[klaagster],
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
Zaaknummer: SXM202500854-GAZ 14/2025
Uitspraakdatum: 7 april 2026
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
klaagster,
gemachtigde: R. AGATA,
tegen
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.I. SCHRAM,
Procesverloop
Bij ministeriële beschikking van 6 november 2024 met nummer MB 2024/2234 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de ministeriële beschikking van 7 augustus 2024 met nummer MB 2024/1650, waarbij klaagster is benoemd als waarnemend secretaris-generaal, ingetrokken.
Klaagster heeft op 26 november 2024 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend tegen het primaire besluit. Bij beschikking op bezwaar van 27 juni 2025 met nummer MB 2025/910 (hierna: de beschikking op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk verklaard.
Klaagster heeft op 31 juli 2025 bij het Gerecht een pro forma bezwaarschrift (met producties) ingediend tegen de beschikking op bezwaar. Daarna zijn de gronden van het bezwaar (met producties) aangevuld.
Verweerder heeft een contra-memorie ingediend.
Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Klaagster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgedragen en voorgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Jusia, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Klaagster is sinds 1 februari 2010 in dienst van de overheid van Sint Maarten. Met ingang van 1 april 2011 heeft zij diverse functies bekleed binnen het Ministerie van Justitie. Laatstelijk was zij aangesteld als beleidsadviseur bij de afdeling Stafbureau van dit ministerie.
Bij ministeriële beschikking van 7 augustus 2024 heeft verweerder bepaald dat klaagster, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van de Secretaris-Generaal, optreedt als waarnemend Secretaris-Generaal. In dat kader is haar tevens tekeningsbevoegdheid verleend.
Bij het primaire besluit heeft verweerder voornoemde beschikking ingetrokken.
Naar aanleiding van het door klaagster tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift heeft op 11 april 2025 een hoorzitting plaatsgevonden.
De inhoud van de beschikking op bezwaar
2. In de beschikking op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit uitsluitend betrekking heeft op de beëindiging van de aan klaagster opgedragen waarneming en haar oorspronkelijke functie en rechtspositie onverlet laat. Onder verwijzing naar hetgeen het Gerecht heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 oktober 2021 (ECLI:NL:OGAACMB:2021:93), stelt verweerder zich op het standpunt dat de beëindiging van een waarneming die de formele ambtelijke status niet wijzigt, geen rechtsgevolg in het leven roept. Volgens verweerder staat tegen het primaire besluit dan ook geen bezwaar open.
Standpunt van klaagster
3. Blijkens haar bezwaarschrift kan klaagster zich niet verenigen met de door verweerder aan de beëindiging van de waarneming ten grondslag gelegde redenen. Zij stelt dat deze berusten op onjuiste, althans valse, argumenten en dat deze zijn aangevoerd met het doel haar te degraderen. Voorts voert klaagster aan dat zij in de bezwaarfase onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar bezwaar mondeling toe te lichten. Daarnaast stelt klaagster zich op het standpunt dat het primaire besluit geacht moet worden te zijn genomen namens het bevoegd gezag, nu verweerder verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken binnen het ministerie. Volgens klaagster is een mandaat- of delegatiebesluit in dit verband niet vereist.
Beoordeling door het Gerecht
Tussen partijen is in geschil of het primaire besluit, strekkende tot beëindiging van de aan klaagster opgedragen waarneming als Secretaris-Generaal, kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking.
Uit artikel 25 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) volgt dat van waarneming in de zin van dit artikel slechts sprake is bij een daartoe door of namens het bevoegd gezag genomen besluit. Ingevolge artikel 4 van de Lma wordt verstaan onder het bevoegd gezag de Gouverneur. Uit de stukken blijkt niet dat de door klaagster overgelegde ministeriële beschikkingen namens de Gouverneur zijn genomen. Evenmin is gebleken dat uit regelgeving volgt dat verweerder op grond van mandaat of delegatie bevoegd was tot het nemen van een besluit zoals bedoeld in artikel 25 van de Lma. Klaagster wordt niet gevolgd in haar stelling dat verweerder deze bevoegdheid zonder mandaat of delegatiebesluit namens de Gouverneur kan uitoefenen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de door klaagster overgelegde ministeriële beschikkingen niet namens de Gouverneur zijn genomen. Dit betekent dat geen sprake is van een rechtsgeldige aanwijzing tot waarneming in de zin van artikel 25 Lma.
Het Gerecht overweegt dat het ontbreken van bevoegdheid op zichzelf niet uitsluit dat sprake kan zijn van een voor bezwaar vatbare beschikking. Daarvoor is bepalend of de handeling is gericht op enig rechtsgevolg. In dit geval is, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, nimmer sprake geweest van een rechtspositionele maatregel als bedoeld in artikel 25 van de Lma. Dat aan klaagster tekeningsbevoegdheid is verleend, maakt dit niet anders, nu deze bevoegdheid onlosmakelijk is verbonden met de gestelde waarneming en, vanwege het ontbreken van een rechtsgeldige grondslag daarvoor, geen zelfstandige rechtspositionele betekenis heeft. Nu geen rechtsgeldige waarneming in de zin van artikel 25 Lma tot stand is gekomen, kan ook de beëindiging daarvan niet worden aangemerkt als een handeling die een wijziging brengt in de ambtelijke rechtspositie van klaagster.
Niet in geschil is dat klaagster feitelijk belast is geweest met taken en werkzaamheden die tot de functie van waarnemend Secretaris-Generaal behoren. Verweerder heeft haar daarmee belast en deze opdracht vervolgens bij het primaire besluit beëindigd. Deze dienstopdracht heeft een feitelijk karakter en is niet gericht op rechtsgevolg. De beëindiging daarvan brengt immers geen wijziging in de ambtelijke rechtspositie van klaagster. Dit kan anders zijn indien aannemelijk wordt dat aan de opgedragen werkzaamheden zodanige rechten of aanspraken waren verbonden dat de beëindiging daarvan rechtsgevolg heeft. Klaagster heeft haar stelling dat sprake is van een feitelijke degradatie echter onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd. Evenmin is gebleken van een wijziging in haar bezoldiging of haar formele functie van beleidsadviseur.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het primaire besluit niet kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Het bezwaar van klaagster is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Wat betreft de door klaagster gestelde schending van de hoorplicht overweegt het Gerecht dat uit de stukken blijkt dat op 11 april 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat klaagster daarbij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Gelet op het voorgaande is het bezwaar ongegrond, zodat het Gerecht niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling zoals door klaagster verzocht.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 7 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.