ECLI:NL:OGEAM:2026:66

ECLI:NL:OGEAM:2026:66

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer SXM202501312-LAR00189/2025
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Niet in behandeling genomen bezwaar vanwege capaciteitsgebrek bij de afdeling Juridische Zaken.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

[eiser],

DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN VAN SINT MAARTEN,

Uitspraakdatum: 18 mei 2026

Zaaknummer: SXM202501312-LAR00189/2025

In het geding van:

eiser,

gemachtigde: drs. U. ARON,

tegen

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.,

Procesverloop

Bij beschikking van 12 juni 2025 (hierna: de primaire beschikking) heeft verweerder de persoonsgegevens van eiser in de basisadministratie van Sint Maarten gecorrigeerd door de Nederlandse nationaliteit op eisers persoonslijst onjuist te verklaren en daaraan de Dominicaanse nationaliteit toe te voegen.

Eiser heeft op 16 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen de primaire beschikking.

Bij beroepschrift van 16 november 2025, ingediend op 20 november 2025 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier, heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 april 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw Snijders en mevrouw Williams, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling

Ontvankelijkheid van het beroep

Partijen twisten allereerst over de vraag waartegen het beroepschrift is gericht. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat het beroepschrift zich, blijkens de inhoud daarvan, richt tegen de primaire beschikking. Dit zou tot de conclusie moeten leiden dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend en derhalve niet-ontvankelijk is. Eiser heeft ter zitting betoogd – onder verwijzing naar de inhoud van het beroepschrift – dat het beroep (mede) is gericht tegen de fictieve weigering om te beslissen op zijn bezwaar.

Het Gerecht overweegt hierover als volgt. Uit de inhoud van het door eiser ingediende beroepschrift kan genoegzaam worden afgeleid dat dit niet uitsluitend is gericht tegen de primaire beschikking, maar tevens tegen het uitblijven van een beschikking op het daartegen gemaakte bezwaar. Eiser voert immers expliciet aan dat niet binnen de wettelijke beslistermijn van vier maanden op het bezwaar is beslist en dat het beroepschrift tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na het ontstaan van de fictieve weigering, is ingediend.

Het Gerecht gaat er daarom van uit dat het beroep zowel is gericht tegen de primaire beschikking als tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar.

2. Voor zover het beroepschrift is gericht tegen de primaire beschikking, stelt het Gerecht vast dat het beroep niet tijdig is ingediend, nu dit niet binnen zes weken na de dag waarop deze beschikking is gegeven, is ingesteld. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is niet gebleken. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

3. Voor zover het beroepschrift is gericht tegen de fictieve weigering om te beslissen op het gemaakte bezwaar, is het beroep wel tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk. Het Gerecht zal het beroep in zoverre hierna inhoudelijk beoordelen.

Beoordeling van het beroep tegen de fictieve weigering

4. Het Gerecht stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat verweerder het bezwaarschrift van eiser op 16 juli 2025 heeft ontvangen, maar dit niet in behandeling heeft genomen. Voorts staat vast dat tot op heden geen beschikking op het bezwaar is gegeven. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het vanwege hoge werkdruk en capaciteitsgebrek bij de afdeling Juridische Zaken niet is gelukt het bezwaar te behandelen. Inmiddels is een nieuwe Secretaris-Generaal aangesteld en bestaat de verwachting dat het bezwaar alsnog op termijn zal worden behandeld.

5. Het Gerecht overweegt dat capaciteitsgebrek verweerder niet ontslaat van zijn verplichting om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen. Op grond van de wettelijke beslistermijn diende verweerder uiterlijk op 16 november 2025 een beschikking op het bezwaar te geven. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zal het Gerecht bepalen dat verweerder alsnog een beschikking dient te geven, en wel binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Daarbij dient het bezwaar met de nodige voortvarendheid in behandeling te worden genomen en dient de in hoofdstuk 4 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) voorgeschreven bezwaarprocedure zorgvuldig te worden doorlopen.

6. Het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking strekt ertoe het bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Het bestuursorgaan dient in dat geval in beginsel alsnog een beslissing te nemen, waartegen desgewenst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. In de Lar, noch elders, is bepaald dat het uitblijven van een beschikking met een afwijzende beschikking wordt gelijkgesteld.

7. Gelet op het vorenstaande zal het Gerecht het beroep gegrond verklaren en de bestreden beschikking vernietigen. Voorts zal het Gerecht aan verweerder opdragen om binnen acht weken na heden alsnog een beschikking op het bezwaar van eiser te geven.

8. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op Cg 700,--, zijnde 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling met wegingsfactor 0,5 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak. Voorts zal het Gerecht bepalen dat verweerder aan eiser Cg 150,--dient te betalen als vergoeding van het door hem gestorte griffierecht.

De beslissing

Het Gerecht:

verklaart het beroep voor zover gericht tegen de primaire beschikking niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige gegrond en vernietigt de (fictieve) bestreden beschikking op bezwaar;

draagt verweerder op om binnen acht weken na heden alsnog een beschikking op het bezwaarschrift van eiser te geven;

bepaalt dat verweerder aan eiser zal betalen een bedrag ad Cg 700,-- en een bedrag van Cg 150,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 18 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand