GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202501256
Vonnis d.d. 3 maart 2026
inzake
de naamloze vennootschap SOL ANTILLES N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident tot oproeping in vrijwaring,
gemachtigden: mr. V. Pantophlet en G. Simmons-de Jong,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht CADWELL INC,
gevestigd in Florida, U.S.A.,
gedaagde in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
gemachtigde: mr. B. Brooks.
Partijen zullen hierna Cadwell Inc. en SOL worden genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 24 februari 2025 ter griffie ingediend;
het verstekvonnis van 19 augustus 2025 met zaaknummer SXM202500223;
het verzetschrift met producties, op 17 oktober 2025 ter griffie ingediend;
de incidentele conclusie van SOL tot oproeping in vrijwaring;
het antwoord in het incident van Cadwell Inc.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald op vandaag.
2. Geschil, beoordeling
In de hoofdzaak
Bij het verstekvonnis van 19 augustus 2025 is Cadwell Inc. op vordering van SOL onder meer veroordeeld tot het betalen van USD 79.340,00 met nevenveroordelingen. Aan haar vordering heeft SOL ten grondslag gelegd dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en dat Cadwell Inc. wanprestatie heeft gepleegd. Tegen het verstekvonnis heeft Cadwell Inc. verzet gedaan.
In het incident
SOL heeft verzocht Cadwell Global Express LLC, Cadwell Recycling Inc. en [naam] in vrijwaring op te mogen roepen. Volgens SOL heeft zij belang bij deze vrijwaring indien en voor zover de vorderingen van Cadwell Inc. in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk toewijsbaar zijn. Volgens SOL, kort gezegd, is sprake van vereenzelviging van vennootschappen en is sprake van een doelbewuste constructie om aansprakelijkheid jegens SOL te ontlopen. Een regresvordering op de in vrijwaring op te roepen partijen is gerechtvaardigd, indien de vordering in de hoofdzaak wordt vermeerderd en deze geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, aldus SOL.
In het antwoord in het incident heeft Cadwell Inc. geconcludeerd tot afwijzing van het incidentele verzoek. Volgens Cadwell Inc. is geen sprake van vereenzelviging.
3. Beoordeling
In het incident
Het verzoek tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen.
Op grond van artikel 71 lid 1 Rv kan de eiser een derde partij in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat eiser in de hoofdzaak stelt dat tussen haar en de derde partij een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde partij verplicht is om de nadelige gevolgen van een veroordeling van eiser in de hoofdzaak te dragen.
Afgezien van een eventuele proceskostenveroordeling, waar het voor SOL blijkens haar stellingen niet om gaat, loopt SOL in de hoofdzaak geen risico op een veroordeling. Bij een eventuele gegrondverklaring van het verzet, wordt immers de oorspronkelijke vordering van SOL afgewezen. Vrijwaring is evenmin bedoeld om zich een alternatieve verhaalsmogelijkheid te verschaffen door bij nader inzien meer of andere gedaagden in de procedure te betrekken.
SOL zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de kant van Cadwell Inc. begroot op Cg 1.250,00 (1 punt x tarief Cg 1.250,00).
In de hoofdzaak
Het gerecht ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten.
Elke verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het Gerecht:
In het incident
wijst het verzoek af;
veroordeelt SOL in de kosten van de procedure, die aan de zijde van Cadwell Inc. worden begroot op Cg. 1.250,00, met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis;
In de hoofdzaak
gelast een, op een nader te bepalen datum en tijdstip te houden, comparitie van partijen;
verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen, door het sturen van een e-mail aan de griffie, opgave te doen van hun verhinderingen op de woensdagen en donderdagen in april, mei en juni 2026;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.