GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
Beslissing
VAN ARUBA, CURAcAO, SINT MAAR 1EN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking ex art. 43 van het Wetboek van Strafvordering
Zaaknummer: HAR 105/2017
gewezen op het beroepschrift, ingesteld tegen de beslissing van de rechter-comrnissaris bij het Gerecht in eerste aanleg van Curacao (hierna: het Gerecht) van 20 juni 2018 in de zaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats], thans gedetineerd te Venezuela.
1. Het verloop van de procedure
Op 8 maart 2018 heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. A.S.M. Blonk, advocaat te Curacao, een verzoekschrift ingediend ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering. Dat verzoek strekte ertoe dat - kort gezegd de rechter-commissaris aan het openbaar ministerie zou bevelen de met be trekking tot verzoeker uitgevaardigde bevel tot aanhouding in te trekken en de vrijheidsontneming van verzoeker met onmiddellijke ingang te beeindigen.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 20 juni 2018 zich deels onbevoegd verklaard, verzoeker deels niet-ontvankelijk verklaard en deels de verzoeken afgewezen.
Van deze beslissing is verzoeker in beroep gekomen middels een op 22 juni 2018 ter griffie van het Gerecht ingekomen beroepschrift.
In raadkamer van 10 juli 2018 zijn mr. Blonk en de procureur-generaal, mr. J. Belien, gehoord.
2. De feiten
Op 19 oktober 2016 heeft de officier van justitie te Curacao tegen verzoeker een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en tevens per gelijke datum een uitleveringsverzoek gericht aan de Venezolaanse autoriteiten.
Op 27 maart 2017 is verzoeker aangehouden in Venezuela en aldaar gedetineerd. Kennelijk is daarna door een Venezolaanse rechter de uitleveringsdetentie bevolen.
Uit de stukken blijkt dat de hoogste rechter in Venezuela bij beslissing van 4 augustus 2017 de uitlevering van verzoeker heeft bevolen, dat dit vonnis onherroepelijk is geworden, dat verzoeker thans nog in detentie verblijft en dat wordt gewacht op de feitelijke uitlevering van verzoeker aan Curacao. Desgevraagd hebben zowel de procureur-generaal als mr. Blonk een en ander bevestigd. De procureur-generaal heeft daaraan toegevoegd dat via diplomatieke wegen meerdere malen om aandacht is gevraagd voor (de afhandeling van) deze zaak.
Zaaknummer: HAR 105/2018 2
Beroepschrift [verdachte] ex artikel 43 Sv
Mr. Blonk heeft het Hof geinformeerd dat verzoeker zich bij de uitlevering heeft neergelegd en zich daartegen niet langer verzet.
De beoordeling
Het beroepschrift is tijdig ingediend.
Het Hof heeft bij aanvang van de behandeling in raadkamer medegedeeld dat, gelet op de aard van het beroepschrift en met de appointering daarvan, het verlof verondersteld wordt te zijn verleend als bedoeld in artikel 43, lid 9 van het Wetboek van Strafvordering.
De procureur-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn beroep. De gemachtigde van verzoeker heeft bij het beroepschrift gepersisteerd.
Ingevolge artikel 43 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering kan in alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.
Het Hof is van oordeel dat het Wetboek van Strafvordering geen regeling
bevat die ziet op hetgeen door de gemachtigde van verzoeker in het beroepschrift is aangevoerd.
De vraag die voorligt is of in casu sprake is van een geval waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt. Van een dergelijk geval is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Nu verzoeker zich niet langer verzet tegen de uitlevering, kan, gelet op de normale gang van zaken bij instemming van de uit te leveren persoon met de uitlevering, de uitlevering en overbrenging naar Curacao op korte termijn geschieden. Verzoeker dient daartoe in ieder geval zijn gewijzigd standpunt aan de Venezolaanse autoriteiten kenbaar te maken.
Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot het oordeel dat aan het vereiste van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende dat het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt, niet is voldaan, zodat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Bij deze stand van zaken komt het Hof niet toe aan de verdere beoordeling van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd tegen de eerste beslissing.
Zaaknummer: HAR 105/2018 3
Beroepschrift [verdachte] ex artikel 43 Sv
4. De beslissing:
Het Hof:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 24 juli 2018 door mrs. M.J. de Kort, voorzitter, M.W. Scholte en G. Edelenbos, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.C. Wormgoor, griffier.