GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202500767
Vonnisdatum: 31 maart 2026
in de zaak van
BUREAU TELECOMMUNICATIE EN POST ST. MAARTEN,
gevestigd in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. N.A. Evertsz,
tegen
de naamloze vennootschap
WIRELESS TELECOMMUNICATION NETWORK N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok,
Partijen zullen hierna BTP en WTN worden genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 9 juli 2025 ter griffie ingediend;
de conclusie van antwoord van 14 oktober 2025 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 18 december 2025 plaatsgevonden. Geen van beide partijen is verschenen. Daarna heeft het Gerecht na verschillende berichten over en weer bepaald dat in het kader van de behoorlijke procesorde en gelet op bewaking van de onredelijke vertraging van de procedure geen nieuwe mondelinge behandeling zou plaatsvinden, maar dat partijen de gelegenheid zouden krijgen tot repliek en dupliek.
BTP heeft op 3 februari 2026 een conclusie van repliek genomen.WTN heeft op 3 maart 2026 een conclusie van dupliek genomen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
WTN beschikt over een machtiging, verleend door de Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie, op grond van artikel 15 van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen, voor het aanleggen, aanwezig hebben, in stand houden en exploiteren van een televisie-inrichting op Sint Maarten. Deze machtiging is geldig tot 15 maart 2031.
BTP is belast met de incasso van de door WTN verschuldigde vergoedingen.
Als gevolg van technische beperkingen van het door WTN gehanteerde systeem, moesten in 2024 technische maatregelen worden genomen. BTP heeft geen toestemming verleend voor die aanpassingen.
Op 11 april 2024 heeft WTN in een “promissory note” verklaard de volgende bedragen aan BTB verschuldigd te zijn:
- USD 144.208,57, voor license fees van 25 januari 2016 tot 5 juli 2022, verhoogd met wettelijke rente vanaf 8 november 2023;
- USD 17.610,95 voor license fees over het jaar 2024, waarover geen wettelijke rente zal worden berekend;
- USD 14.420,86 voor 10% incassokosten over het eerstvermelde bedrag, zonder dat over dit bedrag wettelijke rente zal worden berekend.
WTN verklaarde verder het totaalbedrag (USD 176.240,38) in termijnen te zullen voldoen en het verschuldigde uiterlijk 11 april 2025 te zullen hebben voldaan.
WTN heeft betalingen verricht. Het verschuldigde bedrag bedroeg per 3 juni 2025 nog USD 149.541,58.
BTP heeft verzocht conservatoir beslag te mogen leggen onder een achttal vermelde derden. Het verlof daartoe is verleend op 10 juni 2025 en BTP heeft vervolgens beslagen gelegd.
3. Het geschil
BTP vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
WTN te veroordelen om aan BTP een bedrag van USD 149.541,58 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2023, althans vanaf 8 april 2024 (aanmaning), althans vanaf datum indiening van dit verzoekschrift tot en met de dag der algehele voldoening;
WTN te veroordelen om aan BTP een bedrag van USD 22.431,24 te betalen aan de overeengekomen incassokosten (15%), althans een in goede justitie te bepalen bedrag aan incassokosten;
WTN te veroordelen in de kosten van deze procedure, de beslagkosten van XCG 3.530,75 daaronder begrepen.
BTP legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.
In de 'promissory note' zijn partijen overeengekomen dat de vordering, bij niet betaling daarvan door WTN, verhoogd zou worden met 15% incassokosten en de wettelijke rente vanaf 8 november 2023. In de laatste aanmaning d.d. 8 april 2024 is WTN aangemaand om het openstaand bedrag, alsmede de incassokosten en de wettelijke rente vanaf 8 november 2023, te voldoen. De vordering van WTN op BTP is thans in zijn geheel opeisbaar.
WTN heeft het volgende tot verweer gevoerd.
Uiteindelijk is WTN in ernstige financiële problemen komen te verkeren, als gevolg van verschillende factoren, waaronder de gevolgen van orkaan Irma, de gevolgen van de Covid periode en niet in de laatste plaats de wanprestatie van het Land Sint Maarten ten aanzien van een settlement (payment) agreement en tegenwerking van BTP. WTN was niet langer in de positie om te investeren in moderne equipment en technology. Als gevolg van de financiële problemen had WTN geen andere keuze dan om in mei 2025 alle bedrijfsactiviteiten te staken om verdere verliezen en schulden te voorkomen.
WTN erkent een bedrag verschuldigd te zijn aan BTP, maar BTP heeft in de afgelopen jaren bijgedragen aan de financiële problemen van WTN. Daarom moet bij de bepaling van het bedrag dat WTN aan BTP verschuldigd is, hiermee rekening worden gehouden.
4. De beoordeling
De vordering in hoofdsom
WTN heeft de vordering erkend. Na een aantal deelbetalingen door WTN bedraagt het aan BTP verschuldigde in hoofdsom nog USD 149.541,58. WTN heeft verzocht rekening te houden met de bijdrage van BTP in de financiële problemen van WTN. Hiertoe heeft WTN verwezen naar verschillende gebeurtenissen, die zich al vóór 10-10-10 zouden hebben afgespeeld. BTP heeft een en ander gemotiveerd betwist, onder andere door te stellen dat WTN verwijst naar een entiteit die niet meer bestaat, BTP NA in plaats van BTP SXM, waarmee WTN later zaken heeft gedaan.
Wat er ook zij van de juistheid van de betwiste stellingen over de geschiedenis tussen partijen, vast staat dat WTN op 11 april 2024 in de “Promissory note” heeft verklaard de daarin vermelde bedragen aan BTP verschuldigd te zijn (zie 2.4 in dit vonnis). Het Gerecht gaat daarom verder aan de verwijzingen van WTN voorbij. De gevorderde hoofdsom is toewijsbaar.Buitengerechtelijke kosten
In de “Promissory note” verklaart WTN een bedrag van USD 14.420,86 aan buitengerechtelijke incassokosten aan BTP verschuldigd te zijn. Dat is al een zeer aanzienlijk bedrag voor een dergelijke vordering, afgezet tegen de verrichte werkzaamheden. Onder verwijzing naar een andere bepaling in deze overeenkomst, stelt BTP nu ook nog eens een bedrag van 15% over het totaal-verschuldigde (USD 22.431,24) aan WTN in rekening te mogen brengen. Dit onderdeel van de vordering zal niet worden toegewezen. Het Gerecht is van oordeel dat een bedrag van meer dan USD 36.000,- niet meer kan worden gezien als redelijke kosten ter verkrijging buiten rechte. Bovendien worden op de door BTP gestelde wijze de incassokosten ook nog weer berekend over de incassokosten.Wettelijke rente
Partijen zijn de berekening van wettelijke rente overeengekomen over het nog openstaande bedrag in hoofdsom. Onduidelijk is wanneer WTN termijnen heeft betaald en waarop die betalingen zijn afgeboekt. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift.Proceskosten
WTN zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van BTP tot op heden begroot op:
explootkosten Cg 249,50zegelkosten Cg 10,00
griffierecht Cg 2.690,00
salaris gemachtigde Cg 6.000,00 +
totaal: Cg 8.949,50
Beslagkosten
De gevorderde beslagkosten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen.
5. De beslissing
Het Gerecht:
veroordeelt WTN tot betaling aan BTP van een bedrag van USD 149.541,58, vermeerderd met de overeengekomen wettelijke rente, vanaf 9 juli 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt WTN in de proceskosten, aan de zijde van BTP tot op heden begroot op Cg 8.949,50;
veroordeelt WTN in de beslagkosten van Cg 3.530,75;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door M.J. Schutjes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.