien van de vraag of een buitenlandse artiest of beroepssportbeoefenaar al dan niet in dienstbetrekking is bij voorbaat uitgesloten.

Muzikant/artiest [F] valt onder het bepaalde in artikel 3, lid 2, onderdeel d Lv LB en valt naadloos onder het in de Memorie van Toelichting gegeven doel en de strekking van de regeling.

Voor zover al niet op grond van artikel 3 lid 1 Lv LB kan worden geconcludeerd tot een dienstbetrekking, dan is dit volgens het Gerecht zeker het geval op grond van artikel 3, lid 2 onderdeel d Lv LB.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat [F] geen artiest is, omdat in de Van Dale is vermeld dat een artiest een kunstenaar is, dus iemand die kunstwerken schept en dat evenmin sprake is van ‘optreden’, omdat de Van Dale ‘optreden’ beschrijft als een ‘uitvoering geven op een podium’ en [F] niet op een podium optreedt.

Naar het oordeel van het Gerecht zoekt belanghebbende in deze spijkers op laag water en bestaat er voor het Gerecht geen spoor van twijfel dat een muzikant, zoals [F], moet worden beschouwd als een artiest in de zin van de Lv LB.

Uit het vorenstaande volgt dat het Gerecht van oordeel is dat [F] onderworpen is aan de Lv LB en belanghebbende als inhoudingsplichtige moet worden aangemerkt.

Voor wat betreft het verzekerd zijn voor de AVBZ bepaalt artikel 4, lid 1, onderdeel b Lv AVBZ dat verzekerd ingevolge genoemde landsverordening is degene die geen ingezetene is, doch ter zake van in Sint Maarten verrichte arbeid aan loonbelasting is onderworpen. Op grond van hetgeen voornoemd is bepaald, is [F] derhalve eveneens premieplichtig en had belanghebbende premie AVBZ moeten inhouden.

Artikel 10 van het Landsbesluit beperking kring van verzekerden AVBZ bepaalt dat niet verzekerd ingevolge de landsverordening is de niet-ingezetene die ter zake van in Sint Maarten als musicus of anderszins als artiest of als beroepssportbeoefenaar in dienstbetrekking verrichte arbeid aan loonbelasting onderworpen is, indien die dienstbetrekking van korte duur is.

Ook deze uitzondering baat belanghebbende niet. [F] heeft namelijk zeer regelmatig opgetreden voor belanghebbende, te weten 2 tot 7 keer per week en dat in ieder geval gedurende de jaren 2004 tot en met 2007. Van een dienstbetrekking van korte duur was derhalve geen sprake.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Gerecht tot het oordeel dat voor zover de naheffingsaanslag premie AVBZ 2007 ziet op het bedrag van NAf 2.971, in verband met de betalingen aan [F], deze terecht is opgelegd. In dit verband merkt het Gerecht nog op dat belanghebbende de wijze waarop de naheffingsaanslag is berekend, waaronder de brutering, niet heeft betwist.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnotitie van 4 juni 2025 aangegeven dat zij overweegt om de niet ingehouden en afgedragen premie AVBZ 2007 alsnog op [F] te verhalen. Het Gerecht acht het niet geloofwaardig dat belanghebbende, met enige kans op succes, de verschuldigde premie AVBZ 2007 nog op [F] zal (kunnen) verhalen, nu belanghebbende zich nog niet eerder op dit standpunt heeft gesteld. De naheffingsaanslag is meer dan 14 jaar geleden opgelegd en de ‘vordering’ van belanghebbende die uit hoofde daarvan op [F] zou zijn ontstaan (de verhaalsmogelijkheid) is ruimschoots verjaard. Los daarvan laat het zich niet denken dat [F] bereid zal zijn om 18 jaar nadat de optredens hebben plaatsgevonden de verschuldigde premies AVBZ 2007 die voortvloeien uit die optredens, alsnog aan belanghebbende te betalen.

Fooien

De controlerend ambtenaar/Inspecteur heeft 10% van de in 2007 behaalde omzet aangemerkt als fooien, dit bedrag gebruteerd en daarover de verschuldigde premie AVBZ 2007 van NAf 11.646 berekend. Ter zitting van het Gerecht heeft de Inspecteur aangegeven dat de controlerend ambtenaar de correctie destijds heeft gebaseerd op het zogeheten ‘Fooienbesluit’ (P.B. 2007-59). Elders in de stukken van het geding wordt overigens ook door de Inspecteur verdedigd dat, onder andere omdat geen fooienadministratie is bijgehouden de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard en wordt de correctie gebaseerd op een (redelijke) schatting.

Fooien behoren in beginsel tot het loon. Immers in artikel 6, lid 1 Lv LB is bepaald dat loon is ‘al hetgeen onder welke naam of vorm ook uit een bestaande of vroegere dienstbetrekking wordt verkregen’. Met inachtneming daarvan is het ‘Fooienbesluit’ tot stand gekomen. Het ‘Fooienbesluit’ is gegrond op artikel 6C, lid 4 en 5 Lv LB, alwaar is bepaald:

4. De minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.

5. De minister kan in bepaalde gevallen of groepen van gevallen regels geven met betrekking tot het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden dat geacht wordt te zijn genoten. Hij kan ook bepalen dat een bedrag ter zake niet tot het loon behoort.

Het ’Fooienbesluit’, voor zover hier van belang, bepaalt:

1. De inhoudingsplichtige is verplicht loonbelasting in te houden over het bedrag van de fooien dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking van derden heeft verkregen.

2. Voor de toepassing van deze ministeriële beschikking wordt tot het loon gerekend:

a. hetgeen de inhoudingsplichtige als fooien van derden aan de werknemer heeft uitbetaald;

b. ingeval de fooien rechtstreeks ten goede komen aan de werknemer: tien percent van de omzet van de inhoudingsplichtige. Dit loon wordt per loontijdvak evenredig toegerekend aan het loon van de werknemer, met dien verstande dat een afwijkend percentage wordt toegepast, indien de inhoudingsplichtige dan wel de inspecteur aannemelijk maakt, dat de toerekening afwijkt van hetgeen de werknemer feitelijk als fooien van derden heeft genoten.

3. Deze ministeriële beschikking is van toepassing op werknemers, die werkzaam zijn in de bedrijfstakken, respectievelijk bedrijfssectoren hotels, restaurants en activiteiten van casino’s (…).

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1988, het ‘Fooienbesluit’ onverbindend geoordeeld indien het percentage van de omzet genoemd in het ‘Fooienbesluit’ (10%) onvoldoende verband houdt met de fooien die in de genoemde bedrijfstakken of bedrijfssectoren daadwerkelijk plegen te worden ontvangen. De door de Hoge Raad beslechte zaak betrof een casino. Om precies te zijn, heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen:

“Artikel 6C, lid 4 LLB strekt ertoe de Minister bevoegd te maken om voor tot het loon te rekenen fooien een in de praktijk eenvoudig te hanteren waarderingsregel in het leven te roepen. Aangezien belanghebbende de juistheid van die waarderingsregel gemotiveerd heeft bestreden, kan de beoordelen of de aan de Minister toegekende bevoegdheid is overschreden niet geschieden zonder onderzoek naar de gronden waarop deze heeft vastgesteld dat het in de beschikking genoemde percentage van de omzet als grondslag voor de loonheffing zal leiden tot een resultaat dat voldoende verband houdt met de fooien die casino’s op (Z) werkelijk plegen te worden ontvangen.

Indien dat onderzoek uitwijst dat er geen verband is tussen het op grond van de Beschikking bepaalde bedrag aan fooien en het bedrag dat aan fooien dat in casino’s op (Z) werkelijk pleegt te worden ontvangen, kan het enkele gegeven dat de Beschikking voorziet in een tegenbewijsregeling de onverbindendheid van de Beschikking niet opheffen.”

Een onderzoek naar de juistheid van de gehanteerde 10% van de omzet heeft in de onderhavige zaak niet plaatsgevonden. Zie in dit verband de verwijzingsuitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 23 februari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:14. De Inspecteur voert slechts in algemene zin aan dat belanghebbende aan klanten een ‘service charge’ van 15% in rekening brengt. Of, en zo ja tot welke omvang, die ‘service charge’, als fooi, ten goede is gekomen aan de werknemers, is echter niet duidelijk. Wel duidelijk is dat bij waarnemingen ter plaatse, die jaren later in 2023 zijn uitgevoerd, tot veel lagere percentages hebben geleid.

In haar conclusie van repliek schrijft belanghebbende, p. 11/20:

“Reactie op fooienverweer in het verweerschrift d.d. 19 maart inzake aanslagen LB 2008, AVBZ 2007+2008 en de aanslag Winstbelasting 2007

Nu de fooien in het BBO-onderzoek met rapportdatum 23 mei 2023 op een percentage van 2% zijn vastgesteld, zullen wij hierbij moeten aansluiten en dient voor deze correcties een percentage van 2% gehanteerd te worden en dienen de correcties aangepast te worden.

Ook in de LAR uitspraken waarnaar de Inspecteur naar verwijst bevestigen dat LAR rechters vinden dat een percentage van 2% volstaat.”

Naar het Gerecht begrijpt, is ook belanghebbende van mening dat er fooien zijn genoten, echter tot een veel lager bedrag dan door de Inspecteur in aanmerking genomen. Dat zo zijnde, acht het Gerecht voor zover de correctie is gebaseerd op de 10% uit het ‘Fooienbesluit’ niet houdbaar en voor zover deze 10% een schatting betreft op grond van het feit dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, onredelijk. In plaats daarvan zal het Gerecht de fooien voor het jaar 2007 bepalen op 2%, zoals verdedigd door belanghebbende zelf en omdat het Gerecht dit percentage niet onredelijk acht.

Het netto loon ter zake dient bepaald te worden op NAf 4.752.833 x 2% = NAf 95.056. Alsdan bedraagt het brutoloon NAf 118.358, de verschuldigde AVBZ NAf 2.367 en dient de naheffingsaanslag premie AVBZ 2007 in zoverre naar laatstgenoemd bedrag verminderd te worden.

Met inachtneming van het vorenstaande dient de naheffingsaanslag AVBZ voor het jaar 2007 als volgt te worden bepaald:

Correctie aansluitingsverschil NAf 10.028

Correctie [F] NAf 2.971

Correctie fooien NAf 2.367

Correctie privé-gebruik auto NAf 107 (niet in geschil, zie 3.2)

Totaal naheffingsaanslag AVBZ 2007 NAf 15.473

Boetebeschikking AVBZ 2007

Aan belanghebbende is ter zake van de correcties die hebben geleid tot de naheffingsaanslag premie AVBZ 2007 een vergrijpboete opgelegd van 12,5% wegens grove schuld van NAf 3.094, uitgaande van een naheffingsaanslag van NAf 24.752.

Bij het bepalen van de hoogte van het percentage van 12,5% is rekening gehouden met zogenaamde samenloop.

Volgens de Inspecteur is sprake van grove schuld vanwege onzorgvuldig en nalatig handelen door belanghebbende, omdat niet verklaarbare aansluitingsverschillen zijn geconstateerd. Daarnaast is verwijtbaar ten onrechte geen premie AVBZ ingehouden en afgedragen in verband met de arbeidsverhouding met [F] en [B] (voor wat betreft de ter beschikking gestelde auto), is er geen loonadministratie bijgehouden en voor wat betreft de fooien en is ter zake van aan werknemers verstrekte fooien geen loon in aanmerking genomen.

Belanghebbende heeft tegen de aard en omvang van de boete nauwelijks iets ingebracht, anders dan dat de boete dient te worden vernietigd wegens ‘undue delay’.

Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende inderdaad verweten kan worden dat zij grofschuldig onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld met betrekking tot hetgeen is vermeld onder 4.29, hetgeen naar het oordeel van het Gerecht maakt dat de boete van 12,5% gerechtvaardigd is en in overeenstemming met de ernst van de vergrijpen.

De grondslag van de boete behoeft evenwel correctie. Zoals geconcludeerd in overweging 4.25 is ‘correctie fooien’ tot een te hoog bedrag van NAf 11.646 gecorrigeerd. De ‘correctie fooien’ dient NAf. 2.329 te bedragen.

De totale correctie AVBZ 2007 dient te worden bepaald op NAf 10.028 + NAf 2.971 + NAf 2.367 + NAf 107 = NAf 15.473. Alsdan bedraagt de boete NAf 15.473 x 12,5% is NAf 1.934.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt om vernietiging van de boete. De overschrijding van de redelijke termijn leidt er niet toe dat een boete wordt vernietigd, maar kan wel aanleiding vormen voor een vermindering van de boete. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

Het conceptrapport is op 19 september 2011 aan belanghebbende afgegeven. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (27 maart 2026) is, afgerond 14 jaar en 7 maanden verstreken. Nu bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boete met 20% verminderen tot NAf 1.547, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

Naheffingsaanslagen LB 2008 en premie AVBZ 2008

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag LB 2008 opgelegd van NAf 488.282 en een naheffingsaanslag premie AVBZ 2008 van NAf 19.125. Aan deze naheffingsaanslagen ligt ten grondslag de in de verlies- en winstrekening aangetroffen posten ‘casual labor’ tot een bedrag van NAf 327.479 en een bedrag van NAf 78.327 aan ‘bonussen’, totaal NAf 405.806. Belanghebbende heeft gesteld dat het voor wat betreft de post ‘casual labor’ gaat om losse krachten, niet zijnde werknemers. Voor wat betreft de bonussen heeft mevrouw [A] ter zitting verklaard dat de ‘bonussen’ zijn betaald aan ‘senior waiters’ en de chef.

Eveneens ter zitting heeft mevrouw [A] verklaard dat het bij de post ‘casual labor’ gaat om schoonmakers, obers, schilders, klusjesmannen, etc.

De betalingen betaald aan de ‘senior waiters’ en de chef, waarvan aangenomen moet worden dat deze reeds in dienstbetrekking werkzaam waren bij belanghebbende, dienen te worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.

Voor de betalingen aan schoonmakers, obers, schilders, klusjesmannen, etc. (‘casual labor’) komt belanghebbende niet verder dan de blote stelling dat dit oproepkrachten waren, die niet in dienstbetrekking werkzaam waren. Met betrekking tot de ‘oproepkrachten’ is geen enkele informatie voorhanden, zoals bijvoorbeeld een overzicht van namen, adressen, etc. Dit terwijl administratieplichtigen, waaronder belanghebbende, ingevolge artikel 45, lid 2 ALL gehouden zijn om jaarlijks aan de Inspecteur een opgave te verstrekken betreffende derden die in het daaraan voorafgaande jaar bij of voor de administratieplichtige, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden of diensten hebben verricht. Voor zover de ‘oproepkrachten’ als ondernemer hun werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende hebben verricht, zou verwacht worden dat die ondernemers belanghebbende facturen zouden hebben gestuurd. Dergelijke facturen heeft belanghebbende niet kunnen overleggen.

Ook de Inspecteur heeft nauwelijks aantoonbare inspanningen verricht waaruit volgt dat de ‘oproepkrachten’ in loondienst werkzaam zijn geweest.

Gegeven de aard van de werkzaamheden, in ieder geval waar het de obers en het merendeel van de schoonmakers betreft, veronderstelt het Gerecht dat in een heel groot aantal van de gevallen sprake zal zijn geweest van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de ‘oproepkrachten’ en daarmee van een dienstbetrekking. Nu belanghebbende noch de Inspecteur op dit punt enige duidelijkheid heeft geschapen, zal het Gerecht in goede justitie bepalen dat 75% van het bedrag van NAf 327.479, is NAf 245.610, is aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Het totaalbedrag aan verondersteld nettoloon bedraagt derhalve NAf 78.327 + NAf 245.610, is NAf 323.937.

Belanghebbende heeft ook nog verwezen naar een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 9 juli 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:209, alwaar het Hof heeft geoordeeld dat voor het vermoeden van een arbeidsovereenkomst het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekering aannemelijk dient te maken dat de oproepkrachten gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks ten minste acht uren, dan wel gedurende ten minste 35 uren arbeid verrichten voor de ‘werkgever’ (in casu de stichting Wit Gele Kruis).

Voor zover belanghebbende daarmee wenst aan te voeren dat ook ten aanzien van de ‘oproepkrachten’ in de onderhavige zaak geen sprake is van een dienstbetrekking, faalt deze stelling. Het begrip ‘dienstbetrekking’ voor wat betreft de Lv LB dient niet getoetst te worden op grond van algemene criteria, zoals het verrichten van arbeid gedurende een bepaald aantal uren per week of maand, maar (onder andere) op basis van het al dan niet feitelijk aanwezig zijn van een gezagsverhouding. Nog los daarvan is in het geval van belanghebbende niet vast te stellen of en gedurende welke periode en uren de ‘oproepkrachten’ voor belanghebbende werkzaamheden hebben verricht, omdat belanghebbende ter zake daarvan niets heeft bijgehouden, althans geen bewijs ter zake kan overleggen.

De Inspecteur heeft het loon gebruteerd tegen een tarief van 53,75%, het anoniementarief. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij vindt dat dit wel tot erg hoge naheffingsaanslagen leidt en pleit voor een lager in aanmerking te nemen percentage. Ook heeft belanghebbende nog aangegeven te overwegen om de verschuldigde belasting te verhalen op de ‘oproepkrachten’ om zodoende brutering te voorkomen.

De overweging om te verhalen acht het Gerecht ‘uit de lucht komen vallen’. Er is geen overzicht bekend van de ‘oproepkrachten’ en het betreffen betalingen van zo’n 18 jaar geleden. De kans dat er nog verhaald zou kunnen worden acht het Gerecht nihil.

Alhoewel een brutering tegen het anoniementarief leidt tot een absoluut en relatief hoog bedrag aan na te heffen loonbelasting, is het Gerecht van oordeel dat dit tarief gerechtvaardigd is. Immers, voor wat het anoniementarief heeft te gelden dat ingeval de verstrekking van naam, adres of woonplaats van de werknemer niet door middel van een loonbelastingverklaring is geschied, het in artikel 9 Lv voorgeschreven anoniementarief moet worden toegepast, zelfs in het geval waarin de inhoudingsplichtige langs andere weg van naam, adres en woonplaats van de werknemer op de hoogte is (zie ook: HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX9096). In de onderhavige zaak is ten aanzien van de werknemers waaraan vergoedingen zijn betaald ten titel van bonussen en ‘casual labor’ helemaal niets vastgelegd. De rechter kan niet op de stoel van de wetgever plaatsnemen en een (willekeurig) ander percentage dan de wet voorschrijft, in aanmerking nemen.

De grondslag voor de naheffingsaanslagen LB 2008 en premie AVBZ 2008 oordeelt het Gerecht als te hoog. Uitgaande van een nettoloon van NAf 323.937, toepassing van een anoniementarief van 53,75% en een AVBZ-heffing van 2% bedraagt het brutoloon NAf 776.013, de verschuldigde LB 2007 NAf 389.995, de verschuldigde premie AVBZ 2007 NAf 15.520 en dienen de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ naar deze respectievelijke bedragen verminderd te worden.

Naheffingsaanslagen BBO 2018, 2019 en 2020 en boetebeschikkingen 2018, 2019 en 2020

In artikel 29, lid 1, van de ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

De naheffingsaanslagen BBO 2018, 2019 en 2020, alsmede de daarop betrekking hebbende boetebeschikkingen zijn gedagtekend 31 oktober 2023. Belanghebbende heeft op 11 maart 2024 een bezwaarschrift tegen genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen ingediend. Dit bezwaarschrift is buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij pas op 12 juni 2024, na ontvangst van een dwangschrift, bekend is geworden met de naheffingsaanslagen en boetes BBO 2018, 2019 en 2020 en dat zij om die reden verschoonbaar te laat tegen de genoemde naheffingsaanslagen in bezwaar is gekomen.

Dat belanghebbende pas op 12 juni 2024 met de naheffingsaanslagen en boetes BBO 2018, 2019 en 2020 bekend is geworden kan niet juist zijn, omdat het bezwaar tegen genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen reeds is gemaakt op 11 maart 2024, derhalve vóór de ontvangst van het dwangschrift. Ter zitting is gebleken dat belanghebbende zich heeft vergist. Het dwangschrift waarnaar zij heeft verwezen betreft een dwangschrift inzake de naheffingsaanslag premies AOV/AWW 2017. Eveneens ter zitting heeft belanghebbende de mogelijkheid geopperd dat er wellicht ook een dwangschrift inzake de naheffingsaanslagen en boetes BBO 2018, 2019 en 2020 is, maar heeft daarvoor geen bewijs kunnen overleggen. Nu belanghebbende geen andere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten, rest het Gerecht niets anders dan te oordelen dan dat de Inspecteur belanghebbende terecht voor wat betreft de naheffingsaanslagen en boetes BBO 2018, 2019 en 2020 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Naheffingsaanslagen BBO 2017 en boetebeschikkingen

Voor het jaar 2017 zijn aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen BBO en twee boetebeschikkingen 2017 opgelegd.

De eerste naheffingsaanslag BBO 2017, naar een bedrag van NAf 51.310, en de daarop betrekking hebbende boetebeschikking 2017 van NAf 12.827 zijn opgelegd op 19 december 2023 ter behoud van rechten. Het lopende boekenonderzoek was op dat moment nog in volle gang en het jaar 2017 dreigde te verjaren. Naar het Gerecht begrijpt zijn deze naheffingsaanslag en boete in eerste instantie met dagtekening 13 oktober 2023 verminderd naar respectievelijk NAf 26.486 en NAf 6.621, het bedrag zoals dat ook is opgenomen in het controlerapport (zie het overzicht onder 2.19). Nadien, op 21 oktober 2023, zijn genoemde naheffingsaanslag en boete, onbedoeld, verminderd naar nihil.

De tweede naheffingsaanslag BBO 2017 en boete zijn opgelegd op 31 oktober 2023 naar respectievelijk (eveneens) NAf 26.486 en NAf 6.621.

De tweede naheffingsaanslag BBO 2017 en de daarop betrekking hebbende boete zijn buiten de vijfjaarstermijn van artikel 17, lid 1, van de ALL opgelegd. De Inspecteur heeft in diens verweerschrift aangegeven dat de tweede naheffingsaanslag BBO en de daarop betrekking hebbende boete zullen worden vernietigd.

Naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ 2017, 2018, 2019 en 2020, alsmede de op die aanslagen betrekking hebbende boetes

Ontvankelijkheid bezwaar premies AOV/AWW 2017

In artikel 29, lid 1, van de ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

De naheffingsaanslag premies AOV/AWW 2017, alsmede de daarop betrekking hebbende boetebeschikking zijn gedagtekend 30 december 2022. Deze aanslag en boete zijn door de Inspecteur reeds aangekondigd bij brief van 11 november 2022. Belanghebbende heeft op 18 juni 2024 een bezwaarschrift tegen genoemde naheffingsaanslag en boetebeschikking ingediend. Dit bezwaarschrift is buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.

Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij pas op 12 juni 2024, na ontvangst van een dwangschrift, bekend is geworden met de naheffingsaanslag en boete premies AOV/AWW 2017 en dat zij om die reden verschoonbaar te laat tegen de genoemde naheffingsaanslagen in bezwaar is gekomen.

Ter zitting van het Gerecht heeft de Inspecteur een dwangschrift van 10 mei 2023 getoond op grond waarvan belanghebbende bekend is geraakt met de naheffingsaanslag en boete premies AOV/AWW 2017. Daarop heeft de gemachtigde geconcludeerd en verklaard dat de heer [B] verzuimd zal hebben om genoemd dwangschrift aan mevrouw [A] te geven.

Dat de heer [B] verzuimd heeft het dwangschrift aan mevrouw [A] te geven, leidt er niet toe dat de naheffingsaanslag en boete AOV 2017 niet bij belanghebbende bekend was. Belanghebbende is op 10 mei 2023 bekend geworden met de naheffingsaanslag en de boete premies AOVA/WW 2017 en had binnen twee maanden bezwaar moeten maken. Dat er geen goede afstemming heeft plaatsgevonden tussen de heer [B] en mevrouw [A] komt voor rekening en risico van belanghebbende.

Het Gerecht oordeelt dat de Inspecteur belanghebbende terecht voor wat betreft de naheffingsaanslag en boete premies AOV/AWW 2017 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bevoegdheid van de SBAB om boekenonderzoeken uit te voeren op Sint Maarten

Voor wat betreft de jaren 2017 tot en met 2020 is door de SBAB, in de persoon van [J] (hierna: [J]), een boekenonderzoek uitgevoerd ter beoordeling van de aangiften LB, premies AOV/AWW en AVBZ en BBO. Dit onderzoek is aangekondigd op 17 augustus 2022, het definitieve rapport boekenonderzoek dateert van 22 mei 2023.

Op 6, 9 en 11 februari 2023 hebben door de SBAB, eveneens in de persoon van [J], zogeheten waarnemingen ter plaatse plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek zijn de procedures en handelingen rondom de verkopen/kassa vastgelegd, de gegevens met betrekking tot het personeel en is vastgesteld welk bedrag aan fooien aan het personeel is verstrekt.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de SBAB, zijnde een commerciële stichting van het land Curaçao, niet bevoegd is om op het Land Sint Maarten boekenonderzoeken uit te voeren, omdat een rechtsgeldig mandaat daartoe ontbreekt. Volgens belanghebbende had een dergelijk mandaat vastgelegd moeten worden in de ALL van Sint Maarten, en dat is anders dan in de ALL van Curaçao niet gebeurd. Belanghebbende stelt dat dit onbevoegd uitvoeren van de boekenonderzoeken als vermeld onder 4.55 betekent dat de uit die boekenonderzoeken voortvloeiende aanslagen vernietigd moeten worden, omdat die onderzoek een wettelijke grondslag ontberen.

De Inspecteur is van mening dat de door de SBAB uitgevoerde boekenonderzoeken op een rechtsgeldige manier tot stand zijn gekomen en dat door belanghebbende de mandaatverlening onnodig in twijfel is getrokken.

Ter verduidelijking merkt het Gerecht op dat de door belanghebbende aan de orde gestelde kwestie niet ziet op het boekenonderzoek dat is uitgevoerd over de periode 2004 tot en met 2007. Dat onderzoek is namelijk uitgevoerd door een ‘interne’ (controle)medewerker (door de eigen afdeling controle) van de Belastingdienst van Sint Maarten.

In artikel 48, lid 2 van de ALL is bepaald dat de verplichtingen die volgens dit hoofdstuk bestaan jegens de Inspecteur, mede gelden jegens de Directeur van de Stichting Overheids Belasting Accountants Bureau, de Ontvanger, alsmede jegens de door hen aangewezen ambtenaren of personen. Met ‘dit hoofdstuk’ wordt bedoeld Hoofdstuk VI van de ALL, te weten ‘Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing’.

Voor de versterking van de financiële situatie van het Land Nederlandse Antillen achtte de regering van de Nederlandse Antillen het destijds noodzakelijk om de belastingcontrole te versterken. Met dit doel is op 29 maart 2001 de Stichting Overheidsaccountantsbureau statutair opgericht. Genoemde stichting is daarbij aangewezen als belastingcontroleorgaan van de regering van de Nederlandse Antillen. Bij Landsverordening van 20 december 2001 houdende regeling van de overgang van het personeel van de landsoverheidsdienst Belastingaccountantsbureau naar de Stichting Belastingaccountantsbureau (P.B. 2001, no. 150) is de Stichting Overheidsaccountantsbureau opgeheven, de SBAB opgericht en het personeel van de Stichting Overheidsaccountantsbureau is overgegaan naar de SBAB. De wetgever heeft nimmer het bepaalde in artikel 48, lid 2, ALL aangepast, maar voor het Gerecht is duidelijk dat met de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau de SBAB wordt bedoeld.

Op 10 oktober 2010 zijn de Nederlandse Antillen officieel opgeheven en is Sint Maarten een zelfstandig land binnen het Koninkrijk geworden. Ingevolge artikel 1, lid 1 van de Landsverordening overgangsbepalingen van wetgeving en bestuur is toen bepaald dat landsverordeningen, landsbesluiten houdende algemene maatregelen en ministeriële beschikkingen met algemene werking van de Nederlandse Antillen automatisch de status krijgen van overeenkomstige regelingen van het nieuwe land, in casu Sint Maarten. Dit had tot gevolg dat ook de Landsverordening van 20 december 2001 houdende regeling van de overgang van het personeel van de landsoverheidsdienst Belastingaccountantsbureau naar de Stichting Belastingaccountantsbureau (P.B. 2001, no. 150) gecontinueerd werd en dat dus de SBAB bij landsverordening bleef aangewezen als het controleorgaan van (ook) het Land Sint Maarten.

In de loop der tijd is de inzet van de SBAB op Sint Maarten nader geformaliseerd in het Landsbesluit van 22 november 2017, no. LB-17/0586. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“In overweging nemende:

dat de regering van het Land Sint Maarten een verbeterprogramma van de Belastingdienst heeft opgestart met het doel de belastinginkomsten te verhogen;

dat in het verbeterprogramma van de Belastingdienst een initiatief is opgenomen dat op bestandsopschoning en compliance verhoging is gericht;

dat de regering zich ervan bewust is dat voor de uitvoering van dit initiatief\ externe professionele deskundigheid noodzakelijk is, met ruime aantoonbare expertise en ervaring op het gebied van de uitvoering van belastingaudits;

dat voor de verdere intensivering van de uitvoering van het initiatief bewust is gekozen voor een onafhankelijke derde partij die de Belastingdienst al enige jaren bij dit type onderzoeken bijstaat;

dat voor de uitvoering van dit initiatief de Stichting Belastingaccountantsbureau feitelijk de enige externe partij is die gemachtigd is om de benodigde gegevens te verzamelen zoals bepaald in artikel 48, tweede lid, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen;

dat op uitnodiging van de regering door de Stichting Belastingaccountantsbureau een Service Level Agreement ten behoeve van Belastingdienst Sint Maarten is opgesteld ter uitvoering van aan Stichting Belastingaccountantsbureau opgedragen werkzaamheden per datum va ondertekening tot en met 31 oktober 2017 namelijk de uitvoering van 60 boekenonderzoeken;

dat de keuze van de regering op de Stichting Belastingaccountantsbureau is gevallen vanwege de onafhankelijkheid van de organisatie, de afwezigheid van conflicterende belangen van hun klantenkring en de mogelijkheid om mensen van buiten Sint Maarten in te zetten;

dat de kosten van de verlenging van hun betrokkenheid het bedrag van NAf 50.000,00 overschrijden en daardoor het houden van een openbare aanbesteding ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Comptabiliteitslandsverordening vereist is;

dat realisatie van het regeerprogramma en het algemeen belang om Sint Maarten op korte termijn financieel solide te maken zich verzetten tegen een verder uitstel van de aanbesteding. Het is daarom wenselijk om van artikel 47, eerste lid, van de Comptabiliteitslandsverordening af te wijken;

dat de Minister van Financiën gemachtigd dient te worden om het land Sint Maarten te vertegenwoordigen om aangehechte Service Level Agreement ten behoeve van Belastingdienst Sint aan te gaan met de Stichting Belastingaccountantsbureau.

(…)

Artikel 1

Op basis van artikel 47, vierde lid, onderdeel b, van de Comptabiliteitslandsverordening af te wijken van artikel 47, eerste lid en derde lid, van de Comptabiliteitslandsverordening, en tot het voornemen tot het aangaan van een overeenkomst met de Stichting Belastingaccountantsbureau ter ondersteuning van werkzaamheden ten behoeve van de Belastingdienst, voor een maximaal bedrag van NAf. 450.000.

Artikel 2

1. De Minister van Financiën te machtigen de openbare rechtspersoon Sint Maarten te vertegenwoordigen bij het stellen van de rechtshandeling zoals omschreven als in artikel 1.

2. het hoofd Belastingdienst te machtigen uitvoering te geven aan de overeenkomst met de Stichting Belastingaccountantsbureau.”

Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat op basis van de Service Level Agreement ongeveer 60 boekenonderzoeken door de SBAB voor de Belastingdienst uitgevoerd konden worden, waaronder het onderzoek bij belanghebbende. Als gevolg van de orkaan Irma en COVID is het boekenonderzoek bij belanghebbende pas jaren nadien, in 2022, opgepakt.

Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft de Directeur van de SBAB, de heer S. Casper het volgende verklaard, voor zover van belang.

“Hierbij verklaar ik als directeur van de Stichting Belasting Accountant Bureau (SBAB) dat de uitgiften van boekenonderzoeken aan de controlemedewerkers door mij gebeurt of namens mij door de teammanagers of technische managers. Als bijlage stuur ik je de uitgegeven opdracht en afrondingsformulier om jet systeem Bisbab.

De regelgeving (richtlijnen) omtrent het uitgeven van boekenonderzoeken, het controleproces, gedragsregels, rapportage en afronding zijn opgenomen in het Handboek Belastingcontrole van de SBAB (435 pagina’s). Als bijlage zal ik de relevante teksten van de richtlijnen toesturen. Daarnaast hebben controlemedewerkers en de leidinggevenden een identificatiepas van de SBAB bij zich met hun functie, datum, afgifte en geldigheid van de pas, waarop ik mijn handtekening plaats.

(…)”

Naar het oordeel van het Gerecht is de Directeur van de SBAB bij Landsverordening (artikel 48, lid 2 van de ALL) als bevoegde persoon aangewezen om boekenonderzoeken uit te voeren op Sint Maarten. Dit leidt het Gerecht af uit de hiervoor vermelde regelgeving, de verfijningen die daarop zijn aangebracht en de dagelijkse praktijk. Daarnaast kan de Directeur de aan hem toegekende bevoegdheid ondermandateren aan door hem aangewezen personen.

Ter zitting heeft mevrouw Medema (coördinator boekenonderzoeken Sint Maarten) op haar laptop de mandaatregister-lijst 2013 getoond. De lijst bevat de volgende kolommen: team – geslacht – medewerker – achternaam – voorvoegsel – voorletters – voornaam – datum in dienst SBAB – datum mandatering – datum uit dienst (indien van toepassing).

Op de lijst komen alle namen van de ondergemandateerde personen voor, aldus mevrouw Medema. Op de lijst is ook te zien welke medewerkers na 2013 zijn toegevoegd, alsook is aangetekend de medewerkers die uit dienst zijn getreden. Op de lijst komen ook de namen van [J] en van mevrouw Medema voor.

Het Gerecht is van oordeel dat met hetgeen de Inspecteur ter zitting heeft getoond aannemelijk is gemaakt dat de Directeur zijn bevoegdheid heeft ondergemandateerd aan (onder andere) [J] en dat de door hem uitgevoerde boekenonderzoeken derhalve rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Aan de eis van belanghebbende, dat ter zitting een papieren lijst had moeten worden overgelegd, gaat het Gerecht voorbij, mede omdat artikel 48, lid 2 van de ALL geen eisen stelt aan de vorm van ondermandatering.

Naheffingsaanslagen voortvloeiende uit de correcties ‘Casual Labor’

Voor de jaren 2017 (NAf 30.936), 2018 (NAf 25.586) en 2020 (2.848) heeft de controlerend ambtenaar onder de grootboekrekening “Payroll Expenses” bedragen aangetroffen die zijn geboekt als ‘casual labor’ en ter zake waarvan geen loonbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ zijn ingehouden. Genoemde bedragen zijn door de Inspecteur aangemerkt als loon uit dienstbetrekking en de Inspecteur heeft naheffingsaanslagen premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd over de jaren 2017 (premies AOV/AWW NAf 4.078 en AVBZ NAf 673), 2018 (premies AOV/AWW NAf 3.894 en AVBZ NAf 556) en 2020 (premies AOV/AWW NAf 433 en AVBZ NAf 62).

In geschil is of door de Inspecteur terecht is nageheven. De Inspecteur heeft geen naheffingsaanslagen LB opgelegd, omdat hij ervan uit is gegaan dat de betreffende werknemers het minimum uurloon is uitbetaald, waarover het percentage aan verschuldigde loonbelasting 0% bedraagt.

Belanghebbende stelt dat de onder ‘casual labor’ verantwoorde bedragen zien op betalingen, verricht aan personen die niet in dienstbetrekking werkzaam waren.

De berekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen is overigens door belanghebbende niet ter discussie gesteld.

Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar belanghebbende gevraagd inzicht te verschaffen met betrekking tot de betalingen die zijn verantwoord onder ‘casual labor’, zoals een overzicht van de namen, adressen van de personen die werkzaamheden voor belanghebbende hebben verricht, de aard van de werkzaamheden, afspraken die met deze personen zijn gemaakt met betrekking tot de door hen verrichte werkzaamheden en de duur van de werkzaamheden (hoeveel uren per dag, week, maand).

Het gevraagde inzicht is door belanghebbende niet verstrekt.

In de vele stukken die zijn geproduceerd met het oog op de behandeling van deze zaak, als ook ter zitting, is door belanghebbende niet of nauwelijks informatie verstrekt met betrekking tot de personen die onder de noemer van ‘casual labor’ betalingen van belanghebbende ontvangen. Evenmin zijn door belanghebbende als administratieplichtige jaarlijks gegevens verstrekt, zoals wordt verplicht op de voet van artikel 45, lid 2 van de ALL betreffende derden die in het daaraan voorafgaande jaar bij of voor de belanghebbende, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden of diensten hebben verricht. Voor zover de personen die onder de noemer ‘casual labor’ betalingen van belanghebbende hebben ontvangen als ondernemer hun werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende hebben verricht, zou verwacht worden dat die ondernemers belanghebbende facturen zouden hebben gestuurd. Dergelijke facturen zijn door belanghebbende niet overgelegd.

Alhoewel de bewijslast dat bepaalde personen in dienstbetrekking arbeid hebben verricht in beginsel op de Inspecteur rust, kan een dergelijk bewijs niet van de Inspecteur worden gevergd in een situatie waarin belanghebbende in strijd met haar wettelijke verplichting daartoe geen enkele informatie met betrekking tot die personen heeft verstrekt en geen administratie ter zake daarvan heeft bijgehouden. Het Gerecht zal overeenkomstig hetgeen is bepaald voor het jaar 2008 (naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ) veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat in een heel groot aantal van de gevallen, te weten 75% van de gevallen, sprake zal zijn geweest van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de personen die onder de noemer ‘casual labor’ werkzaamheden hebben verricht en dat in dat geval sprake is van een dienstbetrekking. Alsdan dienen de opgelegde naheffingsaanslagen als volgt te worden bepaald:

2017: AVBZ: NAf 673 x 75% = NAf 504.

2018: AOV/AWW NAf 3.894 x 75% = NAf 2.920; AVBZ: NAf 556 x 75% = NAf 417.

2020: AOV/AWW NAf 433 x 75% = NAf 324; AVBZ: NAf 62 x 75% = NAf 46.

Naheffingsaanslagen voortvloeiende uit de correcties ‘Music & Entertainment’

Gedurende de jaren 2017 tot en met 2020 hebben verschillende muzikanten bij belanghebbende opgetreden. Ter zake van die optredens is geen LB en premie AOV/AWW en AVBZ ingehouden en afgedragen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de artiesten allen als zelfstandig (ondernemer) artiest werkzaam zijn en verantwoordelijk zijn voor hun eigen belastingverplichtingen. Volgens de Inspecteur moeten de muzikanten worden aangemerkt als personen die in dienstbetrekking voor belanghebbende werkzaam zijn geweest en dienen voor de jaren 2017 tot en met 2020 ter zake van het aan hen betaalde loon (2017: NAf 49.146, 2018: NAf 61.998, 2019: NAf 83.994 en 2020: NAf 33.923) naheffingsaanslagen LB (2017: NAf 26.370, 2018: NAf 32.437, 2019: NAf 44.505 en 2020: NAf 17.636), AOV/AWW (2017: NAf 11.492, 2018: NAf 14.371, 2019: NAf 19.554 en 2020: NAf 7.846) en AVBZ (2017: NAf 1.642, 2018: NAf 2.053, 2019: NAf 2.793 en 2020: NAf 1.121) worden opgelegd.

De berekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen is door belanghebbende niet ter discussie gesteld.

Volgens belanghebbende zijn de bij haar optredende artiesten zowel op Sint Maarten woonachtige artiesten als buitenlandse artiesten. De artiesten trekken van bar naar bar en het is volstrekt ongebruikelijk dat zij een factuur uitreiken en dat er contracten of facturen worden opgemaakt. In plaats daarvan wordt door de artiest een door belanghebbende opgemaakte kwitantie getekend, waarop alleen de voornaam of de bijnaam of artiestennaam van de artiest is vermeld.

De Inspecteur stelt dat hij op basis van gegevens in de administratie niet kan vaststellen wie de artiest is aan wie een vergoeding is betaald en dus evenmin of het een op Sint Maarten of buiten Sint Maarten woonachtige artiest is en of de artiest bij de Belastingdienst als ondernemer geregistreerd staat. Daarnaast heeft belanghebbende ook met betrekking tot de artiesten verzuimd om gegevens te verstrekken als bedoeld in artikel 45, lid 2 van de ALL. Ten tijde van de controle heeft de controlerend ambtenaar een lijst met (voor)namen van artiesten geselecteerd en belanghebbende verzocht om te onderbouwen dat de artiest als zelfstandige/ondernemer werkzaam was en aan te geven welke afspraken met de betreffende artiest zijn gemaakt. Belanghebbende heeft daarop enkel gereageerd door op te merken dat de artiesten onafhankelijk zijn. Facturen of ander bewijs daarvan is door belanghebbende niet overgelegd.

Het Gerecht stelt vast dat belanghebbende hardleers is op het terrein van vastleggingen van het optreden door artiesten. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er in het verleden vier controles achtereen zijn geweest waarbij belanghebbende is gewezen op de gebreken in de administratie ter zake van het optreden door artiesten: niet inzichtelijk is bijgehouden welke artiest gedurende welke data bij belanghebbende heeft opgetreden, voor zover de artiest optreedt als ondernemer wordt er niet op toegezien dat de artiest een factuur uitreikt en er wordt door belanghebbende nimmer opgaaf gedaan van het bepaalde in artikel 45, lid 2 van de ALL.

Dit alles bijeen genomen maakt dat de Inspecteur op geen enkele wijze kan toetsen of een artiest al dan in (fictieve) dienstbetrekking bij belanghebbende werkzaam is geweest. In dit verband is nog mede van belang dat buitenlandse artiesten sowieso (fictief) geacht worden in dienstbetrekking te zijn. Artikel 3, lid 2, letter d Lv LB bepaalt immers dat onder dienstbetrekking tevens wordt verstaan degene die als artiest of beroepssportbeoefenaar optreedt en zijn woonplaats niet in Sint Maarten heeft. Omdat er geen specifieke administratie is met betrekking tot de artiesten kan niet worden vastgesteld of een artiest al dan niet woonachtig is op Sint Maarten (en reeds om die reden (fictief) geacht wordt in dienstbetrekking werkzaam te zijn).

Nu elke informatie ontbreekt met betrekking tot de arbeidsrelatie die de artiesten hebben gehad tot belanghebbende, en dit enkel en alleen te wijten is aan de gebrekkige administratie van belanghebbende, concludeert het Gerecht tot het oordeel dat in alle gevallen voor de jaren 2017 tot en met 2020 waarbij een betaling aan een artiest heeft plaatsgevonden, dient te worden aangemerkt als een betaling voor werkzaamheden verricht in dienstbetrekking. De door de Inspecteur aangebrachte correctie ter zake geldt derhalve als juist.

Naheffingsaanslagen voortvloeiende uit de correcties ‘Repair and Maintenance’

Onder de kostenpost “Cleaning and Bathroom Supplies’, een subrekening van de hoofdrekening ‘Repair and Maintenance’ is in 2017 een bedrag van NAf 9.767 (US$ 5.587) betaald aan mevrouw [H]. Dit zijn maandelijkse nettobetalingen voor schoonmaakwerkzaamheden waarover geen loonbelasting en premies zijn ingehouden en afgedragen. De Inspecteur heeft voor het jaar 2017 naheffingsaanslagen premies AOV/AWW (NAf 1.297) en AVBZ (NAf 185), omdat naar zijn mening sprake is van een werkzaamheden verricht in dienstbetrekking.

Belanghebbende heeft tijdens het boekenonderzoek verklaard:

[H] was a cleaner, used a few times to augment regular cleaning staff, she has subsequently left the island and we have no way to reach her.

Ter zitting heeft belanghebbende daar nog aan toegevoegd dat er geen sprake was van een gezagsverhouding, dat mevrouw [H] in de ochtend, voordat het restaurant open ging haar werkzaamheden verrichtte en dat zij van niemand instructies kreeg en wist wat zij moest doen.

Belanghebbende heeft verder herhaald dat mevrouw [H] het eiland destijds heeft verlaten.

In het beroep- en verweerschrift en evenmin in de pleitnotities is door partijen nog aandacht besteed de correcties ‘repair and maintenance’. De Inspecteur heeft ook niet meer gereageerd op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd. De bewijslast voor de stelling dat mevrouw [H] in dienstbetrekking werkzaam was rust in beginsel op de Inspecteur. Hetgeen de Inspecteur/de controlerend ambtenaar in het controlerapport heeft aangevoerd is naar het oordeel van het Gerecht, mede gegeven belanghebbende ter zitting nog heeft aangevoerd, bij de huidige stand van zaken te mager om te kunnen concluderen tot de aanwezigheid van een dienstbetrekking. Anders dan in het geval van de ‘casual labor’ en ‘music and entertainment’ beschikte de Inspecteur met betrekking tot mevrouw [H] wel over gegevens die verifieerbaar waren. Niet uitgesloten kan worden dat mevrouw [H] als zelfstandig ondernemer een schoonmaakbedrijf dreef. De Inspecteur had dit in de systemen van de Belastingdienst kunnen nagaan, maar heeft dit achterwege gelaten, en is er veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat er een gezagsverhouding aanwezig was tussen belanghebbende en mevrouw [H].

Voor zover de naheffingsaanslag zijn oorzaak heeft in de correcties ‘repair and maintenance’ dient deze te worden verminderd.

Naheffingsaanslagen voortvloeiende uit de correcties ‘Fooien’

Evenmin als in 2007 heeft belanghebbende over de jaren 2017 tot en met 2020 een fooienadministratie bijgehouden. Omdat het volgens de Inspecteur in de horecabranche gebruikelijk is dat personeel fooien ontvangt, dient ter zake een correctie te worden aangebracht, aldus de Inspecteur. Ter onderbouwing van de hoogte van deze correctie heeft de Inspecteur op 6, 9 en 11 februari 2023 WTP’s uitgevoerd en vastgesteld tot welke bedragen op die dagen door het personeel aan fooien is ontvangen. Het gemiddelde van de op die dagen ontvangen fooien in contanten (NAf 117,50) en via de betaalautomaat (NAf 179,12), totaal NAf 296,62, is vervolgens geëxtrapoleerd naar de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020, rekening houdend met het aantal dagen dat belanghebbende in die jaren geopend was (2017: 190 dagen, 2019 en 2020: 312 dagen en 2020: 238 dagen). Met inachtneming van deze extrapolatie heeft de controlerend ambtenaar een ‘omzet’ aan fooien berekend van NAf 56.358 (2017), NAf 92.545 (2018 en 2019) en NAf 70.596 (2020). Op basis daarvan zijn naheffingsaanslagen LB (2018: NAf 15.711), premies AOV/AWW (2017: NAf 8.576, 2018: NAf 16.475, 2019: NAf 14.083 en 2020: NAf 10.743) en premie AVBZ (2017: NAf 1.225, 2018: NAf 2.353, 2019: NAf 2.012 en 2020: NAf 1.535) opgelegd.

Volgens belanghebbende (p. 7 van haar pleitnotitie) dienen alle naheffingsaanslagen voor zover deze zijn gebaseerd op correcties ‘Fooien’ te worden vernietigd indien deze betrekking hebben op jaren vóór 2022. Dit vanwege het feit dat het Gemeenschappelijk Hof in diens verwijzingsuitspraak van 23 februari 2022 heeft geoordeeld dat de waarderingsregel uit het ‘Fooienbesluit’ onverbindend is, omdat deze niet is gebaseerd is op een onderzoek. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de WTP’s geen statistisch wetenschappelijk steekproef vormen, dat slechts drie waarnemingen geen representatief beeld opleveren en dat de schatting niet betrouwbaar is, omdat de steekproef heeft plaatsgevonden in het hoogseizoen.

De berekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen is overigens door belanghebbende niet ter discussie gesteld.

De stelling van belanghebbende dat alle naheffingsaanslagen voor zover deze zijn gebaseerd op correcties ‘Fooien’ dienen te worden verminderd indien deze betrekking hebben op jaren vóór 2022 oordeelt het Gerecht als onjuist. In de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof ligt alleen besloten dat de aan de Minister aangereikte algemene waarderingsregel als onverbindend heeft te gelden, omdat deze gebaseerd was op een onredelijke, althans een onvoldoende onderbouwde schatting van de in de praktijk genoten fooien. Het vorenstaande betekent evenwel niet dat fooien niet langer kunnen worden aangemerkt als loon. Al hetgeen onder welke naam of vorm wordt genoten uit een bestaande of vroegere dienstbetrekking is immers loon (artikel 6 van de Landsverordening op de loonbelasting). Het onverbindend verklaren van het ‘Fooienbesluit’ betekent vooralsnog dat niet langer de Minister kan bepalen welk bedrag aan loon door de werknemer is genoten, maar dat de bal komt te liggen bij de werkgever (belanghebbende), alwaar de bal ook gelegen zou hebben als het ‘Fooienbesluit’ er niet zou zijn.

Dat de werkgever ook verplicht is om loonbelasting en premies in te houden ter zake van door de werknemer genoten vergoedingen die worden verstrekt door een derde/niet-inhoudingsplichtige (de contante fooien), is het gevolg van het bepaalde in artikel 4, lid 3 Lv LB, dat luidt: ‘Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet-inhoudingsplichtige.’

In de Memorie van Toelichting is ter zake van deze bepaling het volgende opgemerkt:

“ertHerHet derde lid doelt op fooien en soortgelijke verstrekkingen, welke de werknemer in de uitoefening van zijn dienstbetrekking krijgt van een andere dan zijn werkgever. Aangezien deze verstrekkingen zonder meer tot het loon behoren, worden zij uit doelmatigheidsoverwegingen geacht te zijn verstrekt door de werkgever.”

Dat de bal nu (weer) geheel bij belanghebbende komt te liggen, veroorzaakt wel een praktisch probleem, in het bijzonder daar waar het de contante fooien betreft. Het is van algemene bekendheid, althans het Gerecht gaat daarvan uit, dat in de horeca fooien worden verstrekt. Voor wat betreft de contante fooien zal de werkgever echter niet altijd de omvang kennen, zodat het in zoverre voor hem lastig is om het loon in de vorm van fooien te bepalen, en ter zake daarvan loonbelasting en premies in te houden. De werkgever kan zijn personeel vragen naar de omvang, maar is daarbij overgeleverd aan de welwillendheid van zijn werknemer(s) om die informatie te verstrekken. Een werknemer is daarbij overigens geenszins verplicht om een fooienadministratie bij te houden. De werkgever/belanghebbende dient dus loonbelasting en premies in te houden over een bedrag dat zij (deels) niet kent.

Voor wat betreft de jaren 2017 tot en met 2020 heeft belanghebbende in het geheel geen fooien als loon in aanmerking genomen. Dit terwijl belanghebbende uit haar administratie had kunnen vaststellen dat er ook een bedrag aan fooien is betaald via de betaalautomaat (de via de betaalautomaat ontvangen fooien). Belanghebbende heeft dus sowieso ten onrechte een bedrag aan fooien niet als loon in aanmerking genomen. Uitgaande van de door de Inspecteur verrichtte WTP’s bedragen de via de betaalautomaat ontvangen fooien in 2017: NAf 34.032 , in 2018 en 2019: NAf 55.885 en in 2020: NAf 42.630.

De door de Inspecteur als loon in aanmerking genomen fooien uitgedrukt in een percentage van de omzet (zoals verwerkt in de jaarrekening) bedraagt: 2017: 1,72% (NAf 56.358/NAf 3.283.212), 2018: 2,44% (NAf 92.545/NAf 3.796.088), 2019: 2,31% (NAf 92.545/NAf 4.014.445) en 2020: 3,2% (NAf 70596/NAf 2.203.458).

Tussen partijen is niet in geschil dat in de horeca fooien worden betaald, zoals ook volgt uit de WTP’s, zoals uitgevoerd door de Inspecteur. Dat de WTP’s ruimschoots hebben plaatsgevonden (2023) na ommekomst van de jaren 2017 tot en met 2020 acht het Gerecht niet problematisch, omdat niets erop wijst dat de gegevens uit 2023 niet ook representatief kunnen zijn voor de jaren 2017 tot en met 2020. Wel acht het Gerecht het aantal waarnemingen beperkt en minder representatief, omdat de waarnemingen alleen in de eerste helft van februari hebben plaatsgevonden. Belanghebbende wijst er terecht op dat de steekproef in het hoogseizoen heeft plaatsgevonden en dat dit het beeld en de uitkomst kan vertekenen. Daarbij komt nog dat de Inspecteur in diverse stukken aangeeft dat een fooienpercentage van 2% van de omzet niet onredelijk hoog kan worden beschouwd, terwijl de door de Inspecteur aangebrachte correcties in de jaren 2018 tot en met 2020 substantieel hoger zijn. Daar staat tegenover dat belanghebbende op geen enkele wijze tegenbewijs heeft geleverd, alhoewel zij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad (het concept-controlerapport dateert van 3 maart 2023).

Met inachtneming van het vorenstaande zal het Gerecht een correctie aanbrengen op de berekening van de Inspecteur van 30%, hetgeen leidt tot de volgende na te heffen bedragen:

Correctie

2017

2018

2019

2020

Na te heffen LB

10.997

Na te heffen premie AOV/AWW

8.576

11.532

9.858

7.520

Na te heffen premie AVBZ

857

1.647

1.408

1.074

Boetebeschikkingen LB, premies AOV/AWW en AVBZ voor de jaren 2017 tot en met 2020

Voor zover de Inspecteur over de jaren 2017 tot en met 2020 naheffingsaanslagen LB heeft opgelegd is telkens een boete opgelegd van 25%. Hetzelfde heeft te gelden voor de naheffingsaanslagen premie AVBZ. In verband met door de Inspecteur veronderstelde samenloop is voor zover de Inspecteur over de jaren 2017 tot en met 2020 naheffingsaanslagen premies AOV/AWW heeft opgelegd telkens bedoeld een boete van 12,5% op te leggen. Zie evenwel 4.88.

De Inspecteur is van mening dat van de zijde van belanghebbende sprake is van grove schuld. De correcties zijn volgens de Inspecteur het gevolg van onzorgvuldig handelen en door ernstige nalatigheid van belanghebbende. Specifiek worden genoemd de betalingen van vergoedingen aan losse krachten, de schoonmaakster en muzikanten waarvan algemeen bekend is dat daarover loonbelasting en premies ingehouden had moeten worden en doordat niet te doen heeft belanghebbende ernstig verwijtbaar gehandeld, aldus nog steeds de Inspecteur.

Belanghebbende stelt zich onder verwijzing naar het arrest Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 op het standpunt dat de Inspecteur het beboetbare feit en de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet overtuigend heeft aangetoond en dat om die reden de boetes dienen te vervallen. Voorts verzoekt belanghebbende, in het geval de boetes wel (deels) in stand blijven, om een matiging van de boetes vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.

Voor zover de boetes zijn opgelegd ter zake van naheffingsaanslagen over het jaar 2017 die zijn voortgevloeid uit de correcties ‘repair and maintenance’ (mevrouw [H], schoonmaakster), dient de boete vervallen, nu het Gerecht heeft geoordeeld dat de Inspecteur de door hem gestelde gezagsverhouding tussen belanghebbende en mevrouw [H] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en de door de Inspecteur in zoverre opgelegde naheffingsaanslagen dienen te vervallen c.q. verminderd te worden.

Voor zover boetes zijn opgelegd ter zake van naheffingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 die zijn voortgevloeid uit de correcties ‘Fooien’ geldt het volgende.

Op de eerste plaats dient de boete verminderd te worden vanwege het feit dat de grondslag voor de boete met 30% is verminderd. Zie het vermelde onder 4.82.

Op de tweede plaats acht het Gerecht een boete voor de contant ontvangen fooien niet op zijn plaats, omdat naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende is komen vast te staan dat ter zake van de contante fooien ten aanzien van belanghebbende kan worden vastgesteld dat zij grofschuldig te weinig loonbelasting en premies AOVAWW en AVBZ heeft ingehouden en afgedragen. Zoals uiteengezet in 4.79 zal het niet altijd zo zijn dat een werkgever kennis heeft van de fooien die in contanten zijn ontvangen en is dit voor de werkgever ook achteraf niet of nauwelijks te achterhalen. Uit de stukken van het geding valt niet op te maken dat de Inspecteur is nagegaan (dat de controlerend ambtenaar heeft gecontroleerd) of belanghebbende op de hoogte was of kon zijn van de door de werknemers genoten contante fooien. Nu dit niet is vastgesteld kan belanghebbende voor wat betreft de contante fooien dan ook niet grove schuld worden verweten.

Het vorenstaande betekent dat de boete voor wat betreft de fooien slechts kan worden opgelegd over fooien die via de betaalautomaat zijn ontvangen, omdat belanghebbende van die ontvangen fooien op de hoogte was en dat zij, door daarover geen loonbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ in te houden, dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is ingehouden en afgedragen. Praktisch gesproken betekent dit dat de boete ter zake van de fooien dient te worden berekend over de onder 4.82 genoemde bedragen vermenigvuldigd met een factor van 179,12/296,62.

Het Gerecht merkt in dit verband op dat het vorenstaande niet betekent dat belanghebbende in de toekomst zich niet hoeft te vergewissen van de contant door haar personeel ontvangen fooien. Na ontvangst van deze uitspraak dient belanghebbende te begrijpen dat zij, naast de fooien die via de betaalautomaat worden ontvangen, ook geacht wordt inhoudingsplichtige te zijn voor de contant ontvangen fooien en ter zake op regelmatige basis een inspanningsverplichting heeft om na te gaan tot welke bedragen fooien in contanten zijn ontvangen en van deze contante ontvangsten ook een administratie bij te houden. Het (blijven) verzuimen daartoe kan in de toekomst leiden tot het verschuldigd worden van boetes.

Voor zover boetes zijn opgelegd ter zake van naheffingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 die zijn voortgevloeid uit de correcties ‘casual labor’ en ‘music & entertainment’ wegens het grofschuldig niet inhouden en afdragen van loonbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ dienen deze te worden gehandhaafd. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende verzuimd een inzichtelijke administratie bij te houden, alsmede inlichtingen te verstrekken op basis waarvan de Inspecteur kan beoordelen of bepaalde personen, die werkzaamheden voor belanghebbende hebben verricht, al dan niet in dienstbetrekking werkzaam waren. Daarmee heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is ingehouden en afgedragen.

Het vorenstaande geldt eveneens voor zover de boetes zijn opgelegd ter zake van naheffingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 die zijn voortgevloeid uit de correctie ‘subcontractor’. Het betreffen maandelijkse betalingen gedaan aan de heer [G] gedurende de periode 2017 tot en met 2020. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat die betalingen ten onrechte niet via de loonadministratie zijn gelopen en dat ter zake van de aan de heer [G] gedane betalingen ten onrechte geen loonbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ zijn ingehouden. Ook in dit geval is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is ingehouden en afgedragen.

In zijn controlerapport heeft de controlerend ambtenaar boetes aangekondigd wegens grove schuld voor de loonbelasting (25%), AOV/AWW 12,5% en AVBZ (25%). Voor de premies AOV/AWW is een boete opgelegd van 12,5% wegens door de controlerend ambtenaar en de Inspecteur veronderstelde samenloop. De Inspecteur heeft de controlerend ambtenaar in diens voorstel integraal gevolgd. Bij het opleggen van de naheffingsaanslagen is een foutje geslopen. Per abuis is voor het jaar 2020 een boete van 12,5% opgelegd ter zake van de naheffingsaanslag LB en van 25% ter zake van de naheffingsaanslag premies AOV/AWW (de boetepercentages zijn omgewisseld). Dit betekent dat de boete ter zake van de naheffingsaanslag premies AOV/AWW niet is opgelegd overeenkomstig de aankondiging en de gegeven motivering voor de opgelegde boete. Het Gerecht zal dan ook deze fout corrigeren en bij het bepalen van de op te leggen boete premies AOV/AWW voor het jaar 2020 een tarief hanteren van 12,5%.

Het Gerecht zal de te laag opgelegde boete ter zake van de naheffingsaanslag LB 2020 van NAf 2.232 in stand laten. Het Gerecht kan een opgelegde boete namelijk niet verhogen. Dat zou immers in strijd zijn met het reformatio in peius-beginsel.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt om vernietiging van de boete. De overschrijding van de redelijke termijn leidt er niet toe dat een boete wordt vernietigd, maar kan wel aanleiding vormen voor een vermindering van de boete. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn zijn drie situaties te onderscheiden, te weten:

1. de boetes die zijn opgelegd ter zake van de ter behoud van rechten opgelegde naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ over het jaar 2017;

2. de boetes die zijn opgelegd ter zake van de naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2020, en

3. de boetes die zijn opgelegd ter zake van de naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2018 tot en met 2020.

De boetebeschikkingen die zijn opgelegd in samenhang met de naheffingsaanslagen LB, premies AOV/AWW en AVBZ over het jaar 2017 zijn gedagtekend 30 december 2022 (LB en AVBZ) en 19 december 2022 (AOV/AWW). Naar het Gerecht aanneemt zijn genoemde dagtekeningen het eerste moment waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete LB, premies AOV/AWW en AVBZ voor het jaar 2017 zou worden opgelegd.

Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (27 maart 2026) is, afgerond 3 jaar en 3 maanden (LB en AVBZ), respectievelijk 3 jaar en 4 maanden (AOV/AWW) verstreken. Nu bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de opgelegde boetes, voor zover deze in stand blijft (zie hierna onder recapitulatie), met 15% verminderen, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

Het (concept)rapport is op 3 maart 2023 aan belanghebbende afgegeven. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete LB, AOV/AWW, AVBZ en BBO voor de jaren 2018 tot en met 2020 zou worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (27 maart 2026) is, afgerond 3 jaar en 1 maand verstreken.

Voor wat betreft de boetes LB, AOV/AWW en AVBZ voor de jaren 2018 tot en met 2020 zijn bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen, gesteld noch gebleken. Deze opgelegde boetes, zal het Gerecht, voor zover deze in stand blijven (zie hierna onder recapitulatie), met 15% verminderen, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

Voor wat betreft de boetes BBO voor de jaren 2018 tot en met 2020 zijn bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen, wel gebleken. Immers, voor zover belanghebbende te laat bezwaar heeft ingediend, is de overschrijding van de redelijke termijn te wijten aan belanghebbende en zal het Gerecht de termijn daarmee bekorten. De boetebeschikkingen BBO voor de jaren 2018 tot en met 2020 zijn gedagtekend 31 oktober 2023, Belanghebbende had derhalve uiterlijk de tijd om bezwaar te maken tot 31 december 2023. Zij heeft evenwel pas op 11 maart 2024 bezwaar gemaakt, 2 maanden en 11 dagen te laat. Rekening houdend met deze aan belanghebbende toe te rekenen overschrijding resteert een overschrijding van de redelijke termijn van minder dan 2 jaar, hetwelk tot gevolg heeft dat het Gerecht de boetes BBO voor de jaren 2018 tot en met 2020 met 10% zal verminderen, overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.

Recapitulatie correcties en boetes

Voor wat betreft de voor de jaren 2017 tot en met 2020 zijn naheffingsaanslagen en boetes opgelegd. Met inachtneming van het overwogene in 4.65 tot en met 4.90 dienen die naheffingsaanslagen en boetes als volgt te worden verminderd.

Naheffingsaanslagen loonbelasting 2017-2020

De naheffingsaanslagen LB over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn opgelegd naar NAf 26.537 (2017), NAf 48.309 (2018), NAf 45.390 (2019) en NAf 17.860 (2020). De naheffingsaanslagen over de jaren 2017 en 2019 en 2020 blijven volledig in stand.

De naheffingsaanslag LB 2018 dient te worden verminderd met de correctie ‘Fooien’ en wel met NAf 15.711 (zie 4.75) – NAf 10.997 = NAf 4.714. Alsdan wordt de naheffingsaanslag LB 2018 NAf 48.309 – NAf 4.714 = NAf 43.595.

Boetebeschikkingen loonbelasting 2017-2020

Ter zake van de naheffingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn door de Inspecteur boetebeschikkingen opgelegd naar de volgende bedragen: 2017: NAf 6.634, 2018: NAf 12.077, 2019: NAf 11.347 en 2020: NAf 2.232.

De boete voor het jaar 2018 dient te worden verminderd in verband met de (30%) correctie ‘Fooien’. Als gevolg daarvan wordt de grondslag van de boete verminderd tot NAf 43.595. Vervolgens dient de grondslag te worden verminderd met het aandeel van de contante fooien in het totaal van de fooien, te weten NAf 10.997 x 117,50/296,62 = NAf 4.356. Alsdan resteert een boetegrondslag van NAf 39.239 en bedraagt de daarover te berekenen boete (25%) NAf 9.809.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn worden de boetes verminderd met 15% tot (zie 4.90.1 en 4.90.2):

boete 2017: NAf 6.634 x 85% = NAf 5.638;

boete 2018: NAf 9.809 x 85% = NAf 8.337;

boete 2019: NAf 11.347 x 85% = NAf 9.644;

boete 2020: NAf 2.232 x 85% = NAf 1.897.

Naheffingsaanslagen AOV/AWW 2017-2020

De naheffingsaanslagen premies AOV/AWW over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn opgelegd naar NAf 26.052 (2017), NAf 35.348 (2018), NAf 36.979 (2019) en NAf 21.610 (2020).

De naheffingsaanslagen dienen te worden verminderd naar de bedragen als vermeld in de hierna opgenomen tabel. Zie in dit verband 4.68, 4.72, 4.75 en 4.82.

2018

2019

2020

Correctie casual labor

2.920

-

324

Correctie music & entertainment

14.371

19.554

7.846

Correctie subcontractor

608

3.342

2.588

Correctie repair & maintenance

-

-

-

Correctie Fooien

11.532

9.858

7.520

Totaal naheffing AOW/AWW

29.431

32.754

18.278

NB: de naheffingsaanslag premies AOV/AWW 2017 wordt niet verminderd, omdat belanghebbende in dat jaar niet-ontvankelijk is verklaard.

Boetebeschikkingen AOV/AWW 2017-2020

Ter zake van de naheffingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn door de Inspecteur boetebeschikkingen opgelegd naar de volgende bedragen: 2017: NAf 3.256, 2018: NAf 4.418, 2019: NAf 4.622 en 2020: NAf 5.402.

Voor wat betreft de grondslag dienen de boetes nog te worden verminderd met het aandeel van de contante fooien in het totaal van de fooien. Die vermindering bedraagt

2018: NAf 11.532 x 117,50/296,62 = NAf 4.569, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 29.431 – NAf 4.569 = NAf 24.862 x 12 1/2% = NAf f 3.107;

2019: NAf 9.858 x 117,50/296,62 = NAf 3.906, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 32.754 – NAf 3.906 = NAf 28.848 x 12 1/2% = NAf 3.606;

2020: NAf 7.520 x 117,50/296,62 = NAf 2.979, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 18.278 – NAf 2.979 = NAf 15.299 x 12 1/2% = NAf 1.912.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn worden de boetes verminderd met 15% (zie 4.90.1 en 4.90.2) tot:

boete 2017: NAf 3.265 x 85% = NAf 2.775;

boete 2018: NAf 3.107 x 85% = NAf 2.640;

boete 2019: NAf 3.606 x 85% = NAf 3.065;

boete 2020: NAf 1.912 x 85% = NAf 1.625.

Naheffingsaanslagen AVBZ 2017-2020

De naheffingsaanslagen premies AVBZ over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn opgelegd naar NAf 3.812 (2017), NAf 5.049 (2018), NAf 5.282 (2019) en NAf 3.088 (2020).

Genoemde naheffingsaanslagen dienen alle te worden verminderd naar de bedragen als vermeld in de hierna opgenomen tabel. Zie in dit verband 4.68, 4.72, 4.75 en 4.82.

2017

2018

2019

2020

Correctie casual labor

504

417

-

46

Correctie music & entertainment

1.642

2.053

2.793

1.121

Correctie subcontractor

87

87

477

370

Correctie repair & maintenance

-

-

-

-

Correctie Fooien

857

1.647

1.408

1.074

Totaal naheffing AVBZ

3.090

4.204

4.678

2.611

Boetebeschikkingen AVBZ 2017-2020

Ter zake van de naheffingsaanslagen overde jaren 2017 tot met 2020 zijn door de Inspecteur boetebeschikkingen opgelegd naar de volgende bedragen: 2017: NAf 953, 2018: NAf 1.262, 2019: NAf 1.320 en 2020: NAf 772.

Voor wat betreft de grondslag dienen de boetes nog te worden verminderd met het aandeel van de contante fooien in het totaal van de fooien. Die vermindering bedraagt

2017: NAf 857 x 117,50/296,62 = NAf 340, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 3.090 – NAf 340 = NAf 2.690 x 25% = NAf 672;

2018: NAf 1.647 x 117,50/296,62 = NAf 653, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 4.204 – NAf 653 = NAf 3.551 x 25% = NAf 887;

2019: NAf 1.408 x 117,50/296,62 = NAf 558, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 4.678 – NAf 558 = NAf 4.120 x 25% = NAf 1.030;

2020: NAf 1.074 x 117,50/296,62 = NAf 426, waarna een grondslag en boete resteert van NAf 2.611 – NAf 426 = NAf 2.185 x 25% = NAf 546.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn worden de boetes verminderd met 15% (zie 4.90.1 en 4.90.2) tot:

boete 2017: NAf 672 x 85% = NAf 571;

boete 2018: NAf 887 x 85% = NAf 753;

boete 2019: NAf 1.030 x 85% = NAf 875;

boete 2020: NAf 546 x 85% = NAf 464.

Naheffingsaanslagen BBO 2017-2020

De naheffingsaanslag BBO 2017 moet worden vernietigd. Zie in dit verband 4.47 en 4.48.

Over de tijdvakken 2018 tot en met 2020 zijn naheffingsaanslagen opgelegd naar NAf 1.246 (2018), NAf 5.655 (2019) en NAf 26.212. Deze naheffingsaanslagen blijven volledig in stand, omdat belanghebbende voor genoemde jaren niet ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard en het beroep daartegen ongegrond wordt verklaard. Zie in dit verband 4.42 tot en met 4.46.

Boetebeschikkingen BBO 2018-2020

4.100 Ter zake van de onder 4.99 vermelde naheffingsaanslagen zijn boetebeschikkingen opgelegd naar de volgende bedragen: 2018: NAf 311, 2019: NAf 1.413 en 2020: NAf 6.553.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn worden de boetes verminderd met 10% (zie 4.90.2) tot:

boete 2018: NAf 311 x 90% = NAf 279;

boete 2019: NAf 1.413 x 90% = NAf 1.271;

boete 2020: NAf 6.553 x 90% = NAf 5.897.

5. PROCESKOSTEN

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase van US$ 25.000. Volgens belanghebbende is sprake van ernstige onzorgvuldigheden en onrechtmatig handelen door de Inspecteur.

Kosten bezwaarfase

Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist.

Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een forfaitaire kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De Inspecteur heeft namelijk niet tegen beter weten in de onderhavige belastingaanslag opgelegd, zodat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten ernstige onzorgvuldigheid. Het Gerecht ziet ook verder geen aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de integrale kosten voor de bezwaarfase.

Kosten beroepsfase

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

Naar het oordeel van het Gerecht zijn er twee clusters van zaken (de naheffingsaanslagen AVBZ 2007 en winstbelasting 2007 en de naheffingsaanslagen loonbelasting 2008 en AVBZ 2008 enerzijds, en de naheffingsaanslagen loonbelasting, AOV/AWW, AVBZ en BBO voor de jaren 2017 tot en met 2020 anderzijds). Het Gerecht zal de twee clusters zaken voor de proceskostenvergoeding beschouwen als afzonderlijke zaken, die dus elk voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komen. De twee clusters hebben weliswaar enige overlap wat de juridische problematiek betreft, maar er zijn ook (grote) verschillen, het betreffen twee verschillende tijdvakken (2007 en 2008 en 2017 tot en met 2020), op onderdelen verschillende belastingen en in de afzonderlijke clusters zijn afzonderlijke boekenonderzoeken ingesteld. De verschillende zaken binnen de twee afzonderlijke clusters (de afzonderlijke naheffingsaanslagen) zullen door het Gerecht worden beschouwd als één samenhangende zaak in de zin van artikel 3, lid 1 van het Besluit. Voor wat betreft beide afzonderlijke clusters is door de gemachtigde één beroepszaak ingediend voor alle daarvan deel uitmakende zaken, de zaken zijn door het bestuursorgaan en het Gerecht gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld en er is rechtsbijstand verleend door een en dezelfde persoon.

In artikel 1 van het Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 2.800 ( 2 x 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan in bijzondere omstandigheden van een forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Anders dan belanghebbende voorstaat, vindt het Gerecht geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Inspecteur treft immers niet het verwijt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Evenmin is sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de zaak erg lang heeft geduurd, in het bijzonder de afhandeling van de jaren 2007 en 2008, maar dit is zeker niet (enkel) toe te rekenen aan de Inspecteur. De zaak is langzaam uitgegroeid tot een onoverzichtelijk brei aan gegevens. Op een zeker moment zijn op initiatief van het Gerecht de zaken (de jaren 2007 en 2008 en de jaren 2017 tot en met 2020) gebundeld en is een stappenplan uitgezet om enigszins orde in de inmiddels ontstane chaos te scheppen. Dat een zaak lang heeft geduurd is op zichzelf genomen overigens geen reden voor een integrale proceskostenvergoeding.

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van in totaal NAf 1.250 aan belanghebbende te vergoeden.

6. DE BESLISSING

Voor wat betreft de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen premie AVBZ 2007 en winstbelasting 2007 en naheffingsaanslagen loonbelasting 2008 en premie AVBZ 2008

Het Gerecht:

Voor wat betreft de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen loonbelasting, premies AOV/AWW, AVBZ en BBO over de jaren 2017 tot en met 2020

Het Gerecht:

Voor wat betreft proceskosten en griffierechten

Het Gerecht:

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 27 maart 2026 , in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Frontstreet 58 (The Courthouse)

Philipsburg

Sint Maarten

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?