GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202600077
Vonnisdatum: 13 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in Saint Martin (Franse deel),
eiseres,
tegen
[gedaagde],
wonend in Sint Maarten,
gedaagde.
De zaak in het kort
Eiseres vordert betaling van achterstallige huur en ontruiming van het gehuurde. Gedaagde voert verschillende verweren. Het Gerecht wijst de vorderingen af. Het is geen vaststaande geldvordering en er is ook geen andere grond voor ontruiming.
Summary of the case
The plaintiff is claiming payment of rent arrears and eviction from the rented property. The defendant has put forward various defenses. The court rejects the claims. It is not a fixed monetary claim and there are no other grounds for eviction.
1. Verloop van de procedure
Eiseres heeft op 26 januari 2026 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens heeft op 6 februari 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Gedaagde heeft een pleitnota overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen hebben verklaard.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 3 januari 2025 hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor een periode van twee jaar met betrekking tot het appartement aan [adres], beginnende op 1 januari 2025 en eindigende op 31 december 2027 tegen een huurprijs van USD 550,- per maand. Het appartement behoort aan de vader van eiseres. De vader heeft eiseres opgedragen en gemachtigd om voor en namens hem een huurovereenkomst met gedaagde aan te gaan.
Het pand bestaat uit drie appartementen. De GEBE-aansluiting voor het gehele pand staat op naam van de vader van eiseres. Na de meter zijn er voorzieningen voor de achterliggende drie appartementen, waarvan dat van gedaagde er één is.
De huur werd aanvankelijk door de bejaarde vader van eiseres bij gedaagde opgehaald. Gedaagde heeft op 2 februari 2026 per bank een bedrag van USD 1.650,- (drie maanden huur) aan eiseres betaald.
3. Het geschil
Eiseres vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. Gedaagde te bevelen om binnen vierentwintig uur na het in dezen te wijzen vonnis of althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum het appartement plaatselijk bekend als [adres], Middle Region, met al de haren en allen die menen zich een recht daartoe te ontlenen te ontruimen en deze leeg ter vrije beschikking van eiseres te stellen.
2. Gedaagde te veroordelen om bij wijze van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres de som van USD 1.650,- zijnde het aan eiseres tot en met 1 maart 2025 verschuldigd achterstallig en onbetaald gebleven huur te betalen, dit te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot en met de dag van de algehele voldoening, met door betaling van het huur tot en met de dag van de ontruiming
3. Gedaagde te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.
Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde haar huur structureel te laat betaald, soms tegen de 17de van de maand. Zij stoort zich niet aan aanschrijvingen van eiseres. Op een schrijven bezorgd per deurwaardersexploot, waarin de ontruiming per 31 december 2025 werd aangezegd, heeft gedaagde niet gereageerd, Zij is ongestoord het appartement blijven bewonen en heeft vanaf november 2025 geen huur meer betaald. Onlangs is eiser te weten gekomen dat gedaagde er een gewoonte heeft gemaakt om huurovereenkomsten aan te gaan, de woning betrekken en na de eerste maand geen huur meer te betalen met als gevolg dat zij al eerder door tussenkomst van het Gerecht ontruimd is geweest. De belopen schade is voorlopig begroot op USD 1.650,- zijnde de onbetaald gebleven huur over de maanden november en december 2025 en januari 2026.
Het structureel niet betalen van huur door gedaagde kan niet meer worden veroorloofd daar de vader van eiseres afhankelijk is van de huuropbrengst en iedere tekortkoming in dat kader hem financieel beïnvloed.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer, waarop hierna bij de beoordeling zal worden ingegaan.
4. De beoordeling
Eiseres vordert betaling van een geldsom en ontruiming van het gehuurde. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechter bij de vraag of een geldvordering in kort geding toewijsbaar is, onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is. Daarnaast moet bij de eisende partij een spoedeisend belang bestaan, waardoor het voeren van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Voldoende staat vast dat gedaagde de huur over de maanden november 2025, december 2025 en januari 2026 ten tijde van het betekenen van het verzoekschrift niet had betaald. De huur voor deze drie maanden is op 2 februari 2026 door gedaagde voldaan.
Het Gerecht verwerpt de stelling van eiseres dat gedaagde structureel te laat heeft betaald. Uit de door haarzelf overlegde kwitanties blijkt dat de huur in 2025 tot en met de maand september 2025 telkens per kas op de 8e, 9e of 10e van de lopende maand is betaald.
Het Gerecht verwerpt ook de stelling dat gedaagde er een gewoonte van heeft gemaakt om huurovereenkomsten aan te gaan, de woning betrekken en na de eerste maand geen huur meer te betalen. Allereerst, omdat dat standpunt op geen enkele wijze is onderbouwd. En daarnaast omdat de stelling in strijd is met het feit dat eiseres zelf voorafgaande aan de lopende huurovereenkomst met gedaagde een eerdere huurovereenkomst voor dit appartement heeft gesloten, die liep van 1 augustus 2022 tot 1 augustus 2024.
Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd en onderbouwd dat zij in oktober 2025 de gehele GEBE-factuur heeft betaald, die op naam staat van de vader van eiseres. Kennelijk was die door de vader niet eerder betaald, want er was een achterstand ontstaan van drie maanden, waarna GEBE water en elektriciteit heeft afgesloten. Na betaling door gedaagde heeft GEBE de aansluiting hersteld. Gedaagde diende 1/3 van de GEBE-facturen te betalen, de andere twee huurders ook ieder 1/3. Gedaagde heeft haar betaling verrekend met de huur over de maand oktober 2025. Zij heeft daarom ook niet gereageerd op de door de deurwaarder op 31 oktober 2025 betekend brief van eiseres, waarin in verband met wanbetaling (huur oktober en november 2025) het einde van de huur per 31 december 2025 werd aangekondigd.
Uit de overgelegde stukken en correspondentie tussen partijen volgt dat er vanaf december 2025 discussie is tussen partijen over de achterstand in huurbetalingen. Nog voorafgaande aan het uitbrengen van het verzoekschrift heeft gedaagde op 9 januari 2026 aan eiseres laten weten dat zij voor de tweede maal door GEBE is afgesloten, waarna zij voor de tweede maal het totaal aan GEBE verschuldigde bedrag aan GEBE heeft betaald. Ook heeft gedaagde aan eiseres verzocht om haar een bankrekening op te geven, op welke rekening de achterstallige huur kon worden voldaan.
De vraag is nu welk bedrag gedaagde precies nog aan eiseres verschuldigd is. Dat is al een reden om de gevorderde betaling af te wijzen. Het lijkt te gaan om de maanden oktober 2025 en februari 2026, verminderd met het bedrag dat gedaagde voor de andere huurders aan GEBE heeft betaald (dus 2/3 van haar betalingen, want 1/3 was zij zelf verschuldigd). Gelet op deze onduidelijkheid van de bestaande huurachterstand, kan de vordering tot betaling in kort geding niet worden toegewezen. En gezien de huurbetalingen en de discussie over de verrekening van de door gedaagde betaalde GEBE-facturen, is onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure in het voorgaande aanleiding zal zien om de huurovereenkomst te ontbinden. Daarom moet de vordering tot ontruiming in kort geding worden afgewezen.
Partijen dienen met inachtneming van wat in 4.6. is overwogen, nu de balans op te maken en duidelijke afspraken te maken wie zorgdraagt voor betaling van de GEBE-facturen, opdat voorkomen wordt dat de aansluiting opnieuw wordt afgesloten.
proceskosten
Gedaagde heeft de huurachterstand meer laten oplopen dan nodig was in verband met haar beroep op verrekening. Anderzijds zullen de door eiseres ingestelde vorderingen worden afgewezen. Partijen worden dus over en weer in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren.
5. De beslissing
Het Gerecht:
Rechtdoende in kort geding:
wijst de vorderingen af;
compenseert de proceskosten, ieder draagt de eigen kosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door J.J. Evers-Maria, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.