ECLI:NL:OGEAM:2026:64

ECLI:NL:OGEAM:2026:64

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer SXM202500892
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Afwijzing van benoeming tot Hoofd Landsrecherche en afwijzing van sollicitatie naar die functie. Schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het ontbreken van instemming of voordracht door de procureur-generaal kan zonder nadere motivering niet aan de afwijzing van de benoeming ten grondslag worden gelegd. De afwijzing van de sollicitatie berust niet op een inhoudelijke beoordeling van de geschiktheid van betrokkene, maar uitsluitend op het niet voortzetten van de selectieprocedure.

Uitspraak

[klaagster],

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

Zaaknummer: SXM202500892

Datum: 18 mei 2026

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

wonende te Sint Maarten,

klaagster,

gemachtigde: mr. J.J. ROGERS,

tegen

zetelende te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.,

Procesverloop

Bij beschikking van 23 juli 2025 met nummer 2025/1024 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klaagster om te worden benoemd tot Hoofd Landsrecherche afgewezen. Daarnaast heeft verweerder de sollicitatie van klaagster voor die functie afgewezen.

Klaagster heeft op 21 augustus 2025 een bezwaarschrift met producties bij het Gerecht ingediend tegen de bestreden beschikking.

Verweerder heeft een contra-memorie ingediend.

Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Klaagster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgedragen en voorgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Jusia, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op vandaag.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

Klaagster is, na een lange staat van dienst bij het Korps Politie Sint Maarten, sinds 1 januari 2012 werkzaam bij de Landsrecherche Sint Maarten. Zij is laatstelijk benoemd tot Teamleider Tactiek. Met ingang van 1 februari 2016 is zij tijdelijk uit die functie ontheven en belast met de waarneming van Coördinator Operationele Zaken.

Klaagster is sinds 23 juli 2020 belast met de waarneming van de functie van Hoofd van de Landsrecherche Sint Maarten. Zij heeft deze functie onafgebroken waargenomen, met uitzondering van de periode van 14 mei 2024 tot en met 27 januari 2025, waarin zij uit die functie was ontheven.

Bij brief van 10 juli 2024 heeft klaagster verweerder verzocht haar op grond van artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten (hierna: het Rechtspositiebesluit) aan te stellen in de functie van Hoofd van de Landsrecherche. Daarnaast heeft zij bij brief van 12 juli 2024 op die functie gesolliciteerd.

Op 31 januari 2025 heeft klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, een onderhoud gehad met verweerder over haar positie als Hoofd Landsrecherche naar aanleiding van voormeld verzoek.

Inhoud van de bestreden beschikking

2. Verweerder heeft het verzoek van klaagster om aanstelling op grond van artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit en haar sollicitatie naar de functie van Hoofd Landsrecherche afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat benoeming in de functie van Hoofd Landsrecherche ingevolge artikel 4 van het Landsbesluit organisatie, taken en bevoegdheden Landsrecherche (hierna: het Organisatiebesluit) uitsluitend kan geschieden bij landsbesluit en met voorafgaande instemming van de procureur-generaal. Volgens verweerder geeft deze bepaling uitvoering aan artikel 9, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet Politie) en artikel 35, vierde lid, van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet Openbare Ministeries), en prevaleert deze als lex specialis boven artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit. Volgens verweerder zou een benoeming zonder voorafgaande instemming van de procureur-generaal in strijd zijn met het Organisatiebesluit en de toepasselijke rijkswetgeving. Daarnaast zou een dergelijke benoeming afbreuk doen aan de positie, bevoegdheden en het institutionele gezag van de procureur-generaal. Nu de in 2024 gestarte sollicitatieprocedure feitelijk is gestaakt, heeft verweerder ook de sollicitatie van klaagster afgewezen.

Standpunten van partijen

Klaagster stelt dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel. Onder verwijzing naar haar langdurige waarneming van de functie van Hoofd Landsrecherche betoogt zij dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit, zodat verweerder gehouden is haar in die functie aan te stellen. Volgens klaagster kan artikel 4 van het Organisatiebesluit niet worden aangemerkt als lex specialis ten opzichte van artikel 38 van het Rechtspositiebesluit, reeds omdat beide bepalingen verschillende materie regelen. Ook bieden de tekst en ontstaansgeschiedenis van het Organisatiebesluit volgens haar geen steun voor dat standpunt.

Verder voert klaagster aan dat zij de functie jarenlang naar volle tevredenheid waarneemt en dat verweerder zich ten onrechte achter het ontbreken van instemming van de procureur-generaal verschuilt. Volgens klaagster blijkt hieruit feitelijk dat de procureur-generaal haar aanstelling blokkeert. Zij acht het onaanvaardbaar dat zij langdurig met de waarneming van de functie wordt belast zonder uitzicht op aanstelling. Van precedentwerking of aantasting van het gezag van de procureur-generaal kan volgens haar, gelet op de omstandigheden van het geval, geen sprake zijn. Ten slotte stelt klaagster dat ook haar sollicitatie ten onrechte is afgewezen zonder dat de sollicitatieprocedure is voortgezet.

Verweerder stelt dat de Landsrecherche een bijzondere positie inneemt binnen het staatsbestel van Sint Maarten en dat de wetgever daarom heeft voorzien in een bijzondere benoemingsprocedure, waarbij de instemming van de procureur-generaal een essentiële waarborg vormt. Volgens verweerder volgt uit artikel 9 van de Rijkswet politie en artikel 35 van de Rijkswet Openbare Ministeries dat instemming van de procureur-generaal een constitutief vereiste is voor benoeming tot Hoofd Landsrecherche. Een aanstelling op grond van artikel 38 van het Rechtspositiebesluit kan daarom niet plaatsvinden in strijd met deze hogere regelgeving. Klaagster kan volgens verweerder reeds hierom geen aanspraak maken op aanstelling in de functie.

Wettelijk kader

Artikel 9, eerste lid, van de Rijkswet politie bepaalt dat de procureur-generaal in elk van de landen beschikt over een recherche die hij kan belasten met onderzoeken naar feiten of gedragingen die de integriteit van de overheid van de landen kunnen aantasten en zijn begaan door natuurlijke personen of rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de uitvoering daarvan.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat het hoofd van de recherche van Curaçao en Sint Maarten bij landsbesluit op voordracht van de procureur-generaal wordt benoemd.

Artikel 35, vierde lid, van de Rijkswet Openbare Ministeries – voor zover hier van belang – bepaalt dat de procureur-generaal bevoegd is in het belang van een goede rechtsbedeling te vorderen dat door hem aangewezen ambtenaren van politie worden belast met onderzoek naar integriteitschendingen en ambtsdelicten.

Artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening politie bepaalt dat de Minister belast is met het aanstellen, bevorderen, schorsen en ontslaan van ambtenaren van politie, met dien verstande dat plaatsing van ambtenaren van politie die uitsluitend of in hoofdzaak belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel het verrichten van taken ten dienste van de justitie, niet geschiedt dan na overleg met de procureur-generaal. De ambtenaren van politie worden bij landsbesluit aangesteld, bevorderd, geschorst en ontslagen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel worden bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels gesteld over de rechtspositie van de ambtenaren van politie. Het Rechtspositiebesluit is een dergelijk landsbesluit.

Artikel 38, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bepaalt dat indien de taakuitvoering continuïteit in de uitoefening van een functie veronderstelt en geen andere ambtenaar van politie voor de uitvoering van die taak is aangesteld, die deze geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, dan wel indien het dienstbelang zulks vordert, de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar van politie, door de minister met de waarneming van die functie wordt belast.

Het zesde lid van dat artikel bepaalt dat indien er sprake is van gehele en volledige waarneming bedoeld in het eerste lid, uitgezonderd periodes van vakantie, die drie jaren onafgebroken heeft geduurd, de functie als een vacante functie wordt beschouwd en de betrokken ambtenaar van politie in de functie waarin deze heeft waargenomen wordt aangesteld, met ingang van de eerste dag na het voltooien van drie jaren van de waarneming, mits de wijze van functioneren van deze ambtenaar blijkens een beoordeling, zoals bedoeld in artikel 27 van dit landsbesluit gedurende de drie jaren telkens naar behoren is geweest.

Beoordeling van de weigering tot aanstelling van klaagster

Het Gerecht stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De functie van Hoofd Landsrecherche neemt een bijzondere positie in binnen het staatsbestel van Sint Maarten, waarbij de procureur-generaal ingevolge artikel 9 van de Rijkswet politie een essentiële rol vervult bij de voordracht van de hiervoor geschikte functionaris. De Rijkswet politie en de Rijkswet Openbare Ministeries zijn rijkswetgeving en hebben daarom een hogere rangorde dan landsregelgeving. De daarin neergelegde benoemingssystematiek brengt mee dat de betrokkenheid van de procureur-generaal een constitutief element vormt voor benoeming in de functie van Hoofd Landsrecherche. Het Rechtspositiebesluit en het Organisatiebesluit zijn landsbesluiten van gelijke rang en dienen in onderlinge samenhang te worden toegepast, met inachtneming van deze hogere regelgeving.

Artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit bevat een rechtspositionele regeling die onder voorwaarden kan leiden tot aanstelling in een functie die gedurende langere tijd volledig is waargenomen. Deze bepaling kan evenwel niet los worden gezien van de voor de betrokken functie geldende benoemingsvereisten zoals die voortvloeien uit de hiervoor genoemde rijkswetgeving en dient daarmee in samenhang te worden toegepast.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vereiste betrokkenheid van de procureur-generaal eraan in de weg staat dat toepassing wordt gegeven aan artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit. Dat standpunt vindt op zichzelf steun in de hiervoor vermelde benoemingssystematiek, maar vergt in het concrete geval een deugdelijke, feitelijk onderbouwde en toetsbare motivering. Die motivering ontbreekt. Niet inzichtelijk is gemaakt of, en zo ja op welke wijze, de procureur-generaal in het kader van het verzoek van klaagster om aanstelling is betrokken. Evenmin blijkt of de procureur-generaal zich inhoudelijk over een mogelijke voordracht of benoeming heeft uitgelaten. Ter zitting heeft verweerder bovendien verklaard dat geen sprake is van een expliciete instemming of weigering van de procureur-generaal.

Onder die omstandigheden kan verweerder het ontbreken van instemming of voordracht van de procureur-generaal niet zonder nadere motivering aan de afwijzing ten grondslag leggen. Zolang de betrokkenheid van de procureur-generaal niet concreet is gemaakt en inzichtelijk is gemotiveerd, kan daaraan niet de door verweerder gewenste doorslaggevende betekenis worden toegekend. De bestreden beschikking ontbeert derhalve een deugdelijke motivering en is bovendien niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Afwijzing van de sollicitatie van klaagster

Het Gerecht stelt vast dat verweerder tevens de sollicitatie van klaagster naar de functie van Hoofd Landsrecherche heeft afgewezen. Deze afwijzing berust niet op een inhoudelijke beoordeling van geschiktheid, selectiecriteria of een vergelijking met andere kandidaten, maar op de grond dat de sollicitatieprocedure niet is voortgezet en dat benoeming slechts mogelijk is met betrokkenheid van de procureur-generaal.

De enkele omstandigheid dat een sollicitatieprocedure niet is voortgezet, vormt geen zelfstandige en dragende grond voor afwijzing van een sollicitatie. Een afwijzing dient te berusten op een kenbare en toetsbare motivering binnen het toepasselijke rechtspositionele en procedurele kader. Voor zover de afwijzing steunt op het ontbreken van instemming of voordracht van de procureur-generaal, geldt hetgeen hiervoor is overwogen. Ook ten aanzien van dit onderdeel van de besluitvorming ontbreekt een concrete en toetsbare invulling van de betrokkenheid van de procureur-generaal.

Gelet op het voorgaande ontbeert ook de afwijzing van de sollicitatie een zorgvuldige voorbereiding en berust deze niet op een deugdelijke motivering.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is en de bestreden beschikking voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Verweerder zal worden opgedragen om binnen een termijn van drie maanden een nieuwe beschikking te geven op het verzoek van klaagster en op haar sollicitatie. Daarbij dient verweerder inzichtelijk te motiveren op welke wijze de procureur-generaal in het concrete geval is betrokken, tot welke uitkomst die betrokkenheid heeft geleid, en op welke gronden die uitkomst berust. Vervolgens dient verweerder te beoordelen welke betekenis daaraan toekomt voor zowel de gestelde aanspraak op grond van artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit als voor de sollicitatie van klaagster.

Verweerder dient daarbij tevens te betrekken dat klaagster de functie van Hoofd Landsrecherche gedurende een langere periode heeft waargenomen en deze functie nog steeds waarneemt. Gelet op die langdurige waarneming mag aan een weigering om tot voordracht of aanstelling over te gaan een verzwaarde motiveringseis worden gesteld. Daarbij dient verweerder inzichtelijk te maken welke afweging is gemaakt ten aanzien van het functioneren en de geschiktheid van klaagster in de door haar waargenomen functie en hoe die afweging zich verhoudt tot de beslissing om niet tot (voordracht voor) aanstelling over te gaan.

Het Gerecht ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door klaagster gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht – met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht – vast op Cg 1.400,- zijnde 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling.

Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 23 juli 2025 met nummer 2025/1024;

- draagt verweerder op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan klaagster van een bedrag van Cg 1.400,- voor de kosten van deze procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 18 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand