Zaaknummer: HAR-29/2017
Datum beslissing: 23 januari 2018
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESLISSING
op het verzoek ex artikel 48 Advocatenlandsverordening van:
[VERZOEKSTER],
wonend in Curaçao,
verzoekster.
1. Het verloop van de procedure
Bij verzoekschrift, met producties, ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 4 juli 2017 ontvangen, verzoekt verzoekster het Hof om haar als zaakwaarnemer toe te laten.
Beslissing is bepaald op heden.
2. Standpunt van verzoeker
Verzoekster wenst op de voet van artikel 48 van de Advocatenlandsverordening te worden toegelaten als zaakwaarnemer, waarbij zij blijkens haar toelichting beroepshalve als gemachtigde in civiele zaken wil gaan optreden.
3. De beoordeling van het verzoek
Het Hof overweegt als volgt. Ten tijde van het van kracht worden van de Advocatenlandsverordening in 1959 waren er in Curaçao slechts een beperkt aantal advocaten en was het voor het verschaffen van rechtsbijstand noodzakelijk om naast advocaten ook zaakwaarnemers toe te laten, die in zaken met een beperkt financieel belang konden optreden. Inmiddels is die situatie veranderd en is er een ruim aanbod aan advocaten. Bovendien heeft de rechtsontwikkeling niet stil gestaan en moet het niveau van rechtsbijstand daarmee in de pas lopen. Ook dient er toezicht op de verleende rechtsbijstand te zijn om de kwaliteit te waarborgen en moet het via tuchtrechtspraak mogelijk zijn om de kwaliteit, dienstverlening en kosten van de rechtsbijstand te laten toetsen.
Om die redenen moet worden geoordeeld dat het instituut zaakwaarnemer niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor het in het leven is geroepen. Weliswaar heeft dat (nog) niet geleid tot aanpassing van de Advocatenlandsverordening, maar omdat het Hof over de toelating moet beslissen kan het met inachtneming van het voorgaande een afweging maken.
Er kan geen voldoende toezicht op zaakwaarnemers worden uitgeoefend en in de rechtsbijstand kan door advocaten worden voorzien. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
4. De Beslissing
Het Hof:
wijst af het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A. Saleh, S.A. Carmelia en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.