Zaaknummer: H-211/21
Parketnummer: 820.00002/2021
Uitspraak: 30 november 2023 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 23 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal en van wat door de verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Brooks, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep met verbetering van de gronden zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Tot slot heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Het Hof zal het vonnis voor het overige bevestigen met dien verstande dat het Hof:
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De onthouding van de processtukken in de verlofprocedure
De voorzitter van het Hof heeft op grond van artikel 7 van de Landsverordening vervolging politieke gezagdragers de vordering van de procureur-generaal toegewezen, inhoudende dat stukken van kennisneming worden uitgezonderd in het belang van de opsporing. De verdachte is op de vordering tot onthouding van stukken gehoord en heeft zijn zienswijze naar voren kunnen brengen. Tegen de beschikking tot onthouding staat geen rechtsmiddel open. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is een oordeel over de rechtmatigheid van die beschikking niet aan het Hof. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou immers op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op normschendingen die aan de voorzitter van het Hof zijn of hadden kunnen worden voorgelegd. Bovendien geldt dat – voor zover wel sprake zou zijn van schending van een voor de procesvoering wezenlijke norm (equality of arms) – die normschending nadien is hersteld, zodat geen sprake is van een onherstelbare normschending als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Opportuniteitsbeginsel
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de beslissing om de verdachte als natuurlijke persoon te vervolgen onbegrijpelijk is, nu de verdenking van het openbaar ministerie ziet op het ontvangen van steekpenningen door (onder meer) haar zoon en haar bedrijf, terwijl zij niet door het openbaar ministerie worden vervolgd. Het is bovendien standaardpraktijk van het openbaar ministerie in soortgelijke zaken dat de ondernemingen als verdachte worden aangemerkt en niet de bestuurder en/of de eigenaar van de ondernemingen, aldus de raadsvrouw.
Het Hof overweegt hiertoe als volgt.
Vooropgesteld dient te worden dat in artikel 207 van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het Hof overweegt dat het achterwege laten van vervolging van derden wier gedragingen evenzeer als die van een verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tegen een verdachte. Onderzocht moet worden of er sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling ten aanzien van in de kern gelijke gevallen en/of er sprake is van schending van het verbod van willekeur. Daarvan is naar het oordeel van het Hof in deze niet gebleken. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat het in het geheel niet aannemelijk is geworden dat het in Sint Maarten standaardpraktijk is om alleen de onderneming als verdachte aan te merken, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, alleen al omdat de door de raadsvrouw aangehaalde zaken in velerlei opzicht en op juridisch relevante onderdelen afwijken van de onderhavige zaak. Onder die omstandigheden kan dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing had kunnen komen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Tijdens het onderzoek in de data van de in beslag genomen gegevensdragers die na de huiszoeking bij het bedrijf [BEDRIJF 2] in beslag genomen zijn, werd een zip-bestand aangetroffen. In dit zip-bestand waren documenten aanwezig die betrekking hebben op het aanbestedingstraject (tender) van de landfill in het jaar 2015. De verbalisant heeft per gegevensdrager de bestandskenmerken van de aanwezige bestanden in onderstaande tabellen weergegeven.
[tabel 1]
Op 3 december 2015 stuurt de verdachte een e-mail naar [de getuige 1]: “Dear [de getuige 1], thank you for your interest in the services of [BEDRIJF 2]. As per our conversation the following has been agreed: A company will be established of which their will be 3 shareholders. (…) Equipment will be sold: please provide the bill of all equipment. Administration & Payroll: Payroll will be made for 2 persons monthly and approximately 5 persons twice a month. (…) Although not discussed I suggest you have labour contracts with your employees. (...) Kind Regards, [de verdachte]”.
[de getuige 1] heeft over de e-mail van 3 december 2015 van [BEDRIJF 2] aan hem het volgende verklaard:
“Ik denk dat [de medeverdachte 1] en ik een meeting met [de verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte) hadden bij haar op kantoor. Als ik deze mail zie dan herinner ik mij dat er gesproken is over het creëren van een holdingstructuur. In de holding zouden dan de machines komen die aan de werkmaatschappij zouden worden verhuurd. Het was een bedrijf op Anguilla waar mijn moeder de eigenaresse van zou zijn. Dit is echter nooit gebeurd. Wij hebben wel [de verdachte] betaald om het op te richten. Het heet [bedrijf 3]. [de verdachte] wilde vervolgens een Bill of sale van de machines enzo maar dat heb ik volgens mij nooit naar haar verstuurd. [de verdachte] zei dat dat beter was om een offshore op Anguilla te hebben omdat je dan minder belasting betaald. Het is niet doorgegaan omdat ik volgens mij USD 900 per maand zou moeten betalen voor die offshore. Mijn moeder voelde er ook niet zo veel voor. Ik denk dat dit contact met [de verdachte] tot stand is gekomen, omdat [de (het Hof begrijpt: de medeverdachte/partner van de verdachte) tegen haar heeft gezegd dat wij hadden gewonnen of zouden winnen. [de medeverdachte 2] heeft de eerste meeting met haar geregeld, ik had haar nummer ook helemaal niet. [de medeverdachte 2] had zijn vrouw voorgesteld als accountant en die meeting georganiseerd.”
[de medeverdachte 1] heeft het volgende verklaard:
[de getuige 1] regelde het opstellen van de aanbestedingsdocumenten die door [bedrijf 1] zijn ingediend voor de aanbesteding. Ik ben wel een keer met [de getuige 1] bij [de medeverdachte 2] thuis geweest.
Verbetering van de bewijsmiddelen:
Het Gerecht heeft op pagina 22 van het vonnis als bewijsmiddel opgenomen:
“In de administratie van [BEDRIJF 2] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [BEDRIJF 2] en [BEDRIJF 1], inhoudende dat [BEDRIJF 2] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 1] over 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 4 januari 2016 door [de verdachte] als directeur van [BEDRIJF 2] en [de medeverdachte 1] als directeur van [BEDRIJF 1] ondertekend.”
Het Hof leest dit bewijsmiddel als volgt verbeterd:
“In de administratie van [BEDRIJF 2] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [BEDRIJF 2] en [BEDRIJF 1], inhoudende dat [BEDRIJF 2] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 1] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 11 januari 2016 door [de verdachte] als directeur van [BEDRIJF 2] en [de medeverdachte 1] als directeur van [BEDRIJF 1] ondertekend, en treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 4 januari 2016.”
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid verklaringen [de getuige 1] en [de medeverdachte 1]
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1, (mede) gelet op de ontlastende verklaringen die [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris in hoger beroep hebben afgelegd.
Het Hof overweegt als volgt.
Het Hof stelt vast dat de mededaders [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] veelvuldig bij de politie zijn gehoord, alsmede als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij zij uitgebreid en belastend hebben verklaard over de betrokkenheid van [de medeverdachte 2] en [de verdachte] bij het ten laste gelegde feit.
Vervolgens zijn [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] wederom gehoord, ditmaal als getuige bij de rechter-commissaris in hoger beroep. Bij die verhoren zijn [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] (grotendeels) teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaringen en hebben zij de betrokkenheid van [de medeverdachte 2] en [de verdachte] ontkend.
Het Hof heeft geen aanleiding kunnen vinden voor redenen waarom [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] bij de politie en als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg destijds niet de waarheid hebben verklaard. Daarbij is van belang dat die verklaringen – in tegenstelling tot hun verklaringen bij de rechter-commissaris in hoger beroep – gedetailleerd zijn en op essentiële punten zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar voldoende consistent. Daarbij komt dat deze reeks van verklaringen niet op zichzelf staat, maar steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals door het Gerecht in het vonnis waarvan beroep is overwogen. Daarnaast geldt dat [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] – geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen – op enig moment ieder voor zich hebben aangegeven openheid van zaken te zullen geven, waarna zij niet alleen belastende verklaringen over [de medeverdachte 2] en [de verdachte] hebben afgelegd, maar ook hun eigen rol niet onbelicht hebben gelaten en zichzelf in zoverre hebben belast. [de getuige 1] heeft daar ook als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg over verklaard dat het op een gegeven moment geen zin meer had om te ontkennen en dat hij bovendien zijn verklaringen bij de politie in vrijheid heeft afgelegd. Dat [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] vervolgens bij de rechter-commissaris in hoger beroep ook hun eigen aandeel in het ten laste gelegde ontkennen, dan wel flink reduceren, terwijl zij bovendien inmiddels onherroepelijk zijn veroordeeld, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaringen. Ten aanzien van [de getuige 1] komt daar voorts nog bij dat hij op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige is beëdigd in de zaken van [de medeverdachte 2] en [de verdachte], waarna hij heeft verklaard dat hij bij de politie verschillende verklaringen heeft afgelegd en dat hij toen steeds naar waarheid heeft verklaard.
Gelet op dit alles acht het Hof de verklaringen van [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] afgelegd bij de politie en als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg geloofwaardig. Dit in tegenstelling tot hun nadien bij de rechter-commissaris in hoger beroep afgelegde verklaringen. Het Hof zal de verklaringen van [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris in hoger beroep dan ook als ongeloofwaardig terzijde schuiven.
Verbetering van de bewijsoverwegingen
De betrokkenheid van [de verdachte] bij het aanbestedingsproces
Het Hof vervangt het deel van de bewijsoverweging op pagina 18 van het vonnis van het Gerecht met betrekking tot de betrokkenheid van [de verdachte] bij het aanbestedingsproces (“[de verdachte] heeft gesteld dat (…) Ministerie van VROMI ter attentie van [de medeverdachte 2]”), door de navolgende bewijsoverweging.
[de verdachte] heeft gesteld dat niet zij, maar haar dochter [de medeverdachte 2] in het kader van een stageproject aan de aanbestedingsdocumenten heeft gewerkt. [de medeverdachte 2] zou dat hebben gedaan op de computer van de verdachte, waardoor abusievelijk de naam van [de verdachte] als creator van bepaalde documenten is verschenen.
Het Hof overweegt als volgt.
Het Hof beziet de in de documenteigenschappen genoemde gegevens in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen. Zo is [de getuige 1] veelvuldig bij de politie en als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord, waarbij hij consistent heeft verklaard dat [de verdachte] betrokken was bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten van [BEDRIJF 1]. Die verklaring wordt voorts ondersteund door de omstandigheid dat de aanbestedingsdocumenten van [BEDRIJF 1] zijn opgeslagen in de map van het cliëntenbestand van [BEDRIJF 2], het bedrijf van de verdachte. Niet valt in te zien dat [de medeverdachte 2] (of [de medeverdachte 2]) de documenten in die map zou hebben opgeslagen, zodat niet aannemelijk is geworden dat [de medeverdachte 2] (of [de medeverdachte 2]) de creator van die documenten is. Daar komt nog bij dat uit het dossier blijkt dat [de verdachte] de financieel deskundige is, terwijl haar dochter in het kader van een stage aan de aanbestedingsdocumenten zou hebben gewerkt. Het Hof acht het ook om die reden niet aannemelijk geworden dat [de medeverdachte 2] dit zelfstandig, eigener beweging, zonder hulp van/ruggespraak met [de verdachte] heeft gedaan. Het verweer wordt daarom verworpen.
Het moet – blijkens de inhoud van de door [de verdachte] aangemaakte documenten – voor haar ook duidelijk zijn geweest dat dit documenten waren voor een aanbesteding waarin haar echtgenoot [de medeverdachte 2] ambtshalve een belangrijke rol vervulde. Niet alleen stond [de medeverdachte 2] in de advertentie voor de aanbesteding als aanspreekpunt vermeld, ook in het door [de verdachte] aangemaakte Plan of Action wordt als Employer/Principal genoemd: Ministry of VROMI met als contactpersoon: [de medeverdachte 2]. Opvallend is dat in dat Plan of Action gebruik wordt gemaakt van dezelfde teksten als in het bid van WWR uit 2011, dat door [de medeverdachte 2] van Rijkers was verkregen. In het door [de verdachte] aangemaakte en in de computer van [BEDRIJF 2] aangetroffen document Equipment for works.docx wordt gebruik gemaakt van foto’s uit datzelfde bid van WWR uit 2011. Aan het als bijlage bij de e-mail van 28 augustus 2015 gevoegde document Equipment list for work.docx, dat nagenoeg gelijkluidend is aan het in de computer van [BEDRIJF 2] aangetroffen document, hebben [de verdachte] en [de medeverdachte 2] beiden gewerkt - [de verdachte] als creator en [de medeverdachte 2] als contributor.
De betrokkenheid van [de verdachte] bij het aanbestedingsproces volgt verder uit de omstandigheid dat [de getuige 1] en [de medeverdachte 1] bij [de verdachte] thuis zijn geweest en dat zij toen – mede gelet op de e-mail van 3 december 2015 – afspraken hebben gemaakt over het verlenen van administratieve diensten door [BEDRIJF 2] aan [BEDRIJF 1], terwijl op dat moment nog niet bekend was geworden dat het contract van de dump aan [BEDRIJF 1] zou worden gegund.
De stelling van de verdediging dat de e-mail van 3 december 2015 geen betrekking heeft op [BEDRIJF 1], acht het Hof niet aannemelijk geworden. Op de eerste plaats past de e-mail van 3 december 2015 in de tijdlijn van de daadwerkelijke totstandkoming van de overeenkomst tussen [BEDRIJF 2] en [BEDRIJF 1], inhoudende dat [BEDRIJF 2] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 1] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Deze overeenkomst is immers kort na 3 december 2015 ondertekend door [de verdachte] als directeur van [BEDRIJF 2] en [de medeverdachte 1] als directeur van [BEDRIJF 1] – namelijk op 11 januari 2016 – en met terugwerkende kracht in werking getreden vanaf 4 januari 2016. Dat de e-mail van 3 december 2015 betrekking heeft op [BEDRIJF 1] leidt het Hof voorts af uit de verklaring van [de getuige 1] over die e-mail. Die verklaring wordt bovendien ondersteund door de inhoud van de door de raadsvrouw overgelegde nadere e-mailcorrespondentie tussen [de verdachte]/[BEDRIJF 2] en [betrokkene] en/of [de getuige 1]. Tot slot heeft [de verdachte] in de e-mail van 3 december 2015 vermeld dat is afgesproken dat [BEDRIJF 2] de payroll zal gaan doen voor zeven werknemers, terwijl in de Tender Proposal van [BEDRIJF 1], die op 30 november 2015 – dus slechts drie dagen eerder – is ingediend, ook is opgenomen dat zeven werknemers op de payroll van [BEDRIJF 1] staan. Het verweer wordt daarom verworpen.
Oplegging van straf
Het Gerecht heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door het hof en de gerechten plegen te worden opgelegd. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met haar echtgenoot in zijn functie van hoofd van de beheersdienst van het ministerie van VROMI, schuldig gemaakt aan het aannemen van steekpenningen van [BEDRIJF 1], in ruil voor hulp van haar echtgenoot in het kader van de gunning van het beheerscontract voor de Dump aan [BEDRIJF 1] en voor het onderhouden van een goede relatie met hem als ambtenaar. Daarvoor heeft [BEDRIJF 1] een voor de verdachte lucratieve dienstverleningsovereenkomst gesloten met haar bedrijf alsook een arbeidsovereenkomst met haar zoon tegen betaling van een maandelijks salaris dat niet in verhouding stond tot hetgeen hij feitelijk aan werkzaamheden verrichtte.
Op deze manier hebben de verdachte en haar zoon over een periode van ongeveer tweeënhalf jaar in totaal een bedrag van ruim NAf 350.000,- aan steekpenningen ontvangen.
Het spreekt voor zich dat het aannemen van steekpenningen door ambtenaren een ondermijnende invloed heeft op de samenleving. Niet alleen zijn andere bedrijven op deze manier op oneerlijke wijze beconcurreerd, ook is het contract in dit geval gegund aan een partij die – zo is achteraf gebleken – over onvoldoende know how, materiaal en financiële middelen beschikte voor een gedegen beheer van de Dump, waardoor onveilige situaties zijn ontstaan, met alle risico’s voor de volksgezondheid van dien.
De verdachte is (…) werkzaam (het Hof: geweest) binnen de regering als adviseur van de minister van Financiën. Mede omdat zij in het verleden ook politiek actief is geweest, geniet zij op Sint Maarten maatschappelijk aanzien. Dat geldt ook voor haar echtgenoot. Beiden hebben daarom een voorbeeldfunctie voor anderen en hun handelen dient integer te zijn en boven iedere twijfel verheven.
De verdachte heeft in samenwerking met haar echtgenoot echter misbruik gemaakt van diens positie. Deze vermenging van de positie van haar echtgenoot en haar eigen zakelijke belangen is zeer kwalijk.
Door aldus te handelen hebben verdachte en haar man puur voor eigen financieel gewin misbruik gemaakt van de positie die haar man bekleedde. Dit is een ernstig feit en schadelijk voor het vertrouwen dat de bevolking van Sint Maarten moet kunnen stellen in personen op belangrijke posities.
De verdachte heeft ter zitting ontkend zich te hebben schuldig gemaakt aan deze feiten en heeft er geen blijk van gegeven het strafwaardige van haar handelen in te zien.
Het Hof sluit zich daarbij aan en vervangt de overige overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.
In beginsel rechtvaardigt het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof acht een dergelijke strafoplegging in dit geval echter niet passend en geboden. Het Hof houdt hierbij rekening met het feit dat de rol die de verdachte heeft gespeeld in het geheel van gebeurtenissen beperkter is geweest dan die van haar echtgenoot. Het was haar echtgenoot die door zijn optreden, in samenhang met de macht die hij vanwege zijn functie kon uitoefenen, een onmisbare rol heeft gespeeld, terwijl de verdachte haar echtgenoot daarin slechts heeft gefaciliteerd.
Het Hof heeft acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Nu deze veroordeling ten tijde van de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde periode nog niet onherroepelijk was, zal het Hof deze veroordeling niet in het nadeel van de verdachte meewegen.
Alles afwegend, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting aangevoerd, acht het Hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient de verdachte te weerhouden van pogingen om in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. Het Hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet met de oplegging van de genoemde voorwaardelijk gevangenisstraf kan worden volstaan. Het Hof acht daarnaast oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden.
Het Hof houdt nog rekening met het feit dat in deze zaak de redelijke termijn waarbinnen de berechting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de betrokkene handelingen worden verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het Hof zal in dit geval uitgaan van de datum waarop bij de verdachte (en bij [de getuige 1] en [BEDRIJF 1]) huiszoekingen zijn gedaan, te weten op 4 en 5 december 2018 en dat de uitspraak in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 23 december 2021. Het Hof merkt daarbij op dat het verstrijken van de periode na de huiszoeking tot aan de eerste zitting op 9 april 2021 – hoewel niet verstoken van incidenten in een gelijktijdig behandelde zaak – de verdachte niet kan worden tegengeworpen. De op redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg dus ruim drie jaren geduurd. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden.
Het Hof zou zonder deze constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren hebben opgelegd. Het Hof zal hierop een korting aanbrengen van 30 uren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 12 maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 210 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 105 dagen hechtenis;
bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. J. van der Groen, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, (zittings)griffier, en op 30 november 2023 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.
Mr. J. van der Groen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
uitspraakgriffier: