ECLI:NL:OGHACMB:2024:325

ECLI:NL:OGHACMB:2024:325, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25-03-2024, H-150/22 510.00024/21 en 500.00142/22

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba
Datum uitspraak 25-03-2024
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Medeplegen poging doodslag.

Uitspraak

Zaaknummer: H-150/22

Parketnummers: 510.00024/21 en 500.00142/22

Uitspraak: 25 maart 2024 Tegenspraak

Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 28 september 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren [2001] in [Land],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft in de zaak met parketnummer 510.00024/21 de dagvaarding nietig verklaard voor wat betreft de (onder 3 impliciet subsidiair; opm. Hof) ten laste gelegde voorbereiding van doodslag. Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 510.00024/21 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde en heeft de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 510.00024/21 onder 1, 2 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 500.00142/22 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over in beslag genomen voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft blijkens de daarvan opgemaakte akte onbeperkt appel ingesteld in de zaken met de parketnummers 510.00024/21 en 500.00142/22. De verdachte heeft bij akte van 8 februari 2024 en de ter terechtzitting gegeven toelichting te kennen gegeven het hoger beroep in de zaak met parketnummer 500.00142/22 niet te willen handhaven. Het Hof zal de verdachte, overeenkomstig de vordering van de procureur-generaal, in zoverre bij gebrek aan belang daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens de daarvan opgemaakte akte en de door de procureur-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting alleen gericht tegen het in de zaak parketnummer 510.00024/21 onder 2 bewezenverklaarde.

De zaak met parketnummer 500.00142/22 is in hoger beroep gelet op het voorgaande niet meer aan de orde.

Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 en 23 februari 2024 en 6 maart 2024.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. A.K. Tiggelaar, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.S.M. Moenir-Alam, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof verenigt zich ten dele met het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde – en met de redengeving waarop dit berust, zodat dit zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 2, alsmede de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het Hof de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 verbeteren en de strafmotivering vervangen. Het vonnis zal voor het overige worden bevestigd.Hetgeen de raadsvrouw daartegen in hoger beroep heeft ingebracht, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en/of kan niet tot een ander oordeel leiden.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog in hoger beroep aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in de zaak met parketnummer 510.00024/21 – ten laste gelegd dat:

Dagvaarding met parketnummer 510.00024/21

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 15 december 2021, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

Feit 2

primair:

hij op of omstreeks 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, (een) kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 22 november 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en – al dan niet – na kalm beraad en rustig overleg (een) kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 22 augustus 2021 te Curaçao, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend (een) kogels afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2021 tot en met 15 december 2021 in Curaçao, ter voorbereiding van het misdrijf moord en/of doodslag op [slachtoffer], in elk geval op een (onbekend gebleven) persoon, strafbaar gesteld in de artikelen 2:262 en/of 2:259 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een vuurwapen, en/of een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, en/of bijbehorende munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 4

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2021 tot en met 15 december 2021 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (een) vuurwapens en/of (een) voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, in elk geval (een) vuurwapen(s) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;

Bewezenverklaring

Het Hof acht – met eenparigheid van stemmen – wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2021 in Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, kogels heeft afgevuurd op het voertuig waarin die [slachtoffer] aanwezig was, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Overneming van het door het Gerecht gebezigde bewijs

Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht op pagina’s 23 tot en met 28 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof vult deze bewijsmiddelen aan met de hieronder genoemde bewijsmiddelen.

8. Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen voertuig van 29 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar RST 2231 (aanvulling onderzoek Opex, R5-117 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 28 november 2023 werd gezien dat in de tuin van [adres] een grijze Toyota Vitz geparkeerd stond, met [kenteken]. [Slachtoffer] meldde zich bij de rechercheurs ter plaatse als eigenaar van het voertuig. [slachtoffer] heeft, nadat hij zijn spullen uit het voertuig had gehaald, de autosleutel overgedragen.

9. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar S.G. Maduro (aanvulling onderzoek Opex, R8-01 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 28 november 2023 werd op [adres] een grijze Toyota Vitz met [kenteken] in beslag genomen.

Ik zag dat deze auto van fabriek af is geleverd met het stuur aan de rechterzijde.

Ik zag op de buitenzijde van de rechter voorportier twee beschadigingen. Deze beschadigingen zijn veroorzaakt door afgevuurde projectielen die de buitenkant van het rechter voorportier hebben geraakt.

Projectielperforatie 1

Ik zag boven de rechter voorportierkruk (handvat) een ronde c.q. ovaalvormige beschadiging in de vorm van een perforatie met een diameter van ongeveer 11 mm, gewaarmerkt als projectielperforatie Pp1. Bij nadere beschouwing van de beschadigingen constateerde ik dat de onderhavige perforatie is ontstaan door een van buiten perforerende mechanische

inwerking die de buitenblik van de rechter voorportier perforeerde.

Bij het verwijderen van de binnen bekledingsplaat van het rechter voorportier constateerde ik dat het projectiel tegen een metalen plaat van de rechter voorportier is ingeslagen. De metalen plaat voorkwam de doorgang van de projectielbaan. Bij onderzoek aan de binnenzijde van de scheiding van metalen platen van het rechter voorportier werd een gedeformeerde loden projectiel van het kaliber .38 special aangetroffen.

Kogelperforatie 2

Ik zag kleine scheurlijnen die op barst scheuren lijken aan het lak spuitwerk van het rechter voorportier. Verder zag ik rondom de beschadiging een ronde mat grijze verfverkleuring met een diameter van ongeveer zestien centimeter. Gezien het kleurverschil met de grijze metallische kleur van het voertuig is dit spuitwerk zeer waarschijnlijk later aangebracht. Zeer waarschijnlijk werd deze perforatie afgedicht met een soort vulmateriaal en grijs gespoten, nadat het projectiel een perforatie had veroorzaakt aan de buitenzijde van de rechter voorportier.

Ik zag aan de binnenzijde van de rechter voorportier een beschadiging van een uitschotmonding. Het projectiel perforeerde (inschot) de buitenkant van

de rechter voorportier, de binnenzijde bekleding (schotuitmonding) en ging

vervolgens door het paneel aan de rechterzijde van het dashboard heen, waarvan het projectiel in en of achter het dashboard verdwijnt.

Naar aanleiding van het vorenstaande kon volgens verbalisanten het volgende worden geconcludeerd.

 Aangezien de waargenomen beschadigingen zeer waarschijnlijk projectiel beschadigingen zijn, kan worden volstaan dat het onderhavige voertuig ten minste twee keer door een van buiten mechanisch perforerende inwerking, namelijk door afgevuurde kogels, werd geraakt;

• Gelet op de aangetroffen onderdelen van munitie, namelijk een gedeformeerde loden projectiel in het onderhavige voertuig, kan worden volstaan dat ten minste een revolver van het kaliber .38 special werd gebruikt.

Bewijsoverweging

Het Hof vervangt de bewijsoverwegingen van het Gerecht op de pagina’s 45 tot en met 47 van het vonnis waarvan beroep door onderstaande bewijsoverweging.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Zij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De in het vonnis aangehaalde tapgesprekken gaan over een familiebezoek, en niet over een drugsdeal. Door de vertaling van het Papiaments naar het Nederlands is de context van die gesprekken verloren gegaan. Bovendien staat niet vast dat de verdachte die gesprekken heeft gevoerd. Het is algemeen bekend dat Curaçaoënaars hun telefoon vaak uitlenen.

De raadsvrouw heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Er zijn geen getuigen, alleen ‘de auditu’-verklaringen. Gelet daarop staat niet vast dat op 22 november 2021 een schietincident heeft plaatsgevonden, noch dat het slachtoffer zich op dat moment in de auto in kwestie bevond. Niet staat vast dat sprake was van een langlopend conflict tussen de verdachte en [slachtoffer]. Als er al op de auto is geschoten, kan niet worden bewezen dat de verdachte dit heeft gedaan, nu niet is gebleken dat de verdachte de beschikking had over een wapen waarvan de in de auto van [slachtoffer] aangetroffen huls afkomstig is.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de verklaring van de politieman [getuige 1] nog aangevoerd dat hij zijn positie als ambtenaar heeft misbruikt door aangifte te doen van een feit waarvan hij geen getuige is geweest. Bovendien is de verklaring van [getuige 1] dat er geen camerabeelden beschikbaar zouden zijn ongeloofwaardig. Zijn verklaring dient derhalve te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde. Zij stelt zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte ter voorbereiding van het misdrijf opzettelijk een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft op dit punt openheid van zaken gegeven. Er is dan geen reden de verdachte niet te geloven, waar hij zegt dat hij nooit de intentie heeft gehad om [slachtoffer] lichamelijk letsel toe te brengen. Daarbij komt dat is komen vast te staan dat de verdachte nimmer over een wapen heeft kunnen beschikken waaruit de in de auto van [slachtoffer] aangetroffen huls afkomstig is. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om ten minste een getuigenverklaring over te leggen, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het in de zaak met parketnummer 510.00024/21 onder 2 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Reeds op grond van de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen, eventueel aangevuld met het proces-verbaal van het technische onderzoek aan de auto van [slachtoffer], kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag. De uiterlijke verschijningsvormen van de bewezenverklaarde handelingen duiden op het gericht met een vuurwapen schieten op een zich in een auto bevindende persoon, waarbij het niet anders kan dan dat het opzet, in elk geval in voorwaardelijke zin, gericht is geweest op de dood van die persoon. [Medeverdachte 1] heeft in de aanloop naar en bij de uitvoering van het schietincident nauw en bewust samen gewerkt met de verdachte. Hij is, nadat de verdachte hem vertelde dat hij [slachtoffer] tegen het lijf was gelopen, direct voorzien van ten minste één vuurwapen en bij de verdachte in de auto gestapt, waarna zij achter [slachtoffer] aan zijn gegaan. Zij zaten samen in de auto toen de verdachte het vuur op de rijdende auto van [slachtoffer] opende.

Oordeel van het Hof

Vaststaat dat de verdachte op 22 november 2021 met een door [medeverdachte 1] aan hem overhandigd vuurwapen schoten in de richting van [slachtoffer] heeft gelost, terwijl [slachtoffer] zich in zijn Toyota Vitz bevond. Het Hof neemt de hierop betrekking hebbende alinea van de bewijsoverwegingen van het Gerecht (pagina 45) over en verwijst daarnaar. Voor de duidelijkheid wordt deze alinea hieronder cursief weergegeven.

Dit blijkt naast de verklaringen van de [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 1] ook uit een tweetal chatgesprekken, waarin de verdachte details over de schietpartij geeft. Het eerste gesprek is op 23 november 2021 gevoerd tussen de verdachte en [betrokkene 1]. In dit gesprek bevestigt de verdachte dat hij gisteren (22 november 2021) samen met [verdachte] en [betrokkene 2] in de auto zat en dat [verdachte] en [betrokkene 2] zeiden “nee niet nabij de woning van [getuige 1]”. Daarna zegt de verdachte dat hij gisteren wel moe moest raken. Het tweede gesprek is op 27 (het Hof leest: 28) november 2021 gevoerd tussen de verdachte en zijn broer [betrokkene 3]. Tijdens dit gesprek legt de verdachte aan zijn broer uit wat er op de dag van het schietpartij is gebeurd. De verdachte kwam [slachtoffer] tegen in een toko en belde na het verlaten van de toko zijn broer, [medeverdachte 1], en de anderen. Toen zij aankwamen, heeft de verdachte het ding van [medeverdachte 1] genomen, waarop [betrokkene 3] antwoordt goed dat je op hem hebt geklapt.

Het Hof is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot moord. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde kan niet worden gezegd dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het Hof stelt vast dat in hoger beroep nader onderzoek is gedaan naar de auto van [slachtoffer]. Uit dit onderzoek (weergeven onder bewijsmiddel 9) blijkt dat er twee perforaties in het portier aan de bestuurderszijde van de auto van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Een van die perforaties bevond zich net boven het handvat van de deur, de andere ter hoogte van de spiegel.

Het Hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat er een probleem was tussen in ieder geval [medeverdachte 1] (en mogelijk ook de verdachte) enerzijds en [slachtoffer] anderzijds. Toen de verdachte [slachtoffer] die bewuste dag tegenkwam, heeft hij direct naar [medeverdachte 1] gebeld. [Medeverdachte 1] is daarop naar de verdachte toegekomen en heeft aan hem een wapen overhandigd. [Medeverdachte 1] is bij de verdachte in de auto gestapt en zij zijn samen op zoek gegaan naar [slachtoffer]. [Medeverdachte 1] heeft zich ten slotte nog bemoeid met de plek waar in ieder geval niet op [slachtoffer] mocht worden geschoten, namelijk bij de woning van [getuige 1]. De verdachte heeft uiteindelijk gericht op de rijdende auto van [slachtoffer] geschoten, terwijl hij wist dat in ieder geval [slachtoffer] zich in die auto bevond. Door met een vuurwapen op een rijdende auto te schieten, op plekken waar zich (een) inzittende(n) bevond(en), heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittende(n) van die auto daarbij dodelijk gewond zou(den) raken, en heeft hij deze kans op een fatale afloop op de koop toe genomen.

Het Hof acht de door de verbalisant [getuige 1] opgemaakte mutatie bruikbaar voor het bewijs. Het enkele feit dat hij daarin relateert wat hij van anderen ter plaatse heeft vernomen, kan op geen enkele manier de conclusie dragen dat hij zijn functie als ambtenaar heeft misbruikt, of dat niet op de inhoud van deze mutatie mag worden afgegaan. Zijn verklaring wordt, anders dan de raadsvrouw stelt, ook niet ongeloofwaardig omdat er geen camerabeelden beschikbaar zijn.

De overige door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de ten laste gelegde poging tot doodslag. De op dit punt door de raadsvrouw gevoerde verweren worden dan ook verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd:

ten aanzien van feit 2 primair

medeplegen van poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een poging tot doodslag, waarvan in dit geval sprake is, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf à zes jaren gegeven.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte heeft met een wapen dat hij van zijn broer heeft gekregen op de auto van [slachtoffer] geschoten. De verdachte heeft er zodoende blijk van gegeven geen respect te hebben voor het leven van een ander. Dat er – voor zover bekend – geen gewonden zijn gevallen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte of zijn broer is te danken. Feiten zoals deze, waarbij een vuurwapen wordt gebruikt, schokken de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten nog voor lange tijd en soms voor altijd een grote indruk maken op de betrokkenen en psychische problemen kunnen veroorzaken.

Vervolgens heeft de verdachte ter voorbereiding en uitvoering van het plan om hetzelfde slachtoffer [slachtoffer] alsnog van het leven te beroven een vuurwapen voorhanden gehad. Met deze voorbereidingshandeling was de verdachte er kennelijk op uit om [slachtoffer] van het meest kostbare bezit te beroven: zijn leven.

Verder heeft de verdachte gedurende ruim drie maanden samen met anderen in verdovende middelen gehandeld. Verdovende middelen zijn in hoge mate verslavend en vormen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers daarvan en voor de maatschappij. Daarnaast gaat de verspreiding van en handel in verdovende middelen vaak gepaard met geweldscriminaliteit en leidt tot vele andere vormen van criminaliteit bij de verslaafden. Om deze redenen dient tegen de handel in verdovende middelen krachtig te worden opgetreden. Met zijn handelen heeft de verdachte de verkoop van verdovende middelen gefaciliteerd en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit.

Tenslotte heeft de verdachte gedurende ruim drie maanden vuurwapens voorhanden gehad en in (onderdelen van) vuurwapens en munitie gehandeld. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is een groot probleem in Curaçao. Het brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dergelijke wapens verdwijnen in het illegale circuit waardoor controle van overheidswege volstrekt onmogelijk wordt en zij worden regelmatig gebruikt voor allerlei criminele activiteiten.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De procureur-generaal heeft onder verwijzing naar de richtlijnen gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Deze eis is naar het oordeel van het Hof te hoog.

Evenals het Gerecht heeft het Hof zich rekenschap gegeven van de leeftijd van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De bewezenverklaarde feiten zijn begonnen op het moment dat verdachte nog minderjarig was (de eerste periode van de handel in verdovende middelen), maar zijn doorgegaan tot ver na het moment dat verdachte meerderjarig is geworden (het medeplegen van de poging tot doodslag, de voorbereiding van moord en het voorhanden hebben van vuurwapens en de handel daarin, en opnieuw de handel in verdovende middelen). Het Hof overweegt dat het zwaartepunt ligt bij de in de periode dat de verdachte meerderjarig was gepleegde feiten, nu die feiten als strafwaardiger dienen te worden gezien. Het Hof onderschrijft ook de keuze van het Gerecht om alleen voor de feiten gepleegd in de periode dat de verdachte meerderjarig was, straf op te leggen.

Ook heeft het Hof acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat hij nooit eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld en de door en namens de verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden, zoals ook blijkt uit het rapport van Jeugdzorg van 22 juli 2022.

Het Hof acht, alles afwegende, met eenparigheid van stemmen, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Daarbij is inbegrepen de straf voor het niet aan het oordeel van het Hof onderworpen feit zoals vermeld op de dagvaarding met parketnummer 500.00142/22 (medeplegen van oplichting) die op de voet van artikel 406 lid 6 Sv wordt bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Het Hof stelt vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. In dat verband wijst het Hof erop dat de verdachte op 4 oktober 2022 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep en dat de behandeling in tweede aanleg eerst vandaag – aldus niet binnen zestien maanden – met een eindvonnis is afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Hof is echter van oordeel dat, gezien de (relatief) beperkte mate van de overschrijding moet worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

In beslag genomen voorwerpen

De mobiele telefoon van het merk Samsung SM-A115F met [IMEI nummer] en mobiele telefoon iPhone 11 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Ten aanzien van de mobiele telefoons geldt dat deze aan de verdachte toebehoren en de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid. Het Hof zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:67, 1:68, 1:119 en 2:259 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep in de zaak met parketnummer 500.00142/22;

vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 510.00024/21 en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 510.00024/21 onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

bevestigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de mobiele telefoon van het merk Samsung SM-A115F met [IMEI nummer] en de mobiele telefoon van het merk iPhone 11.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. J. van der Groen, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van

mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 25 maart 2024 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Uitspraakgriffier:

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. drs. S.M. van Lieshout
  • mr. F.V.L.M. Wannyn
  • mr. J. van der Groen

Griffier

  • mr. J. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?