Zaaknummer: H-153/22
Parketnummers: 500.00140/21 en 500.00135/22
Uitspraak: 25 maart 2024 Tegenspraak
Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 28 september 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren [1994] in [Land],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 500.00140/21 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en heeft de verdachte veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 uiterst subsidiair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over in beslag genomen voorwerpen.
De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte wordt gelet op de daarvan opgemaakte akte, de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting en het bepaalde in artikel 434 Sv geacht alleen te zijn gericht tegen het in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 uiterst subsidiair en 2 bewezenverklaarde.
Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens de daarvan opgemaakte aktes gericht tegen de in de zaak met parketnummer 500.00140/21 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 gegeven beslissingen. Ter terechtzitting heeft de procureur-generaal te kennen gegeven het hoger beroep in de zaak met parketnummer 500.00140/21 niet te willen handhaven. Het Hof zal het openbaar ministerie, overeenkomstig de vordering van de procureur-generaal, in zoverre bij gebrek aan belang daarin niet-ontvankelijk verklaren.
Gelet op het voorgaande is de zaak met parketnummer 500.00140/21 in hoger beroep niet meer aan de orde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 en 23 februari 2024 en 6 maart 2024.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. A.K. Tiggelaar, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.K.H. Ayubi, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof verenigt zich ten dele met het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, en met de redengeving waarop dit berust, zodat dit zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 1, alsmede de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het Hof de bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 verbeteren en de strafmotivering vervangen. Het vonnis zal voor het overige worden bevestigd. Hetgeen de verdediging daartegen in hoger beroep heeft ingebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog in hoger beroep aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in de zaak met parketnummer 500.00135/22 – ten laste gelegd dat:
Dagvaarding met parketnummer 500.00135/22
Feit 1
hij op of omstreeks 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededaders, althans alleen, (een) kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;
subsidiair:
dat [medeverdachte 1] op of omstreeks 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en – al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, (een) kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, [medeverdachte 1], en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 november 2021 tot en met 22 november 2021 in Curaçao, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door die [medeverdachte 1] een vuurwapen te brengen/verschaffen;
meer subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet – al dan niet na kalm beraad en rustig overleg – (een) kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, terwijl de uitvoering van dat door [medeverdachte 1], en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
tot en/of bij welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 november 2021 tot en met 22 november 2021 in Curacao, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door die [medeverdachte 1]een vuurwapen te brengen/verschaffen;
uiterst subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 22 november 2021 te Curaçao, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 immers heeft hij, [medeverdachte 1], toen en aldaar opzettelijk dreigend (een) kogels afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was
tot en/of bij welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 november 2021 tot en met 22 november 2021 in Curacao, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door die [medeverdachte 1]een vuurwapen te brengen/verschaffen;
Feit 2
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) vuurwapens en/of (een) voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, in elk geval (een) (vuur)wapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – met eenparigheid van stemmen – wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
hij op 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Overneming van het door het Gerecht gebezigde bewijs
Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht op pagina’s 12 tot en met 23 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof vult deze bewijsmiddelen aan met de hieronder genoemde bewijsmiddelen.
10. Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen voertuig van 29 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar RST 2231 (aanvulling onderzoek Opex, R5-117 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 28 november 2023 werd gezien dat in de tuin van [adres] een grijze Toyota Vitz geparkeerd stond, met [kenteken]. [slachtoffer] meldde zich bij de rechercheurs ter plaatse als eigenaar van het voertuig. [slachtoffer] heeft, nadat hij zijn spullen uit het voertuig had gehaald, de autosleutel overgedragen.
11. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar S.G. Maduro (aanvulling onderzoek Opex, R8-01 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 28 november 2023 werd op [adres] een grijze Toyota Vitz met [kenteken] in beslag genomen.
Ik zag dat deze auto van fabriek af is geleverd met het stuur aan de rechterzijde.
Ik zag op de buitenzijde van de rechter voorportier twee beschadigingen. Deze beschadigingen zijn veroorzaakt door afgevuurde projectielen die de buitenkant van het rechter voorportier hebben geraakt.
Projectielperforatie 1
Ik zag boven de rechter voorportierkruk (handvat) een ronde c.q. ovaalvormige beschadiging in de vorm van een perforatie met een diameter van ongeveer 11 mm, gewaarmerkt als projectielperforatie Pp1. Bij nadere beschouwing van de beschadigingen constateerde ik dat de onderhavige perforatie is ontstaan door een van buiten perforerende mechanische
inwerking die de buitenblik van de rechter voorportier perforeerde.
Bij het verwijderen van de binnen bekledingsplaat van het rechter voorportier constateerde ik dat het projectiel tegen een metalen plaat van de rechter voorportier is ingeslagen. De metalen plaat voorkwam de doorgang van de projectielbaan. Bij onderzoek aan de binnenzijde van de scheiding van metalen platen van het rechter voorportier werd een gedeformeerde loden projectiel van het kaliber .38 special aangetroffen.
Kogelperforatie 2
Ik zag kleine scheurlijnen die op barst scheuren lijken aan het lak spuitwerk van het rechter voorportier. Verder zag ik rondom de beschadiging een ronde mat grijze verfverkleuring met een diameter van ongeveer zestien centimeter. Gezien het kleurverschil met de grijze metallische kleur van het voertuig is dit spuitwerk zeer waarschijnlijk later aangebracht. Zeer waarschijnlijk werd deze perforatie afgedicht met een soort vulmateriaal en grijs gespoten, nadat het projectiel een perforatie had veroorzaakt aan de buitenzijde van de rechter voorportier.
Ik zag aan de binnenzijde van de rechter voorportier een beschadiging van een uitschotmonding. Het projectiel perforeerde (inschot) de buitenkant van
de rechter voorportier, de binnenzijde bekleding (schotuitmonding) en ging
vervolgens door het panel aan de rechterzijde van het dashboard heen, waarvan het projectiel in en of achter het dashboard verdwijnt.
Naar aanleiding van het vorenstaande kon volgens verbalisanten het volgende worden geconcludeerd.
Aangezien de waargenomen beschadigingen zeer waarschijnlijk projectiel beschadigingen zijn, kan worden volstaan dat het onderhavige voertuig ten minste twee keer door een van buiten mechanisch perforerende inwerking, namelijk door afgevuurde kogels, werd geraakt;
• Gelet op de aangetroffen onderdelen van munitie, namelijk een gedeformeerde loden projectiel in het onderhavige voertuig, kan worden volstaan dat ten minste een revolver van het kaliber .38 special werd gebruikt.
Bewijsoverweging
Het Hof vervangt de bewijsoverwegingen van het Gerecht op de pagina’s 23 tot en met 25 van het vonnis waarvan beroep door onderstaande bewijsoverweging.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij een vuurwapen aan zijn broer [medeverdachte 1] ter beschikking heeft gesteld, zodat deze schoten in de richting van [slachtoffer] kon lossen. Uit het dossier blijkt niet van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewust samenwerking. Ook niet als de verdachte het wapen wel aan zijn broer heeft gegeven. Dergelijke handelingen plegen immers met medeplichtigheid in verband te worden gebracht. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat sprake was van een vooropgezet plan, zodat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord. Datzelfde geldt voor de ten laste gelegde poging tot doodslag. Daarbij is van belang dat [slachtoffer] zich niet kan herinneren dat er op hem is geschoten. Weliswaar is nader onderzoek verricht aan de auto van [slachtoffer], maar uit dat onderzoek blijkt niet wanneer de geconstateerde perforaties in de portier van die auto zijn ontstaan.
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat reeds op grond van de door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijsmiddelen, eventueel aangevuld met het proces-verbaal van het technische onderzoek aan de auto van [slachtoffer], kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag. De uiterlijke verschijningsvormen van de bewezenverklaarde handelingen duiden op het gericht met een vuurwapen schieten op een zich in een auto bevindende persoon, waarbij het niet anders kan dan dat het opzet, in elk geval in voorwaardelijke zin, gericht is geweest op de dood van die persoon. De verdachte heeft in de aanloop naar en bij de uitvoering van het schietincident nauw en bewust samengewerkt met de schutter, [medeverdachte 1]. De verdachte is, nadat [medeverdachte 1] hem vertelde dat hij [slachtoffer] tegen het lijf was gelopen, direct en voorzien van ten minste één vuurwapen, bij [medeverdachte 1] in de auto gestapt, waarna zij achter [slachtoffer] aan zijn gegaan. Zij zaten samen in de auto toen [medeverdachte 1] het vuur op de rijdende auto van [slachtoffer] opende.
Oordeel van het Hof
Vaststaat dat [medeverdachte 1] op 22 november 2021 met een door de verdachte aan hem overhandigd vuurwapen schoten in de richting van [slachtoffer] heeft gelost, terwijl [slachtoffer] zich in zijn Toyota Vitz bevond. Het Hof neemt de hierop betrekking hebbende alinea van de bewijsoverwegingen van het Gerecht (pagina 23) over en verwijst daarnaar. Voor de duidelijkheid wordt deze alinea hieronder cursief weergegeven.
Dit blijkt naast de verklaringen van de [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] ook uit een tweetal chatgesprekken, waarin [medeverdachte 1] details over de schietpartij geeft. Het eerste gesprek is op 23 november 2021 gevoerd tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1]. In dit gesprek bevestigt [medeverdachte 1] dat hij gisteren (22 november 2021) samen met [verdachte] en [betrokkene 3] in de auto zat en dat [verdachte] en [betrokkene 3] zeiden “nee niet nabij de woning van [betrokkene 3]”. Daarna zegt de verdachte (het Hof leest: [medeverdachte 1]) dat hij gisteren wel moe moest raken. Het tweede gesprek is op 27 (het Hof leest: 28) november 2021 gevoerd tussen [medeverdachte 1] en zijn broer [betrokkene 4]. Tijdens dit gesprek legt [medeverdachte 1] aan zijn broer uit wat er op de dag van het schietpartij is gebeurd. [medeverdachte 1] kwam het [slachtoffer] tegen in een toko en belde na het verlaten van de toko zijn broer, de [verdachte], en de anderen. Toen zij aankwamen, heeft [medeverdachte 1] het ding van [verdachte] genomen, waarop [betrokkene 4] antwoordt goed dat je op hem hebt geklapt.
Het Hof is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van (het medeplegen van en de medeplichtigheid aan) poging tot moord. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde kan niet worden gezegd dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het Hof stelt vast dat in hoger beroep nader onderzoek is gedaan naar de auto van [slachtoffer]. Uit dit onderzoek (weergeven onder bewijsmiddel 11) blijkt dat er twee perforaties in het portier aan de bestuurderszijde van de auto van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Een van die perforaties bevond zich net boven het handvat van de deur, de andere ter hoogte van de spiegel.
Het Hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] gericht op de rijdende auto van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl hij wist dat in ieder geval [slachtoffer] zich in die auto bevond. Door met een vuurwapen op een rijdende auto te schieten, heeft de [medeverdachte 1] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittende(n) van die auto daarbij dodelijk gewond zou(den) raken, en heeft hij deze kans op een fatale afloop op de koop toe genomen.
Dan rijst de vraag of de verdachte als medepleger dan wel als medeplichtige bij dit feit was betrokken. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
Om als medepleger te kunnen worden aangemerkt moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het Hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte, ook al was hij niet degene die heeft geschoten, als zodanig kan worden aangemerkt.
Het Hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat sprake was van een probleem tussen in ieder geval [verdachte] en (mogelijk ook) [medeverdachte 1]] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds. Toen [medeverdachte 1] [slachtoffer] die bewuste dag tegenkwam, heeft hij de verdachte gebeld. De verdachte is vervolgens naar zijn broer gegaan en heeft aan hem een wapen overhandigd. Hij is bij zijn broer in de auto gestapt en met hem op zoek gegaan naar [slachtoffer]. Ten slotte heeft hij zich nog bemoeid met de plek waar in ieder geval niet op [slachtoffer] mocht worden geschoten, namelijk bij de woning van [betrokkene 4]. De verdachte bevond zich samen met zijn broer in de auto, toen deze laatste het vuur opende op de auto van [slachtoffer]. Deze omstandigheden en gedragingen van de verdachte duiden op een substantiële bijdrage zowel voorafgaand aan als tijdens het schietincident, zodanig dat sprake is geweest van medeplegen. Het op dit punt door de raadsman gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voorgaande acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd:
ten aanzien van feit 1 primair
medeplegen van poging tot doodslag;
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een poging tot doodslag, waarvan in dit geval sprake is, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf à zes jaren gegeven.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte heeft het wapen waarmee zijn broer op de auto van [slachtoffer] heeft geschoten aan hem overhandigd, hij is met zijn broer meegegaan op zoek naar [slachtoffer], heeft zich niet onbetuigd gelaten ten aanzien van de plek waar er geschoten kon worden en was aanwezig toen zijn broer meerdere malen de trekker overhaalde. De verdachte heeft er zodoende blijk van gegeven geen respect te hebben voor het leven van een ander. Dat de verdachte niet zelf heeft geschoten, doet daaraan niet af. Dat er – voor zover bekend – geen gewonden zijn gevallen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte of zijn broer is te danken. Feiten zoals deze, waarbij een vuurwapen wordt gebruikt, schokken de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten nog voor lange tijd en soms voor altijd een grote indruk maken op de betrokkenen en psychische problemen kunnen veroorzaken.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft ook acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat hij 2020 wegens diefstal onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door en namens de verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden.
De procureur-generaal heeft overeenkomstig de richtlijnen gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Deze eis is naar het oordeel van het Hof te hoog. Het Hof betrekt bij zijn oordeel dat de verdachte niet zelf op het slachtoffer heeft geschoten.
Het Hof acht, alles afwegende, met eenparigheid van stemmen, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Het Hof stelt vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. In dat verband wijst het Hof erop dat de verdachte op 7 oktober 2022 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep en dat de behandeling in tweede aanleg eerst vandaag – aldus niet binnen zestien maanden – met een eindvonnis is afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Hof is echter van oordeel dat, gezien de (relatief) beperkte mate van de overschrijding moet worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
In beslag genomen voorwerpen
De paarse mobiele telefoon van het merk Samsung model SM-A307FN en de mobiele telefoon van het merk Samsung model SM-A013M zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Ten aanzien van deze telefoons geldt dat deze aan de verdachte toebehoren en de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid. Het Hof zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.
Teruggave aan de verdachte
Het Hof is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen blauwe telefoon van het merk Samsung. Daarom zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:67, 1:68, 1:119 en 2:259 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het Hof:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de zaak met parketnummer 500.00140/21.
vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 500.00135/22 en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 500.00135/22 onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
bevestigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de paarse mobiele telefoon van het merk Samsung model SM-A307FN en de mobiele telefoon van het merk Samsung model SM-A013M;
gelast de teruggave van de blauwe mobiele telefoon van het merk Samsung aan de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. J. van der Groen, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van
mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 25 maart 2024 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Uitspraakgriffier: