ECLI:NL:OGHACMB:2023:349

ECLI:NL:OGHACMB:2023:349

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 30-11-2023
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer H -210/21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bevestiging met vervanging van de overwegingen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onder b (de onthouding van processtukken in de verlofprocedure), verbeterd lezen bewezenverklaring, betrouwbaarheid getuigenverklaringen, de positie van de verdachte bij het aanbestedingsproces, valsheid in geschrift: beroep op gebruikelijke overheidspraktijk slaagt niet.

Uitspraak

Zaaknummer: H-210/21

Parketnummer: 820.00001/21

Uitspraak: 30 november 2023 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het gerecht) van 23 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij vonnis vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en ter zake van het onder 1 primair, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en ontzetting van het recht ambten te bekleden voor de duur van 7 jaren.

Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.A. Brandon, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van de gronden, behoudens ten aanzien van de vrijspraak van het ten laste gelegde onder 2 en, in zoverre opnieuw recht doende, het onder 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen met dien verstande dat het Hof:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De onthouding van de processtukken in de verlofprocedure

De voorzitter van het Hof heeft op grond van artikel 7 van de Landsverordening vervolging politieke gezagdragers de vordering van de procureur-generaal toegewezen, inhoudende dat stukken van kennisneming worden uitgezonderd in het belang van de opsporing. De verdachte is op de vordering tot onthouding van stukken gehoord en heeft zijn zienswijze naar voren kunnen brengen. Tegen de beschikking tot onthouding staat geen rechtsmiddel open. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is een oordeel over de rechtmatigheid van die beschikking niet aan het Hof. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou immers op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op normschendingen die aan de voorzitter van het Hof zijn of hadden kunnen worden voorgelegd. Bovendien geldt dat – voor zover wel sprake zou zijn van schending van een voor de procesvoering wezenlijke norm (equality of arms) – die normschending nadien is hersteld, zodat geen sprake is van een onherstelbare normschending als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De onjuiste weergave van de verklaringen van de verdachten in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 28 en 29 september 2021.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de verdachten onjuist zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 28 en 29 september 2021.

Het Hof overweegt als volgt.

Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden bij de totstandkoming van het proces-verbaal in eerste aanleg. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de raadsman van [de verdachte] en [de medeverdachte 1] en de raadsvrouw van [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] vermeende onjuistheden aan de orde hebben gesteld, waarna het Gerecht aan de hand van de zittingsaantekeningen van – in dit geval – twee griffiers tot de conclusie is gekomen dat het proces-verbaal op een enkel punt verbeterd dient te worden gelezen, maar voor het overige een juiste zakelijke weergave bevat van hetgeen de verdachten ter terechtzitting hebben verklaard. Het Hof is voorts niet gebleken van aanwijzingen die tot een ander oordeel leiden. De enkele betwisting van de verdediging is daarvoor onvoldoende. Het Hof gaat daarom, gelet op de wijze van onderzoek door het Gerecht, uit van een zorgvuldig onderzoek en – daarmede – de juistheid van de weergave van de verklaringen van de verdachten in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg.

Bewezenverklaring van feit 3, onder 8a, en van feit 4, onder 8a,:

Het Gerecht heeft op pagina’s 23 respectievelijk 26 van het vonnis het volgende wettig en overtuigend bewezen geacht:

Feit 3

“8.

a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2014 ten bedrage van NAf 44.657,68”

en

Feit 4

“8.

a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2014 ten bedrage van NAf 44.657,68”

Het Hof leest deze bewezenverklaring als volgt verbeterd:

Feit 3

“8.

a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2013 ten bedrage van NAf 44.657,68”

en

Feit 4

“8.

a. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2013 ten bedrage van NAf 44.657,68”

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Zaaksdossier 1

Aanvulling van de bewijsmiddelen:

[getuige 1] heeft op 11 juni 2019 onder meer het volgende verklaard:

“Ik was de contractmanager binnen de beheersdienst van VROMI. Ik hield mij bezig met de aanbesteding van de dump. Met betrekking tot de dump was de TOR al min of meer geschreven. [de verdachte] was mijn leidinggevende. Het advies voor wat betreft de toewijzing van het contract aan [bedrijf 2] kwam tot stand op basis van de puntentelling. Deze is door [de verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en mij gedaan. Ik heb de draft voor het advies geschreven en die heb ik naar [de verdachte] gestuurd.”

[getuige 1] heeft op 7 juni 2023 onder meer het volgende verklaard:

“Ik denk wel dat ik een advies heb opgesteld waarin mijn evaluaties en puntentoekenning is opgenomen. Ik wil hier wel aan toevoegen dat dat dan is gebaseerd op de methode die wordt gehandhaafd binnen VROMI. Dat is niet per se logischerwijs. De interne regelgeving was een beetje outdated. Waar ik mij aan stoorde was dat de toekenning vaak gebaseerd was op het budget. 50% van de punten ging puur om de prijs, waar op sommige contracten andere punten zwaarder hadden mogen wegen. Windward Roads had duidelijk meer expertise. Het andere bedrijf, [bedrijf 2], het was volgens mij hun eerste keer. Dit is nou een goed voorbeeld van hoe het destijds gehanteerde puntensysteem geen of te weinig rekening hield met de gevraagde expertise ten opzichte van de prijs. Ik heb de richtlijnen gehanteerd.”

[de verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Als de bids zijn binnengekomen, beginnen we met de evaluatie daarvan. We kijken naar de documenten. Er moet een lijst van documenten zijn. We kijken niet of de documenten correct zijn. [getuige 1] heeft het Internal Awarding Advice geconcipieerd.

Verbetering van de bewijsmiddelen:

Het Gerecht heeft op pagina 36 van het vonnis als bewijsmiddel opgenomen:

“In de administratie van [bedrijf 1] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [bedrijf 1] en [BEDRIJF 2], inhoudende dat [bedrijf 1] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 2] over 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 4 januari 2016 door [de medeverdachte 1] als directeur van [bedrijf 1] en [de medeverdachte 3] als directeur van [BEDRIJF 2] ondertekend.”

Het Hof leest dit bewijsmiddel als volgt verbeterd:

“In de administratie van [bedrijf 1] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [bedrijf 1] en [BEDRIJF 2], inhoudende dat [bedrijf 1] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 2] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 11 januari 2016 door [de medeverdachte 1] als directeur van [bedrijf 1] en [de medeverdachte 3] als directeur van [BEDRIJF 2] ondertekend, en treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 4 januari 2016.”

Aanvullende bewijsoverwegingen:

Betrouwbaarheid verklaringen [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3]

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1, (mede) gelet op de ontlastende verklaringen die [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris in hoger beroep als getuige in de zaak van de verdachte hebben afgelegd.

Het Hof overweegt als volgt.

Het Hof stelt vast dat de mededaders [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] veelvuldig bij de politie zijn gehoord, alsmede als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij zij uitgebreid en belastend hebben verklaard over de betrokkenheid van [de verdachte] en [de medeverdachte 1] bij het ten laste gelegde. Bedoelde processtukken maken deel uit van het procesdossier van de verdachte.

Vervolgens zijn [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] wederom gehoord, ditmaal in de strafzaak van de verdachte als getuige bij de rechter-commissaris in hoger beroep. Bij die verhoren zijn [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] (grotendeels) teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaringen en hebben zij de betrokkenheid van [de verdachte] en [de medeverdachte 1] bij het ten laste gelegde ontkend.

Het Hof heeft geen aanleiding kunnen vinden voor redenen waarom [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] bij de politie en als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg destijds niet naar waarheid hebben verklaard. Daarbij is van belang dat die verklaringen – in tegenstelling tot hun verklaringen bij de rechter-commissaris in hoger beroep – gedetailleerd zijn en op essentiële punten zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar voldoende consistent. Daarbij komt dat deze reeks van verklaringen niet op zichzelf staat, maar steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals door het Gerecht in het vonnis waarvan beroep is overwogen. Daarnaast geldt dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] – geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen – op enig moment ieder voor zich hebben aangegeven openheid van zaken te zullen geven, waarna zij niet alleen belastende verklaringen over [de verdachte] en [de medevedachte] hebben afgelegd, maar ook hun eigen rol niet onbelicht hebben gelaten en zichzelf in zoverre hebben belast. [de medeverdachte 2] heeft daar ook als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg over verklaard dat het op een gegeven moment geen zin meer had om te ontkennen en dat hij bovendien zijn verklaringen bij de politie in vrijheid heeft afgelegd. Dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] vervolgens bij de rechter-commissaris in hoger beroep ook hun eigen aandeel in het ten laste gelegde ontkennen, dan wel flink reduceren, terwijl zij bovendien inmiddels onherroepelijk zijn veroordeeld, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaringen. Ten aanzien van [de medeverdachte 2] komt daar voorts nog bij dat hij op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige is beëdigd in de zaken van [de verdachte] en [de medeverdachte 1], waarna hij heeft verklaard dat hij bij de politie verschillende verklaringen heeft afgelegd en dat hij toen steeds naar waarheid heeft verklaard.

Gelet op dit alles acht het Hof de verklaringen van [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] bij de politie en als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg geloofwaardig in tegenstelling tot hun nadien bij de rechter-commissaris in hoger beroep afgelegde verklaringen. Het Hof zal de verklaringen van [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] die zijn afgelegd bij de rechter-commissaris in hoger beroep dan ook als ongeloofwaardig terzijde schuiven.

De positie van [de verdachte] binnen de overheidsorganisatie

De raadsvrouw heeft betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat waaruit volgt dat [de verdachte] het besluit om het contract van de dump aan [BEDRIJF 2] te gunnen, heeft (kunnen) beïnvloed(en). Het Internal Awarding Advice is afkomstig van [getuige 1] en moest bovendien nog worden goedgekeurd door andere personen binnen de overheid. Uiteindelijk moet het besluit worden genomen door de Raad van Ministers, aldus de raadsvrouw.

Het Hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, volgt uit de bewijsmiddelen wel degelijk dat [de verdachte] het besluit om het contract van de dump aan [BEDRIJF 2] te gunnen, heeft (kunnen) beïnvloed(en). Als hoofd van de beheersdienst van VROMI was [de verdachte] direct betrokken bij het aanbestedingsproces. Hij fungeerde als aanspreekpunt/contactpersoon voor geïnteresseerden, beoordeelde - samen met [getuige 1], aan wie hij leiding gaf – de ingediende aanbestedingsdocumenten en adviseerde de minister van VROMI over toewijzing van de aanbesteding. Aldus was [de verdachte] in de positie om het aanbestedingsproces te beïnvloeden. Dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan blijkt uit de verklaring van [getuige 2], de toenmalige minister van VROMI, inhoudende dat [de verdachte] aan het sturen was en met allemaal mooie praatjes kwam waarom vooral [BEDRIJF 2] de aanbesteding zou moeten krijgen. Daarnaast is van belang dat [de verdachte] vanuit zijn ambt bekend was met (i) het destijds -bij de beoordeling van de aanbesteding- gehanteerde puntensysteem, dat (zoals [getuige 1] heeft verklaard) geen of te weinig rekening hield met de gevraagde expertise ten opzichte van de prijs en (ii) de werkwijze dat de ingediende aanbestedingsdocumenten niet op juistheid werden gecontroleerd (zoals [de verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Nu [de verdachte] samen met zijn vrouw en dochter de aanbestedingsdocumenten voor [BEDRIJF 2] heeft opgesteld, heeft hij deze kennis kunnen benutten om de aanbestedingsdocumenten zo op te stellen dat [BEDRIJF 2] op grond van het puntensysteem als winnaar uit de bus zou rollen. Als het ware heeft hij de rode loper voor [BEDRIJF 2] uitgerold. Op het moment dat er desondanks kritische vragen rezen bij (bijvoorbeeld) de toenmalige minister van VROMI over de gunning aan [BEDRIJF 2] op basis van het puntensysteem, heeft [de verdachte], zoals hiervoor weergegeven, zijn invloed ten gunste van [BEDRIJF 2] uitgeoefend.

Zaaksdossier 3

Verbetering van de bewijsmiddelen:

Het Hof laat op pagina 53 van het vonnis weg:

“Op 21 september 2013 is deze factuur via een zogenaamde verzamelfactuur doorbelast aan VROMI.”

Het Gerecht heeft op pagina 56 van het vonnis in voetnoot 137 het volgende weergegeven:

“Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [persoon 1] naar [persoon 2] van 10 september 2013 (DOC-220, pagina 1348).”

Het Hof leest deze weergave in voetnoot 137 als volgt verbeterd:

“Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [persoon 1] naar [de verdachte] van 10 september 2013 (DOC-220, pagina 1348).”

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer:

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 3 en 4. Hiertoe is door de verdediging aangevoerd dat het proces van de overheid dicteerde dat de facturen moesten worden aangepast om doorbelast te kunnen worden op de stelpost. Daartoe diende de factuur op naam van WWR te worden gezet, terwijl niet WWR maar een ander bedrijf de werkzaamheden daadwerkelijk had verricht. Ook diende de omschrijving van de werkzaamheden te worden aangepast naar werkzaamheden die gerelateerd waren aan de sewage. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep een schriftelijke verklaring van [de financial controller] (de financial controller van VROMI) overgelegd, waarin [de financial controller] heeft verklaard dat alle facturen die op de stelpost sewage worden doorbelast, moeten vermelden dat deze sewage-gerelateerd zijn. Daarnaast heeft de raadsvrouw facturen overgelegd, betreffende de aankoop van auto-onderdelen voor voertuigen van VROMI, met bijbehorende e-mailcorrespondentie waaruit blijkt dat toestemming is verleend om die facturen door te belasten op de stelpost sewage, zonder dat deze facturen sewage-gerelateerd waren.

Het Hof overweegt als volgt.

Het Hof stelt vast dat de ten laste gelegde facturen en offertes niet overeenkomstig de waarheid zijn opgemaakt. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd – wat daar ook van zij – maakt dat niet anders. Voor zover de verdachte heeft bedoeld dat het proces van de overheid disculperend zou zijn ten aanzien van de hiervoor bedoelde en ten laste gelegde vervalste offertes en facturen is het Hof van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat het proces van de overheid dicteerde dat die facturen en offertes dienden te worden vervalst om doorbelast te kunnen worden op de stelpost van de sewage. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat uit de door de raadsvrouw overgelegde schriftelijke verklaring van [de financial controller] – die overigens niet werkzaam was als financial controller ten tijde van de ten laste gelegde feiten – niet volgt dat facturen en offertes dienden te worden vervalst om doorbelast te kunnen worden op de stelpost van de sewage. Voorts is niet gebleken dat de door de raadsvrouw overgelegde facturen zijn vervalst en dat daarmee voor de betaling daarvan op oneigenlijke/strafrechtelijk relevante wijze gebruik is gemaakt van de stelpost sewage. Bovendien geldt dat – voor zover wel aannemelijk zou zijn geworden dat het gebruikelijk was binnen de overheid om facturen en offertes aan te passen om gebruik te maken van de stelpost – dat niet kan afdoen aan het oordeel dat de hier ten laste gelegde facturen en offertes niet naar waarheid zijn opgemaakt. Het verweer wordt daarom verworpen.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. J. van der Groen, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, (zittings)griffier, en op 30 november 2023 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.

Mr. J. van der Groen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Verheijen
  • mr. W. Foppen
  • mr. J. van der Groen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand