ECLI:NL:OGHACMB:2024:327

ECLI:NL:OGHACMB:2024:327, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 03-09-2024, HAR-15/24

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba
Datum uitspraak 03-09-2024
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Beschikking gegeven op het bezwaarschift ex art. 1:39 Sr; bezwaar deels gegrond verklaard.

Uitspraak

Zaaknummer: HAR-15/24

Datum uitspraak: 3 september 2024

gegeven op het bezwaarschrift ex artikel 1:39 van het Wetboek van Strafrecht

(Sr) van:

[verdachte],

geboren op [datum] 1983 op [geboorteplaats],

thans alhier gedetineerd,

hierna te noemen: de veroordeelde,

raadsvrouw: mr. R.S.M. Moeniralam.

1. Het onderzoek van de zaak

De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden in raadkamer van het Hof in Curaçao op 20 augustus 2024. De behandeling heeft plaatsgevonden met bijstand van de gerechtelijke tolk in de Engelse taal,

S.C. Riding, die voor zover nodig hetgeen in raadkamer is gesproken of voorgelezen heeft vertaald.

Het Hof heeft kennisgenomen van hetgeen de veroordeelde, zijn raadsvrouw en de procureur-generaal tijdens de behandeling in raadkamer naar voren hebben gebracht.

Het Hof heeft een beslissing aangezegd, welke heden wordt gegeven.

2. De feiten

De veroordeelde is bij vonnis van het Hof van 10 juni 2008 (zaaknummer H-126/2007), na arrest van de Hoge Raad, veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van diefstal met geweld en afpersing (feit 1), medeplegen van diefstal met geweld (feit 2), medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 3), medeplegen van afpersing (feit 4), medeplegen van diefstal met geweld (feit 5), medeplegen van diefstal met geweld (feit 7), medeplegen van verkrachting (feit 8), medeplegen van moord (feit 9), medeplegen van poging tot doodslag (feit 10) en vuurwapenbezit (feit 11) tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest (vanaf 1 maart 2006). Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 15 december 2009.

Bij ministeriële beschikking van [datum] no. [nummer] heeft de Minister van Justitie besloten de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de veroordeelde achterwege te laten. De Minister van Justitie heeft bij zijn beslissing acht geslagen op het door het Centraal College voor de Reclassering (hierna: het CCR) uitgebrachte advies van 7 februari 2020.

De veroordeelde kan zich niet verenigen met voornoemde beschikking van 6 maart 2024, uitgereikt op 13 maart 2024, en heeft hiertegen op 22 maart 2024 (per e-mail) en op 25 maart 2024 (ter griffie), en dus tijdig, een bezwaarschrift ex artikel 1:39 Sr ingediend.

3. De standpunten van partijen

De raadsvrouw heeft in algemene bewoordingen aangevoerd dat onder meer een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geschonden, dat het rapport van dr. Heijtel vooringenomenheid jegens de veroordeelde laat zien en dat er geen rekening mee is gehouden dat de detentieomstandigheden voor de veroordeelde zwaar zijn. En voorts dat de in de beschikking genoemde incidenten langere tijd geleden hebben plaatsgevonden en dat hij niet de kans heeft gekregen telkens ieder strafbesluit aan te vechten.

De veroordeelde heeft ter zitting in raadkamer daaraan het volgende toegevoegd. De incidenten waarop de beslissing is gegrond hebben volgens de veroordeelde niet plaatsgevonden of zijn door hem anders bedoeld of ervaren. Hij kan zich niet vinden in het rapport van dr. Heijtel. Hij vindt de omstandigheden in detentie zwaar, onder meer door de lange duur daarvan en door zijn al jarenlange verblijf op de FOBA. Hij wil graag terugkeren in de maatschappij en vindt dat het perspectief daarop hem door de beslissing van de minister is ontnomen, omdat dat hij daardoor pas eind december 2032 in vrijheid zal worden gesteld.

De procureur-generaal stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift dient te worden afgewezen nu de minister in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

4. De beoordeling

Ingevolge artikel 1:31 tweede lid, Sr wordt de veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan.

De Minister van Justitie kan op grond van artikel 1:35, eerste lid aanhef en

onder c en e, Sr – na een daartoe strekkend advies van het CCR – bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten (onder meer) indien is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen en/of door het stellen van voorwaarden de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen niet kan worden gewaarborgd, dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven.

De Minister van Justitie heeft, gezien het advies van het CCR, beslist om de voorlopige invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege te laten en heeft daartoe overwogen dat:

1. de veroordeelde volgens psychiater dr. Heijtel een psychopathische persoonlijkheid heeft en dat hij verslaafd is aan drugs. Ook handelt de veroordeelde in drugs en wordt hij verbaal agressief als zijn handel wordt belemmerd. De veroordeelde krijgt regelmatig depotprikken met anti psychotische medicatie;

2. het voorgaande er blijk van geeft dat door het stellen van voorwaarden

(verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling), de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen niet kan worden gewaarborgd;

3. tijdens een cel visitatie op 20 augustus 2019 in de cel van de veroordeelde een kapmes is aangetroffen;

4. op 7 augustus 2023 een plastic zakje met wit poeder, vermoedelijk cocaïne, in de cel van de veroordeelde is aangetroffen;

5. de veroordeelde op 9 oktober 2023 is betrapt met een zelf gemaakt

steekwapen;

6. het voorgaande er blijk van geeft dat de veroordeelde zich anderszins na

de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft

misdragen, en deze misdragingen zijn bovendien zeer recentelijk.

Het Hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de incidenten genoemd onder 3. en 5. tijdens de detentie hebben plaatsgevonden en dat deze incidenten in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel leiden dat de veroordeelde zich zeer ernstig heeft misdragen in de zin van artikel 1:35, eerste lid, onder c, Sr.

Het Hof heeft het onder 4. genoemde buiten beschouwing gelaten, omdat (ook) uit de onderliggende stukken niet blijkt dat het poeder dat in de cel van de veroordeelde is aangetroffen daadwerkelijk cocaïne betrof.

Gelet op het voorgaande en op het rapport van dr. Heijtel, zoals dat onder 1. in de beschikking is samengevat en onder 2. juridisch is geduid, is het Hof van oordeel dat de Minister van Justitie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen om – op dit moment – geen voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna ook: VI) te verlenen. Het bezwaar treft in zoverre geen doel. Het Hof overweegt daartoe dat de gronden onderbouwd zijn met stukken die door de raadsvrouw slechts in algemene zin zijn bestreden. In die bestrijding vindt het Hof geen aanleiding om te concluderen dat de Minister van Justitie niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om – op dit moment – geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen. Het Hof passeert het verweer dat veroordeelde niet van de onder 3. en 5. genoemde strafbesluiten op de hoogte is geraakt en daardoor geen kans heeft gekregen om de besluiten aan te vechten, alleen al omdat door en namens de veroordeelde zulks ook niet is gebeurd toen hem de bestreden ministeriële beschikking ter kennis is gebracht.

De mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt geboden om het gedrag van een veroordeelde zowel tijdens als na zijn detentie positief te beïnvloeden, onder meer om de kans op recidive te minimaliseren door een veroordeelde binnen detentie voor te bereiden op zijn terugkeer in de maatschappij en door hem daarbuiten in het kader van aan hem te stellen voorwaarden te begeleiden. Een beslissing van de Minister van Justitie om al dan niet voorwaardelijke invrijheidsstelling te verlenen dient daarom mede in dat licht te worden beoordeeld.

Het Hof constateert dat de bestreden beschikking van de Minister van Justitie in het onderhavige geval enkel inhoudt het – voor onbepaalde tijd –

achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Dat betekent dat de veroordeelde op dit moment en volgens de bestreden beschikking geen ander perspectief heeft dan dat zijn gevangenisstraf eind 2032 expireert. Dat is nog ver weg. De procureur-generaal heeft in haar schriftelijke conclusie gesteld dat er een toetsingsmoment zal plaatsvinden in december 2029. Dit volgt evenwel niet uit de bestreden beschikking en naar het oordeel van het Hof (anders dan bij levenslang gestraften) evenmin uit de wet.

Bij voortduring van de detentie tot voornoemde expiratiedatum is er na die datum geen instrument meer voorhanden om de veroordeelde te begeleiden bij zijn terugkeer in de maatschappij, terwijl aan een voorwaardelijke invrijheidstelling stringente voorwaarden kunnen worden verbonden die zowel de veroordeelde als de maatschappij helderheid en veiligheid (kunnen) bieden. In het licht van het hierboven genoemde belang van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, gevoegd bij de vergaande consequenties die het – ongeclausuleerd – achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de veroordeelde heeft, zijn de gevolgen van de bestreden beslissing naar het oordeel van het Hof in dit geval te vergaand en biedt deze beslissing onvoldoende duidelijkheid/perspectief, hetgeen zowel voor de veroordeelde als voor de maatschappij onwenselijk is. In zoverre treft het bezwaar doel.

Gezien de lange duur van de detentie van de veroordeelde en het belang van zijn resocialisatie (zowel voor hemzelf als voor de maatschappij) overweegt het Hof dat bij de beoordeling betrokken dient te worden (het perspectief op) de mogelijkheid van een nieuwe start voor de veroordeelde, zoals dr. Heijtel in zijn rapport aangeeft. Die nieuwe start kan volgens dr. Heijtel het beste plaatsvinden op een andere afdeling, het liefst in een andere gevangenis, zodat de veroordeelde een reële kans krijgt voor rehabilitatie. Daarbij heeft dr. Heijtel de suggestie gedaan van een tijdelijke overplaatsing naar een gespecialiseerde afdeling in Nederland.

Het Hof begrijpt, gehoord de procureur-generaal, dat het maken van een passend (VI-)plan in het onderhavige geval niet eenvoudig is. De voorwaardelijke invrijheidstelling zou kunnen worden uitgesteld tot een nader te bepalen datum. Deze datum dient naar het oordeel van het Hof in dit geval niet verder in de toekomst te liggen dan drie jaren. Dat biedt de veroordeelde een perspectief en de instanties de mogelijkheid om met de veroordeelde toe te werken naar zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling en resocialisatie. Zo nodig kan de voorwaardelijke invrijheidsstelling (op grond van artikel 1:35, lid 2 Sr) te zijner tijd opnieuw worden uitgesteld, maar uitgangspunt dient te zijn dat er wordt toegewerkt naar een verantwoorde terugkeer in de maatschappij, met de nodige waarborgen en voorwaarden.

Het Hof is van oordeel dat de Minister van Justitie in dit geval niet in redelijkheid tot het – geheel en ongeclausuleerd – achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen beslissen en dat het bezwaar in zoverre (deels) gegrond is. Het Hof zal de beschikking vernietigen en de Minister van Justitie opdragen om binnen vier maanden na heden een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het voorgaande.

5. De beslissing

Het Hof:

verklaart het bezwaar van veroordeelde – deels – gegrond;

vernietigt de ministeriële beschikking van [datum], no. [nummer] en draagt de Minister van Justitie op om – binnen een termijn van vier maanden – met in achtneming van het voorgaande een nieuwe beslissing te nemen.

Deze beslissing is gegeven op 3 september 2024 in Curaçao door mrs. J.A.W. van ‘t Westeinde, F.V.L.M. Wannyn en H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. B. Pouw.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?