Zaaknummer: H-154/22
Parketnummers: 500.00362/19 en 500.00016/22
Uitspraak: 25 maart 2024 Tegenspraak
Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 28 september 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren [1988] in [Land],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 500.00362/19 onder 2 en in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 2 en 3 ten laste gelegde en heeft de verdachte veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 500.00362/19 onder 1 en 3 en in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 1 en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over in beslag genomen voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij.
De officier van justitie heeft beperkt hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens de daarvan opgemaakte akte en de door de procureur-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting alleen gericht tegen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 2, 3 en 4 (voor wat betreft de bewezen verklaarde periode) ten laste is gelegd.
Het hoger beroep is derhalve niet gericht tegen de veroordeling ter zake van hetgeen ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 1 bewezen is verklaard (medeplegen van de invoer van 340 kilo cocaïne). Het hoger beroep is evenmin gericht tegen de veroordeling ter zake van wat ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 500.00362/19 onder 1 en 3 bewezen is verklaard (feit 1: verduistering van een dienstvuurwapen en het voorhanden hebben van dat wapen), noch tegen de in de zaak met parketnummer 500.00362/19 onder 2 gegeven vrijspraak.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 en 23 februari 2024 en 6 maart 2024.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. A.K. Tiggelaar, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, met verbetering van gronden bevestigen. Het Hof kan zich namelijk verenigen met het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat de gronden zullen worden verbeterd, in die zin dat het Hof de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de vrijspraak ter zake de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 500.00016/22 (pagina 5 t/m 12) zal vervangen. Hetgeen het openbaar ministerie in hoger beroep tegen de bewezenverklaarde periode van feit 4 heeft ingebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting en voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
Dagvaarding met parketnummer 500.00016/22
Feit 2
hij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2018, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, ongeveer 530 kilo cocaïne en/of 14 kilo hennep, althans een grote hoeveelheid cocaïne en/of een grote hoeveelheid hennep, althans een grote hoeveelheid verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Korps Politie Curacao (KPC) en/of het Openbaar Ministerie Curaçao (OM), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of door inklimming en/of door middel van een valse sleutel;
subsidiair
dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2018 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen, ongeveer 530 kilo cocaïne en/of 14 kilo hennep, althans een grote hoeveelheid cocaïne en/of een grote hoeveelheid hennep, althans een grote hoeveelheid verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Korps Politie Curaçao (KPC) en/of het Openbaar Ministerie Curaçao (OM), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die een of meer andere onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die een of meer andere onbekend gebleven perso(o)n(en) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of door inklimming en/of door middel van een valse sleutel, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 15 september 2018 tot en met 14 oktober 2018 in Curaçao,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
gebleven andere perso(o)n(en) informatie te leveren over de aanwezigheid van
de verdovende middelen in de kluis van het politiebureau en/of over de indeling van het politiebureau en/of over de locatie van de kluis in het politiebureau, en/of
- ( (een) stash/opslaglocaties voor de weg te nemen verdovende middelen te
regelen;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2018 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,
subsidiair
dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2018 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk hebben/heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in hun/zijn bezit hebben/heeft gehad en/of aanwezig hebben/heeft gehad en/of hebben/heeft aangewend,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 15 september 2018 tot en met 14 oktober 2018 in Curaçao,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2018 tot en met 22 januari 2022, in Curaçao en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk heeft in- en/of uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een (grote) hoeveelheid/ hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/ of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
Vrijspraak inzake de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 500.00016/22
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 2 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe in algemene zin – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De bedreigde getuigen zijn gehoord overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 385 lid 4 Sv bepaalt dat dergelijke verklaringen alleen dan als bewijsmateriaal mogen worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. Ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan de steun uit andere bewijsmiddelen, moet niet strikt naar de letter van de wet worden gekeken, maar naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten voor de Mens (EHRM) inzake het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Door te overwegen dat de verklaringen van de bedreigde getuigen niet in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen heeft het Gerecht bij de waardering van de bewijskracht van deze verklaringen een te zware toets aangelegd, die niet in lijn is met de recente jurisprudentie van het EHRM waarin is bepaald dat de ‘sole or decisive rule’ niet langer absolute werking heeft, omdat een schending van het recht op een eerlijk proces kan worden voorkomen wanneer zich voldoende compenserende factoren voordoen in de strafzaak.
De vraag of in het onderhavige geval afdoende uit overige bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken was bij de diefstal van de partij verdovende middelen uit het politiebureau beantwoordt het openbaar ministerie bevestigend. Het openbaar ministerie wijst in dit geval op de na te noemen bewijsmiddelen:
gestuurd bericht, waarin zij tegen de verdachte zegt dat hij heeft gedaan wat hij
heeft gedaan.
7. Een in een berichtenwisseling op 25 en 26 mei 2019 door [betrokkene 8] aan de
verdachte gezonden bericht, inhoudend dat zij buikpijn heeft omdat de politie
tegen “Son of God B” zou hebben gezegd dat hij het pand is ingegaan en dat de
verdachte hem heeft gestuurd.
8. Een op 22 januari 2022 gevoerd gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 8],
waarin deze aan de verdachte vraagt wat zij in godsnaam moet zeggen als ze
haar vragen over wat hij heeft gedaan en over de voice notes.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 2 en 3 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft in dit verband – kort gezegd – aangevoerd dat voor de verklaringen van de bedreigde getuigen, waaraan al ernstige bezwaren kleven met betrekking tot de controleerbaarheid en betrouwbaarheid, niet de in de wet vereiste ‘belangrijke steun’ kan worden gevonden in ander gebezigd bewijsmateriaal.
De verdachte heeft zich tijdens zijn verhoren bij de politie, alsook tijdens de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, voornamelijk beroepen op zijn zwijgrecht.
Oordeel van het Hof
In het dossier bevindt zich bewijsmateriaal uit zowel anonieme als niet anonieme bron. Bij de beoordeling van dit bewijsmateriaal stelt het Hof het volgende voorop.
Artikel 385 lid 4 Sv bepaalt dat verklaringen van getuigen, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 Sv zijn verhoord, alleen dan als bewijsmateriaal mogen worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend. Dit betekent dat er naast de anonieme getuigenverklaringen voldoende ondersteunend bewijs moet zijn uit andere, niet-anonieme bron dat de betrokkenheid van de verdachte bevestigt, dan wel datgene wat hij betwist. Anders dan de procureur-generaal betoogt, leidt hetgeen het EHRM in zijn rechtspraak sinds EHRM 10 april 2012, (Ellis, Simms & Martin/Verenigd Koninkrijk) heeft overwogen en beslist, niet tot de conclusie dat artikel 385 lid 4 Sv niet langer gelding toekomt, dan wel zodanig moet worden geïnterpreteerd, dat – mits sprake is van voldoende compenserende maatregelen – het bewijs ook zonder belangrijke steun uit ander, niet anoniem bewijsmateriaal kan worden aangenomen.
Het Hof moet in deze zaak dan ook beoordelen of er belastend anoniem bewijsmateriaal voorhanden is, en of er ander belastend bewijsmateriaal voorhanden is dat de belastende verklaringen van de anonieme getuigen belangrijke steun biedt.
Het Hof overweegt daartoe als volgt.
In de nacht van 13 op 14 oktober 2018 heeft er een inbraak plaatsgevonden bij het politiebureau Rio Canario. Daarbij is ongeveer 530 kilo cocaïne en 15 kilo hennep uit de kluis van de afdeling narcotica gestolen. Deze verdovende middelen waren grotendeels in beslag genomen in de onderzoeken PIP (betreffende een aanlanding van ruim 340 kilo cocaïne op 15 september 2018) en Mono (betreffende een aanlanding van bijna 150 kilo cocaïne en bijna 7 kilo hennep op 28 september 2018). Uit de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop deze diefstal heeft plaatsgevonden ontstond het vermoeden dat deze had plaatsgevonden met medewerking van binnenuit.
De [anonieme getuige 1] heeft – voor zover van belang – verklaard dat een inspecteur uit Ser’i Kandela voor [betrokkene 9] regelde dat hij zonder problemen drugs kon krijgen bij de kust. Dat ging een keer fout en de drugs werden gepakt. Die inspecteur had een rol bij de voorbereiding van die aanlanding. Die inspecteur is toen onder druk gezet om de drugs terug te halen en heeft vervolgens geholpen om die drugs te stelen. Zes jongens van de Army hebben de diefstal gepleegd. De [anonieme getuige 1] heeft verklaard deze informatie te hebben vernomen van [medeverdachte 1], die volgens de getuige na de inbraak de gestolen cocaïne verkocht.
De [anonieme getuige 2] heeft – voor zover van belang – verklaard dat iedereen zei dat [verdachte] een contact zou hebben bij de Kustwacht om drugs veilig aan te laten komen. Op een dag ging het mis en werd [verdachte] onder druk gezet om de drugs uit het politiebureau weg te halen. De getuige heeft gehoord dat [verdachte] het plan voor de drugsroof heeft gemaakt, maar er zelf niet bij was.
De [anonieme getuige 3] heeft – voor zover van belang – verklaard dat hij mensen heeft horen praten die werken met de bende Army. De “brain” van de inbraak is [verdachte]. Ze zeggen dat [verdachte] die bende het werk heeft laten doen. Hij zou hun verteld hebben waar de drugs lagen en hoe ze erbij konden komen. De getuige heeft zijn informatie van twee kennissen.
De [anonieme getuige 4] heeft – voor zover van belang – verklaard dat [verdachte] een contact had bij de Kustwacht, waardoor drugs aan land gebracht konden worden. [Verdachte] werkte voor [betrokkene 9]. Op een dag ging er iets mis en zijn mensen op zee aangehouden, die eerder bij [verdachte] langs waren geweest. [Verdachte] kreeg daardoor een hoop schulden. De getuige heeft dit gehoord van drie personen, onder wie [betrokkene 9] en [verdachte]. [Betrokkene 9] zei dat [verdachte] daarom het politiebureau is ingegaan. [Verdachte] is met leden van de Army betrokken geweest bij de drugsroof. Hij heeft zich bezig gehouden met het regelen van het busje dat bij de inbraak gebruikt zou worden. Hij heeft ook twee telefoons gekocht waarmee je alleen kon appen. De drugs werden op straat verkocht. [Verdachte] had een blok drugs met het logo van een Rolex. [Verdachte] heeft geregeld dat de mensen daar naar binnen gingen. Hij deed de voorbereiding. Hij wist de weg. Hij deed alles vooraf, aldus deze getuige.
De [anonieme getuige 5] heeft – voor zover van belang – verklaard dat hij van een jongen heeft gehoord dat [verdachte] en de jongens van de Army de inbraak hebben gepleegd. Dat had deze jongen van de vriendin van [verdachte] gehoord. [Verdachte] zocht de Army om het werk te doen. Hij was de “headman”.
Het Hof constateert dat het dossier geen enkel (direct) bewijsmiddel uit niet anonieme bron bevat dat de verdachte betrokken was bij de diefstal van de partij verdovende middelen uit het politiebureau en/of het bezit van die verdovende middelen in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 oktober 2018.
Anders dan de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat geen belangrijke steun voor de verklaringen van de anonieme getuigen kan worden ontleend aan het door haar aangehaalde gesprek van 22 januari 2022 tussen [verdachte] en verdachtes partner [betrokkene 8], waarin deze aan de verdachte vraagt wat zij in godsnaam moet zeggen als ze haar vragen over de voice notes en over wat hij heeft gedaan. Dit omdat uit dit bericht niet blijkt wat de verdachte volgens [betrokkene 8] dan zou hebben gedaan. Datzelfde geldt voor het door [betrokkene 8] in een berichtenwisseling op 25 en 26 mei 2019 aan de verdachte gezonden bericht, inhoudend dat zij buikpijn heeft omdat de politie tegen “Son of God B” zou hebben gezegd dat hij het pand is ingegaan en dat de verdachte hem heeft gestuurd. Dit omdat uit dit bericht niet blijkt of het volgens [betrokkene 8] wel of niet klopt dat de verdachte “Son of God B” door de verdachte het pand is ingestuurd. Dat [betrokkene 8] de verdachte in het bericht van 4 mei 2019 voorhoudt dat “hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan”, kan evenmin dienen als belangrijke steun voor de verklaringen van de anonieme getuigen, reeds omdat uit dit bericht niet blijkt wat de verdachte dan precies zou hebben gedaan.
De onder 1 genoemde anonieme melder en de als [anonieme getuige 4] gehoorde getuige zijn een en dezelfde persoon. Alleen al daarom kan aan diens verklaring geen steun worden ontleend voor de verklaring van de [anonieme getuige 4] en – wegens de anonimiteit van de melder, gelet op het bepaalde in artikel 385 lid 2 Sv – ook niet voor de verklaringen van de andere anonieme getuigen.
Voor wat betreft de overige door de procureur-generaal gepresenteerde en hierboven onder nummers 2 tot en met 5 weergegeven bewijsmiddelen verwijst het Hof naar de overwegingen van het Gerecht in eerste aanleg op dit punt en neemt deze over. Voor de leesbaarheid worden deze overwegingen hieronder cursief weergegeven, voorzien van een enkele aanvulling door het Hof (niet cursief).
Het eerste gesprek is op 21 oktober 2018 gevoerd tussen “[betrokkene 1] en “[betrokkene 2]. [betrokkene 2] zegt tegen [betrokkene 1] dat “[voornaam verdachte]” uit Seru Kandela hierin betrokken is. [betrokkene 2] was gisteren bij een meisje en “[voornaam verdachte]” was daar ook. “[voornaam verdachte]” had tegen dit meisje alles over het ding verklapt. En “[voornaam verdachte]” had de eigenaar van de kilo’s die in Seri Kandela woont tips en hij zijn loopjongens gestuurd om de kilo bij het politiebureau weg te nemen.
Naar aanleiding van dit OVC-gesprek is [betrokkene 2] door de politie als getuige gehoord. Zij zegt dan deze informatie van [betrokkene 5] te hebben gehoord. Anders dan de officier van justitie ziet het Gerecht hierin geen terugtrekkende beweging van [betrokkene 2] doordat zij nu ineens zou ontkennen deze informatie van “[voornaam verdachte]” zelf te hebben gehoord. Dit heeft [betrokkene 2] namelijk in het OVC-gesprek helemaal niet gezegd. Uit het OVC-gesprek volgt immers ook al dat zij de informatie van een meisje heeft gehoord en niet van “[voornaam verdachte]” zelf. Zij heeft deze informatie dus van horen zeggen. Als de politie vervolgens [betrokkene 5] als getuige hoort, zegt [betrokkene 5] dat ze “[voornaam verdachte]” amper kent en ontkent ze dat hij tegen haar over (zijn betrokkenheid bij) de inbraak heeft gesproken.
Het tweede gesprek is op 13 mei 2019 gevoerd tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3]. [betrokkene 4] zegt in dat gesprek dat [betrokkene 9] 200 kilo op het politiebureau lag. [betrokkene 9] had daar mensen binnen. De politieagenten hebben het in elkaar gezet in groepen en de 400 hebben ze verdeeld onder die jonge gasten en de politieagenten en [betrokkene 9] heeft zijn 200 kilo gekregen zonder iets te betalen.
Als [betrokkene 4] naar aanleiding van dit gesprek als getuige wordt gehoord zegt hij dat hij alles van horen zeggen heeft, dat hij niet weet welke agenten hierbij betrokken zijn en dat hij acute alzheimer heeft over dit gesprek.
Verder valt op dat in het onder 3 genoemde OVC-gesprek niet meer volgt dan dat volgens de gespreksdeelnemers politieagenten bij de inbraak betrokken waren. Naar het oordeel van het Hof kan een dergelijk algemene verwijzing naar betrokkenheid van politieagenten de conclusie dat de verdachte – toentertijd politieman – bij deze roof betrokken was geenszins dragen. De naam van de verdachte wordt niet genoemd. Andere aanknopingspunten die dwingen tot de conclusie dat het hier om (onder meer) de verdachte gaat zijn er niet.
Het derde gesprek is op 22 november 2020 gevoerd tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 10]. In dat gesprek zegt [betrokkene 10] dat er een lading was onderschept en dat [verdachte] de handelingen moest doen om de drugs uit de kluis van de BNO weg te nemen, zodat [verdachte] de mensen die hem al voor de onderschepte lading betaald hadden, hun gedeelte zouden terugkrijgen.
Als [betrokkene 10] naar aanleiding van dit gesprek als getuige wordt gehoord zegt hij dat hij alles van de straat heeft gehoord en [verdachte] niet persoonlijk kent.
Deze OVC-gesprekken beschouwend blijkt dat getuige [betrokkene 4] de naam van [verdachte] in het geheel niet noemt en dat de getuigen [betrokkene 10] en [betrokkene 2] hun informatie van de straat respectievelijk van een derde ([betrokkene 5]) hebben. En die derde, [betrokkene 5], ontkent dat vervolgens weer.
Naar het oordeel van het Gerecht kan aan deze drie OVC-gesprekken dan ook geen belangrijke steun ontleend worden, die de anonieme verklaringen ondersteunt.
Hetzelfde geldt voor het door de officier van justitie nog aangehaalde afgeluisterde gesprek van 20 april 2021 en het daaropvolgende verhoor van getuige [betrokkene 7]. In het afgeluisterde gesprek zegt [betrokkene 7] dat politieagent [betrokkene 11] samen met [voornaam verdachte] dat van die 600 kilo hebben georganiseerd. In zijn verhoor zegt [betrokkene 7] dat hij dat van de straat weet en dat iedereen in de wijk Seri Kandela dat weet. Ook hier dus weer geen directe eigen wetenschap van de getuige maar informatie van horen zeggen.
Concluderend oordeelt het Hof dat er onvoldoende bewijs uit niet anonieme bron is om te kunnen dienen als belangrijke steun voor de verklaringen van de anonieme getuigen, op grond waarvan het Hof zou kunnen komen tot bewezen verklaring van het onder parketnummer 500.00016/22 onder 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Gelet op de beslissing van het Hof om de verdachte vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 500.00016/22 onder 2 en 3 ten laste gelegde, behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren geen bespreking, nu daarbij geen belang meer is.
BESLISSING
Het Hof:
bevestigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. J. van der Groen, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van
mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 25 maart 2024 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Uitspraakgriffier