Zaaknummer: HAR 65/24
Beschikking van voormeld Hof van 10 september 2024 gegeven op het hoger
beroep ex artikel 43 lid 9 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[de verzoeker], geboren op [geboorteplaats] te [woonplaats],
thans gedetineerd in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught,
hierna te noemen: verzoeker.
1. Het verloop van de procedure
Bij beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 16 augustus 2024 is een verzoek ex artikel 43 Sv van verzoeker afgewezen. Het verzoek was destijds primair om verzoeker naar de SDKK in Curaçao over te plaatsen en subsidiair om zijn fysieke aanwezigheid in de zittingszaal bij alle zittingen (dus ook de pro forma- en regiezittingen) te bevelen.
Op 19 augustus 2024 heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. A.S.M. Blonk, advocaat in Curaçao, in samenwerking met mrs. L.E. Versluis en J. Mühren, advocaten in Nederland, die op de voet van artikel 57, tweede lid, Sv zijn toegestaan om met mr. Blonk in deze zaak als raadslieden op te treden, namens verzoeker ter griffie van het Hof een verzoek ex artikel 43 lid 9 Sv ingediend. Het beroepschrift strekt ertoe dat het Hof de onder 1.1. genoemde beschikking zal vernietigen en het openbaar ministerie zal bevelen 1)verzoeker vanaf zijn huidige detentieplaats in Nederland naar de SDKK in Curaçao over te plaatsen en 2) ervoor zorg te dragen dat verzoeker bij alle zittingen (dus ook de pro-forma- en regiezittingen) fysiek in de zittingszaal aanwezig kan zijn.
Bij e-mail van 26 augustus 2024 heeft de procureur-generaal, mr. A.K. Tiggelaar, het Hof en de verdediging haar schriftelijke reactie op het beroepschrift doen toekomen. In de schriftelijke reactie heeft zij primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn hoger beroep, subsidiair tot afwijzing van de verzoeken.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden in raadkamer van het Hof op 27 augustus 2024 via een vaste beeld- en geluidsverbinding tussen het gerechtsgebouw te Curaçao en de EBI in Vught. De leden van het Hof, de griffier, de procureur-generaal en de raadsvrouw mr. Blonk waren tegenwoordig in Curaçao. Verzoeker en de raadslieden mrs. Versluis en Mühren waren tegenwoordig in de EBI in Vught. Tijdens de behandeling heeft mr. Versluis het primaire verzoek aangevuld, in die zin dat het Hof wordt verzocht: “te gelasten dat de verzoeker wordt overgebracht naar de SDKK in Curaçao dan wel naar een andere detentiefaciliteit in Nederland”.
De raadslieden van verzoeker hebben het beroep toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities en vragen van het Hof beantwoord. Ook verzoeker heeft vragen van het Hof beantwoord. De procureur-generaal heeft gepersisteerd bij de conclusie van de schriftelijke reactie.
Het Hof heeft een beschikking aangezegd, welke heden wordt gegeven.
2. De standpunten
Aan het verzoek tot overplaatsing naar de SDKK in Curaçao leggen de raadslieden – kort samengevat en naar het Hof begrijpt – het volgende ten grondslag. De beslissing om verzoeker naar Nederland over te plaatsen is door het openbaar ministerie onvoldoende onderbouwd, immers is de stelling dat de veiligheid van verzoeker in de SDKK niet kan worden gegarandeerd, niet verifieerbaar nu de onderliggende dreigingsanalyse niet wordt verstrekt. Dat hier geen inzicht in wordt gegeven, waardoor één en ander niet kan worden gecontroleerd, levert strijd op met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Namens verzoeker is op voorhand kenbaar gemaakt dat hij niet naar Nederland overgeplaatst wenste te worden, omdat zijn familie in Curaçao en in de Dominicaanse Republiek woont. De overbrenging naar Nederland heeft verzoeker in zijn persoonlijke levenssfeer geraakt, terwijl verzoeker in het kader van artikel 8 EVRM recht heeft op family life. Verzoeker wordt thans binnen de EBI beperkt in zijn bewegingsvrijheid. Sinds zijn detentie in Nederland heeft hij nauwelijks - en met veel moeite – contact met zijn familie. Ook in het contact met zijn raadslieden wordt hij ernstig beperkt. Voortduring van het huidige detentieregime dient daarom als inhumaan te worden aangemerkt en is in strijd met artikel 3 EVRM. De verzochte voorziening is gelet op het voorgaande dringend noodzakelijk.
Voor het geval niet tot overplaatsing naar de SDKK in Curaçao wordt overgegaan, verzoeken de raadslieden subsidiair dat verzoeker naar een andere detentiefaciliteit in Nederland zal worden overgeplaatst.
Ten aanzien van het verzoek tot fysieke aanwezigheid van verzoeker bij alle zittingen, hebben de raadslieden aangevoerd dat de beslissing dat verzoeker niet ook tijdens de pro-forma- en regiezittingen in persoon in de rechtszaal aanwezig mag zijn, een ernstige inbreuk vormt op het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende aanwezigheidsrecht en het recht op een eerlijk proces.
De procureur-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn hoger beroep, omdat niet is voldaan aan de in art. 43 lid 9 Sv gestelde voorwaarde dat "het Hof verlof moet verlenen voor het instellen van hoger beroep".
Voorts is niet gebleken van een dringende noodzakelijkheid van de gevraagde voorziening, zodat verzoeker om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoeken.
Subsidiair heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De uitgevoerde dreigingsanalyse ten aanzien van verzoeker heeft concrete aanwijzingen opgeleverd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het verblijf in detentie van verzoeker op Curaçao vanwege dringende redenen van veiligheid onverantwoord is. Daar komt bij dat de genoemde reële dreiging zich niet tot verzoeker beperkt, maar eveneens voor andere gedetineerden binnen de SDKK geldt. Alhoewel het openbaar ministerie de inbreuk voor verzoeker op zijn rechten ex artikel 8 EVRM onderkent, weegt het belang van het Land bij plaatsing van verzoeker in Nederland vanwege de veiligheidsrisico’s voor verzoeker en andere gedetineerden zwaarder.
3. De beoordeling
Ingevolge artikel 43, eerste lid, Sv kan in alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De vraag of verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep ex artikel 43 lid 9 Sv, heeft het Hof reeds ter zitting in raadkamer beantwoord. De verdediging heeft desgevraagd aangegeven dat het op 19 augustus 2024 ingediende verzoek ex artikel 43 lid 9 Sv in dit geval ook dient te worden opgevat als een verzoek tot het verlenen van verlof tot het instellen van hoger beroep. Het Hof heeft ter zitting in raadkamer aangegeven dat het verlof is verleend gelet op het belang van de gevraagde voorziening. Verzoeker is dus ontvangen in het hoger beroep.
Het Hof is voorts van oordeel dat de verdachte voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dringende noodzakelijkheid voor het kunnen vragen van de verzochte voorzieningen, zodat hij daarin door het Hof kon worden ontvangen en thans ook belang heeft bij het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het (aanvullende) verzoek
Eerst gedurende onderhavig hoger beroep heeft verzoeker aanvullend verzocht om overplaatsing naar een andere detentiefaciliteit in Nederland. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. De (Nederlandse) wet bevat hier een regeling voor en verzoeker maakt daarvan kennelijk ook gebruik. Immers, in raadkamer is gebleken dat namens verzoeker een klacht aanhangig is gemaakt bij de daartoe aangestelde instanties tegen zijn plaatsing in de EBI. Dit leidt ertoe dat verzoeker ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De verzoeken (inhoudelijk)
Ten aanzien van het verzoek tot overplaatsing naar de SDKK in Curaçao overweegt het Hof als volgt. Op grond van de processtukken en de in raadkamer verkregen inlichtingen kan worden vastgesteld dat aan de beslissing tot de overplaatsing van verzoeker naar Nederland de procedure in het kader van de Onderlinge Regeling Beschikbaarstelling Detentiecapaciteit (hierna: ORD) vooraf is gegaan. Deze regeling is onder meer van toepassing in een geval waarin sprake is van dringende redenen van veiligheid die een verblijf in detentie in – samengevat – het Nederlands Caribisch gebied, waaronder Curaçao, onverantwoord doen zijn (artikel 2, eerste lid, ORD). Uit artikel 3 van de ORD volgt dat een verzoek van het openbaar ministerie (van in dit geval Curaçao) om tijdelijke beschikbaarstelling van detentiecapaciteit wordt gericht aan de Minister van Justitie van het land (in dit geval Nederland) dat mogelijkerwijs detentiecapaciteit beschikbaar kan stellen. Een dergelijk verzoek dient vergezeld te gaan van de noodzakelijke informatie over – voor dit geval van belang – de gronden voor dringende redenen van veiligheid die een verblijf in detentie in het verzoekende land onverantwoord doen zijn.
De Minister van Justitie van het aangezochte land beslist op het verzoek (artikel 4 ORD).
Artikel 5 ORD bepaalt dat de overdracht van een gedetineerde in de zin van de regeling tot gevolg heeft dat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de detentie van de betrokkene wordt overgedragen aan het aangezochte land.
Het Hof, gehoord de procureur-generaal, begrijpt dat het verzoek van het openbaar ministerie te Curaçao aan de Minister van Justitie in Nederland, vergezeld is gegaan van een dreigingsanalyse. De Minister van Justitie in Nederland heeft gelet op het gedane verzoek en de verstrekte informatie (waaronder de analyse) kennelijk positief beslist op het verzoek van het openbaar ministerie en detentiecapaciteit beschikbaar gesteld. Daarbij heeft de Minister kennelijk ook beslist dat de verdachte in de EBI te Vught diende te worden geplaatst, waar hij thans verblijft.De Minister van Justitie in Nederland is kennelijk met het openbaar ministerie te Curaçao van oordeel dat sprake is van dringende redenen van veiligheid die een verblijf in detentie in – voor dit geval thans van belang – Curaçao onverantwoord doen zijn. Dat impliceert tevens dat de Minister van Justitie in Nederland, net als het openbaar ministerie te Curaçao, van oordeel is dat overplaatsing van de verdachte naar de SDKK, zoals verzocht, (thans) niet verantwoord is.
Naar het oordeel van het Hof dient uitgangspunt te zijn dat de Minister van Justitie in Nederland zijn beslissing op goede gronden heeft genomen. Gelet op het (interstatelijk) vertrouwensbeginsel, gaat het Hof ervan uit dat de Minister de rechten van de verdachte als bedoeld in het EVRM in ogenschouw heeft genomen en zal blijven houden. Het Hof heeft geen reden en ziet ook in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding, om te veronderstellen dat dat anders zou zijn.
De omstandigheid dat de verdediging, evenals het Hof, geen kennis van de inhoud van de dreigingsanalyse heeft kunnen nemen, doet aan het uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de beslissing van de Minister van Justitie in Nederland niet af. Gelet hierop ziet het Hof – in aanvulling op hetgeen het Gerecht hierover heeft overwogen – geen grond voor toewijzing van het verzoek van de verdediging om het openbaar ministerie op te dragen de dreigingsanalyse te verstrekken en de behandeling van dit hoger beroep aan te houden.
Overigens overweegt het Hof dat uit artikel 4 van de ORD volgt dat periodiek getoetst moet worden of bedoelde dringende redenen van veiligheid nog aanwezig zijn.
Het subsidiair verzochte, te weten de afgifte van een bevel, strekkende tot het waarborgen van de fysieke aanwezigheid van verzoeker bij alle pro-forma- en regiezitting(en), wordt door het Hof eveneens afgewezen. Het Hof overweegt daartoe als volgt. Door de procureur-generaal is voldoende aannemelijk gemaakt waarom verzoeker niet voor alle zittingen kan worden overgebracht. Dit hangt samen met de veiligheid van verzoeker en anderen en vergt een forse operatie die de nodige risico’s met zich brengt en die veel capaciteit vergt. Naar het oordeel van het Hof wordt verzoekers aanwezigheidsrecht en recht op eerlijke proces thans voldoende gewaarborgd. Verzoeker en zijn raadslieden in Nederland waren ter zitting van het Gerecht en in raadkamer bij het Hof aanwezig via een tweezijdige beeld- en geluidverbinding. In Curaçao was eveneens een advocaat aanwezig. Het Hof heeft geconstateerd dat verzoeker en de verdediging goed waren te zien en verstaan en desgevraagd heeft verzoeker ook zelf aangegeven dat hij de zitting goed kon volgen. Het Hof is het met de verdediging en de verdachte eens dat de situatie suboptimaal is, maar veiligheid, ook van de verdachte zelf, is een zwaarwegend belang dat in dit geval, op dit moment, zwaarder dient te wegen dan de belangen van de verdachte om lijfelijk op alle zittingen aanwezig te kunnen zijn. Daarbij betrekt het Hof voorts dat het streven van het openbaar ministerie is om de verdachte wel ter zitting(en) van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak fysiek aanwezig te doen zijn.
Alles afwegende is het Hof, evenals de eerste rechter, van oordeel dat de verzoeken betreffende de gevraagde voorzieningen, te weten overplaatsing naar de SDKK en fysieke aanwezigheid op alle zittingen, inclusief pro forma- en regiezittingen, dienen te worden afgewezen. Het Hof bevestigt dan ook de beschikking van de eerste rechter en vult de door de eerste rechter geformuleerde gronden voor de afwijzing aan met hetgeen hiervoor is overwogen.
4. De beslissing
Het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek voor zover het betreft het (aanvullend gedane) verzoek tot overplaatsing naar een andere detentiefaciliteit binnen Nederland;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze beschikking is gegeven op 10 september 2024 in Curaçao door mrs. J.A.W.
van ’t Westeinde, W. Foppen en H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, leden van het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier, mr.
T.M.A.D. de Lanoy.