GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202501379
beschikking 25 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in Sint Maarten,
verzoekster,
gemachtigde: mr. C. Gibbes,
tegen
de naamloze vennootschap ANNEMARIE’S CLEANING SERVICES N.V.,
gevestigd te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. Maduro
Partijen zullen hierna met ‘werknemer’ en ‘werkgever’ worden aangeduid.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift met producties
de aanvullende producties 8-10 van werknemer
de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.
Ten slotte is de datum voor de beslissing bepaald op vandaag.
2. De feiten
Werknemer is sinds 16 december 2003 in dienst bij werkgever als schoonmaakster krachtens een arbeidsovereenkomst van, thans, onbepaalde tijd. Sinds 17 januari 2025 is werknemer arbeidsongeschikt. Het werk is voor haar te zwaar geworden. Ze kan niet voor langere tijd staan. Haar arbeidsongeschiktheid is in het afgelopen jaar van tijd tot tijd bevestigd door de SZV. Er is geen reëel vooruitzicht dat zij zal herstellen.
De vordering
Werknemer verzoekt haar gratis admissie te verlenen, de arbeidsovereenkomst tussen partijen met inachtneming van een maand te ontbinden, werkgever te veroordelen tot betaling van een cessantia-uitkering van Cg 11.499,69 netto, werkgever te veroordelen om “desnoods bij wijze van voorschot” aan werknemer haar achterstallige salaris vanaf 1 januari 2025 te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, werkgever te veroordelen tot het verstrekken van een loonspecificatie voor de cessantia-uitkering, alsmede tot het verstrekken van een loonbelastingskaart 2025 op straffe van een dwangsom voor afzonderlijk het overleggen van de loonspecificatie en de loonbelastingkaart van Cg 500,00 voor iedere dag dat zij daaraan niet zal voldoen tot een maximum van Cg 50.000,00, Daarnaast verzoekt zij werkgever te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten die zij heeft moeten maken ter hoogte van het daarvoor in het Procesreglement bepaalde tarief, en werkgever te veroordelen in de kosten van de procedure.
Werkgever voert verweer. Zij stelt dat werknemer niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat, naar zij stelt, een ontbindingsverzoek in verband met ziekte pas kan worden gedaan als de ziekte langer dan een jaar heeft geduurd. Werknemer is nog geen jaar ziek. Verder is alleen het salaris van januari 2026 achterstallig. Werknemer gaat ook van een onjuist salaris uit, hetgeen van belang is voor de berekening van de hoogte van de cessantia-uitkering en de vraag of en in hoeverre sprake is van achterstallig loon over het jaar 2025, waarvan werknemer betaling vordert.
4. De beoordeling
Werknemer verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst waarop het verweer van werkgever is dat dit verzoek pas na een jaar ziekte kan worden gedaan. Los van de vraag wat het belang is van werkgever bij dit verweer, snijdt het geen hout. Werkgever staat kennelijk artikel 7:670 BW SM voor ogen waarin staat dat de werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat werknemer ziek is tenzij de ziekte ten minste een jaar heeft geduurd. Echter, het gaat hier niet om een opzegging door de werkgever, maar om een ontbindingsverzoek van de werknemer dat te allen tijde kan worden voldaan. Afgezien daarvan zijn we nu inmiddels een jaar verder. Maar ook werknemer lijkt te miskennen dat het hier niet om een opzegging gaat maar om een ontbinding. Zij verzoekt namelijk de termijn waarop de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden te stellen op een maand. Kennelijk heeft zij daarbij het, ook in haar verzoekschrift, genoemde artikel 7:672 lid 3 BW SM op het oog, maar ook bij dit artikel gaat over een opzegging en niet over een ontbinding. Er is geen enkele reden om de arbeidsovereenkomst niet met onmiddellijke ingang te ontbinden. Er zijn verder geen verweren tegen de gevorderde ontbinding gevoerd zodat het Gerecht dienovereenkomstig zal beslissen.
Werknemer vordert betaling van cessantia. Tegen deze vordering als zodanig heeft werkgever geen verweer gevoerd, maar anders dan werknemer stelt hij dat niet van Cg 1.877,50 netto per maand moet worden uitgegaan, maar van
Cg 2.346,87 bruto. Bij het eerste bedrag gaat het om de 80% van het salaris waartoe een werkgever als doorbetaling tijdens ziekte is gehouden.
Tegelijkertijd is ook werknemer niet duidelijk in haar opgave van het salaris. In het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij wisselende bedragen genoemd. In haar verzoekschrift stelt zij een bedrag van Cg 1.877,50 netto terwijl zij in een door haar opgesteld overzicht van achterstallig salaris uitgaat van Cg 1.068,58 netto. En uit een door haar overgelegd bankafschrift blijken weer andere bedragen. Voor de berekening van de cessantia moet in beginsel worden uitgegaan van bruto bedragen, en dan per week berekend. Echter, bij gebreke van een deugdelijke opgave daarvan door ieder van partijen, zal worden uitgegaan van wat de werknemer als netto maandsalaris heeft opgegeven in het hiervoor genoemde overzicht van achterstallig salaris. Dan gaat het om een bedrag van Cg 1,068,58 netto per maand. Dat bedrag komt neer op van Cg 246.59 netto per week. Ingevolge artikel 3 van de Cessantialandsverordening wordt de uitkering dan berekend voor het eerste tot en met tiende dienstjaar op een weekloon per dienstjaar, van het elfde tot en met het twintigste op 1 ¼ weekloon per dienstjaar en voor alle volle dienstjaren daarboven, twee weeklonen per dienstjaar. Met het door werknemer opgegeven aantal dienstjaren, welke opgave door werkgever niet is bestreden, is de berekening (10 x 1 x 246,59) + (10 x 1,25 x 246,59) + (2 x 2 x 246,59) = 2.465,90 + 3.082,38 + 986,36 = Cg 6.534,64 netto. Werkgever heeft de verplichting tot bruteren, derhalve dat werknemer de verschuldigde premies en belastingen met betrekking tot dat netto salaris zal betalen. opdat werknemer dit bedrag netto in handen krijgt en houdt.
Werknemer heeft betaling gevorderd van haar achterstallig loon, waarvoor zij verwijst naar een door haar opgesteld overzicht met netto-bedragen. Uitgaande van het meergenoemde overzicht betreft de achterstand een bedrag van Cg 4.955,68 netto. Werkgever heeft het overzicht niet bestreden, althans niet deugdelijk. Zij stelt uitsluitend dat er een achterstand is met betrekking tot januari 2026. Zij is er verder inhoudelijk niet op ingegaan. Dat leidt ertoe dat de vordering tot het door werknemer gestelde bedrag zal worden toegewezen. Werkgever zal worden veroordeeld tot maximale wettelijke verhoging van 50% daarover in verband met de te late betaling.
Werkgever zal, zoals gevorderd, de loonspecificatie van de hiervoor vermelde cesssantiauitkering moeten opstellen en aan werknemer moeten uitreiken. Ook zal werkgever de loonbelastingkaart 2025 over het door haar betaalde salaris en het door haar nog te betalen salaris over 2025 moeten opstellen en uitreiken aan gedaagde. Omdat werkgever de laatste tijd niet aan deze administratieplichten heeft voldaan en daarom niet zonder meer verwacht kan worden dat zij daaraan vrijwillig zal voldoen, zal daaraan, zoals gevorderd een dwangsom worden verbonden. Deze wordt op een lager bedrag bepaald dan gevorderd, namelijk op
Cg 50,00 voor iedere dag dat zij na betekening van deze beschikking daaraan niet zal hebben voldaan, met een maximum van Cg 5.000,00. Daarnaast wordt, anders dan gevorderd, de dwangsom gesteld op de omstandigheid dat niet aan het verstrekken van beide documenten gezamenlijk is voldaan.
Van door werknemer gemaakte kosten in verband met buitengerechtelijke werkzaamheden is niet gebleken. De daarop gerichte vordering van werknemer zal daarom worden afgewezen.
Werkgever zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Aan werknemer zal gratis admissie worden verleend, waardoor geen sprake is van door haar te betalen griffiegeld en deurwaarderskosten. De kosten aan haar zijde, waarin werkgever zal worden veroordeeld, betreffen daarom uitsluitend het salaris van de gemachtigde. Dat salaris zal op grond van het Procesreglement worden gesteld op Cg 2.000,00
(2 punten x tarief 4).
5. De beslissing
Het Gerecht,
verleent werknemer gratis admissie,
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen,
veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van een cessantia-uitkering van Cg 6.534,64 netto, en deze uitkering te bruteren en dienovereenkomstig de noodzakelijke afdrachten aan belastingen en premies te doen,
veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van Cg 4.955,68 netto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% hierover,
en dit salaris en deze verhoging te bruteren en dienovereenkomstig de noodzakelijke afdrachten aan belastingen en premies te doen,
veroordeelt werkgever tot het verstrekken aan werknemer van een deugdelijke loonspecificatie met betrekking tot de onder 5.3 vermelde uitkering en een loonbelastingkaart 2025, op straffe van een dwangsom van Cg 50,00 voor iedere dag dat werkgever na betekening van deze beschikking daaraan niet heeft voldaan, dit tot een maximum van Cg 5.000,00,
veroordeelt werkgever in de kosten van de procedure, die aan de zijde van werknemer worden begroot op Cg 2.000,00,
verklaart de veroordelingen onder 5.3 – 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.