GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202501163
beschikking 14 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap FIRST AUTOMOBILE SXM B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
verzoekster,
gemachtigde: mrs. B.B. Brooks en A. Richardson,
tegen
[verweerder],
wonende te Saint Martin
verweerder,
gemachtigde: mr. C. Koster
Partijen zullen hierna met ‘werkgever en ‘werknemer’ worden aangeduid.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift
het verweerschrift tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken
de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden die aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen de stellingen en verweren van partijen hebben toegelicht.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd een regeling te
treffen, waarvoor hen een termijn is gegeven. Partijen hebben geen regeling kunnen treffen, waarna de datum voor de beslissing uiteindelijk is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat zij geen vergunning heeft voor de tewerkstelling van werknemer. Zij geeft werknemer er de schuld van dat hij niet de voor de aanvraag van de vergunning benodigde documenten tijdig heeft afgegeven waardoor zij niet in staat zou zijn geweest de tewerkstellingsvergunning tijdig aan te vragen.
3. De feiten
Werknemer is krachtens een arbeidsovereenkomst met werkgever werkzaam
In het bedrijf van werkgever tegen een maandsalaris van EUR 3.850,00. Daarnaast zijn partijen een woontoelage van EUR 1.500,00 per maand overeengekomen, voor ten minste de eerste vier maanden van de overeenkomst. Vanaf juli 2025 is werkgever gestopt met het betalen van deze woontoelage.
Werkgever is onderdeel van de Aubery Groep, met meerdere autobedrijven
in de regio, waaronder bedrijven op St Barths. Op 18 juli 2023 is werknemer bij een van de bedrijven op St Barths in dienst getreden. Daarna is hij op verzoek van de Aubery naar Sint Maarten/Saint Martin verhuisd om daar te gaan werken voor zowel een bedrijf van Aubery aan de Franse kant (Saint Martin) als aan de Nederlandse kant (Sint Maarten), het laatste zijnde het bedrijf van werkgever. Daarvoor heeft werknemer, op aandringen van Aubery dan wel werkgever, ontslag genomen bij het bedrijf van Aubery in St Barths, om vervolgens vanaf juni 2024 formeel in dienst te treden bij werkgever.
Omdat werknemer de Franse nationaliteit heeft moet voor hem een
tewerkstellingsvergunning worden verkregen om te werken op Sint Maarten.
Er is door werkgever geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd
waardoor deze ook niet is verkregen.
Uit de overgelegde producties volgt dat werkgever twee maanden na de
indiensttreding van werknemer, in september 2024, is begonnen met de voorbereiding van de aanvraag. Voor die aanvraag had werkgever een professional ingeschakeld, mevrouw [X] (hierna: [X]). Uit de door partijen overgelegde e-mails omtrent de aanvraag volgt dat [X] eerst, in september 2025, bij werkgever heeft gevraagd om de registratie van werkgever in de Labour Registry, waarna er tot februari 2025 kennelijk niets is gebeurd totdat werkgever navraag bij haar deed naar de stand van zaken. Daarop heeft [X] bij werknemer verzocht om informatie, die op dezelfde dag door werknemer werd aangeleverd. Vervolgens meldde [X] op 18 februari 2025 aan werkgever dat zij de registratie in de Labour Registry moest vernieuwen en verzocht zij werkgever daarvoor een aantal aanvullende documenten te sturen, ook nog op 25 februari 2025, waarna zij aan werkgever op 12 maart 2025 berichtte dat zij de vernieuwing voor haar zou aanvragen. Intussen had [X] werknemer verzocht om aanvullende stukken aan te leveren. Op het laatst, op 25 februari 2025, ging het om aanvullende stukken waaronder een Engelse vertaling van zijn CV en een vertaling van zijn diploma’s. Deze heeft hij op 14 maart 2025 aan [X] gestuurd. Vervolgens is pas op 30 mei 2025 een vacaturetekst aangeboden aan de krant voor plaatsing, door werknemer zelf. Plaatsing van een vacature geldt als voorwaarde voor het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning. In een e-mail van 16 juni 2025 liet [X] weten dat zij de aanvraag nog niet had ingediend bij de Labor Office omdat de daarvoor met hen gemaakte afspraak was uitgesteld, waarop werknemer nog aan haar liet weten zich grote zorgen te maken over de hele situatie van vertraging. Daarna, naar aanleiding van een telefonisch verzoek, stuurde werknemer nog weer aanvullende documenten waarom niet eerder door [X] was verzocht. Kort daarna bleek dat sprake was van een probleem met de erkenning van de diploma’s van werknemer en dat, toen dat was opgelost, de deadline voor het indienen van de aanvraag inmiddels was verstreken, waardoor, zo begrijpt het Gerecht, daarvoor een nieuwe (wacht)termijn ging lopen. Vervolgens verzocht [X] aan werkgever om expliciet akkoord te gaan met het doen van de aanvraag bij de Labor Office. Op deze aanvraag heeft werkgever niet meer gereageerd.
4. De vordering
het verzoek:
Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen, zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding.
Werknemer voert verweer. Hij verzoekt primair het ontbindingsverzoek af te wijzen, subsidiair bij toewijzing daarvan hem een vergoeding van primair
USD 75.000,00, subsidiair EUR 39.396,00 toe te kennen.
het tegenverzoek:
Werknemer verzoekt om werkgever te bevelen binnen drie dagen na de daartoe te wijzen beschikking een tewerkstellingsvergunning voor hem aan te vragen op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 1.000,00 per dag dat werkgever daarmee in gebreke blijft met een maximum van USD 250.000,00. Daarnaast verzoekt hij veroordeling van werkgever tot betaling van het achterstallig salaris vanaf juli 2025, alsmede doorbetaling van het volledige salaris van
EUR 3.850,00 en EUR 1.500,00 per maand, met dien verstande dat dat dient uit te komen op een volledig jaarsalaris van EUR 78.000,00, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente. Verder vordert hij veroordeling van FA tot betaling aan hem van de bonus over 2024 van EUR 7.077,33, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Werkgever voert verweer
5. De beoordeling
op het verzoek:
Werknemer meent dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens gewichtige redenen, primair op grond van een uitgestelde dringende reden, subsidiair wegens een verandering in de omstandigheden. Werkgever verwijt werknemer dat nu na ruim een jaar nog steeds geen tewerkstellingsvergunning is afgegeven en zelfs niet is aangevraagd. Naar het oordeel van het Gerecht miskent werkgever daarmee dat het op haar weg ligt, om een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Het enige wat werknemer in dit kader heeft te doen, is het tijdig aanleveren van de daarvoor van zijn kant benodigde documenten. Uit de hiervoor onder de feiten vermelde berichten tussen werknemer enerzijds en de voor de aanvraag door werkgever ingeschakelde [X] anderzijds, blijkt dat werknemer op dit punt niets heeft laten liggen. Hij heeft steeds tijdig aan alle verzoeken om informatie in positieve zin gehoor gegeven. Uit de antwoorden die [X] heeft gegeven in een e-mail in reactie op een informatieverzoek van de gemachtigde van werkgever, blijkt dat zij daar anders over denkt. Echter, die door [X] gegeven antwoorden worden niet ondersteund in wat uit de in de procedure overgelegde e-mails blijkt.
Intussen is ook niet gebleken van een onmogelijkheid om alsnog een tewerkstellingsvergunning voor werknemer te verkrijgen. Ook niet is gebleken dat daarvoor nog stukken missen. Overigens lijkt werkgever dit ook niet te stellen. Dat het nu weer eerst een poos gaat duren voordat een aanvraag wordt behandeld en daarop wordt beslist, is een omstandigheid die niet voor rekening van werknemer maar voor werkgever komt.
De conclusie is dan ook dat van een gewichtige reden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen niet is gebleken. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt daarom afgewezen, met veroordeling van werkgever in de kosten van de procedure. Die kosten worden met een verwijzing naar het procesreglement begroot op Cg 1.500,00 in verband met het salaris van de gemachtigde.
De conclusie is ook dat werkgever nu alsnog een tewerkstellingsvergunning moet gaan aanvragen. Het zelfstandig verzoek van werknemer om werkgever daartoe te bevelen zal dan ook worden toegewezen. Daaraan zal, anders dan gevorderd, geen dwangsom worden verbonden. De continuering van de arbeidsovereenkomst terwijl daartegenover geen arbeidsinspanning van de kant van werknemer staat, moet naar het oordeel van het Gerecht nu na dit vonnis een voldoende prikkel voor werkgever zijn om alsnog de aanvraag in te dienen.
Werknemer vordert de betaling van een woonvergoeding van USD 1.500,00 per maand als onderdeel van zijn salaris. Uit de e-mails die partijen destijds bij het aangaan van de overeenkomst hebben gewisseld, blijkt dat de aanspraak daarop is beperkt tot vier maanden. Voor de periode daarna wordt een relatie gelegd met andere toelagen en premies die afhankelijk zijn van behaalde resultaten. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de stellingen van partijen op dit punt nog onvoldoende uit de verf gekomen of toegelicht. Hetzelfde geldt voor de door werknemer gevorderde bonus. De zaak zal daarom naar de arbeidsrol worden verwezen voor een akte van de zijde van werknemer om zich daarover verder uit te laten. Werkgever kan daarna, op een daarvoor nader te bepalen roldatum, een antwoordakte nemen.
6. De beslissing
Het Gerecht,
op het verzoek
wijst af het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst,
veroordeelt werkgever in de kosten van de procedure, aan de zijde van werknemer begroot op Cg 1.500,00,
op het tegenverzoek
beveelt werkgever om binnen drie dagen na de betekening van deze beschikking een tewerkstellingsvergunning voor werknemer aan te vragen en daarvan aan werknemer bewijs te verstrekken,
verwijst de zaak naar de arbeidsrol van 4 februari 2026 om 8:30 uur voor een akte (P1) van werknemer voor het onder 5.5 vermelde doel,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025.