Zaaknummer: H-106/23
Parketnummer: 500.00206/22
Uitspraak: 6 juni 2024 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 23 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [datum] 1987 te [land],
wonende in [land,
thans alhier gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van 23 juni 2023 ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2024.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. E.V.A. Bos, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.F. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft meerdere verweren gevoerd inhoudende dat gedurende het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van normschendingen. Dit zou er (primair) toe moeten leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de resultaten van het onderzoek dienen te worden uitgesloten van het bewijs en meer subsidiair dat de normschendingen tot strafvermindering dienen te leiden.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 juli 2022, althans in de maand juli 2022 in de internationale wateren, althans zeewaarts van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder begrepen "invoer" in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960), en/of doorgevoerd en/of vervoerd, en/of in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 1.619.180 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).
Bespreking verweren
De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft hij – naar het Hof begrijpt en samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting de volgende normen zijn geschonden:
1. Disproportioneel geweld bij de aanhouding
Naar het Hof begrijpt, strekt de kern van het verweer ertoe dat de aanhouding van de verdachten om de volgende redenen disproportioneel is geweest, waarbij inbreuk is gemaakt op de artikelen 2 en 3 van het EVRM:
- bij de aanhouding zijn militairen ingezet, hetgeen een uiterst zwaar middel is;
- er is veelvuldig op de Go Fast geschoten waarin de verdachten zich bevonden;
- de kapitein van de Go Fast is van korte afstand door zijn hoofd geschoten terwijl hij op dat moment ongewapend was en zich al vallend op zijn knieën begaf, na uit balans te zijn geraakt;
- het interceptieteam heeft tijdens de interceptie de verdachten bedreigd, beledigd en vernederd, ook nadat de kapitein was neergeschoten.
Het Hof overweegt omtrent de verschillende onderdelen van dit verweer als volgt.
Voorop wordt gesteld dat ingevolge de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curacao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet Kustwacht) de Kustwacht belast is met opsporingstaken, waaronder operaties ter bestrijding van de handel en smokkel in verdovende middelen op zee. Uit geen wetsbepaling vloeit voort dat de Kustwacht zich daarbij niet mag laten vergezellen door militairen. Nu de militairen zich aan boord van het Kustwachtschip bevonden en onder gezag stonden van de commandant van de Kustwacht waren zij naar het oordeel van het Hof in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, en indien noodzakelijk, ook bevoegd tot toepassing van gepast geweld.
Ten aanzien van het veelvuldig schieten op de Go Fast overweegt het Hof dat uit de stukken in het dossier en uit de videobeelden van de interceptie is op te maken dat de achtervolging van de Go Fast waarop de verdachten zich bevonden en (naar later is gebleken) een grote hoeveelheid cocaïne, door de zogeheten Friscs van de Kustwacht langere tijd heeft geduurd. Daarbij is met behulp van blauwe zwaailichten, stoptekens, verbale halt-toeroepingen en later ook waarschuwingsschoten getracht de (opvarenden van de) Go Fast tot stoppen te brengen. De Go Fast is al die tijd doorgevaren, waarbij op de videobeelden te zien is dat de verdachten terug schreeuwden en aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen, overboord in zee gooiden. Gelet op het voorgaande acht het Hof het niet disproportioneel dat uiteindelijk is overgegaan tot het schieten op de Go Fast teneinde deze tot stoppen te brengen. Bij het lossen van deze schoten, zijn de opvarenden van de Go Fast niet geraakt.
Het verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het doodschieten van de kapitein overweegt het Hof als volgt.
Het Hof stelt voorop dat het ten zeerste te betreuren valt dat de kapitein van de Go Fast om het leven is gekomen tijdens de interceptie. Het lijdt geen twijfel dat het doodschieten van de kapitein grote impact heeft gehad op de verdachten. Dit geldt te meer voor de verdachte, aangezien hij en de kapitein broers van elkaar zijn. Het Hof zal daar bij de strafmotivering nader bij stil staan.
De vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein in de gegeven omstandigheden (on)rechtmatig was (in de zin van artikel 2 EVRM), ligt in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van het Hof voor. De Landrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein. Wat er ook zij van de uitkomst daarvan, deze is naar het oordeel van het Hof niet relevant voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte.
Zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, is het niet de verdachte die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Nu ook overigens dienaangaande naar het oordeel van het Hof niet is gebleken van een normschending in de zaak van de verdachte in de zin van artikel 413 Sv (waaronder schending van artikel 2 en 3 van het EVRM), wordt het verweer verworpen.
Voorts wijst het Hof het herhaalde verzoek van de verdediging om voeging van het onderzoek door de Landsrecherche, om genoemde reden af. Daarbij betrekt het Hof dat het onderzoek door de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.
Het Hof overweegt ten aanzien van het gedrag van (sommige leden van) het interceptieteam, waarbij zij de verdachten zouden hebben bedreigd, beledigd en vernederd, als volgt. Het Hof heeft de door de raadsman naar voren gebrachte gedragingen van het interceptieteam op de videobeelden waargenomen en (deels) gehoord. Het Hof kan de verdediging volgen voor zover zij betoogt dat sommige gedragingen op bepaalde momenten in beginsel als ongepast kunnen worden ervaren, met name na het moment dat de kapitein is neergeschoten. Het Hof is evenwel van oordeel dat deze gedragingen in de context van de buitengewoon dynamische en risicovolle situatie dienen te worden geplaatst. Naast de hiervoor omschreven risicovolle en intensieve achtervolging is op de videobeelden ook te zien dat de vaartuigen onder hoge snelheid, op volle zee, dicht naast elkaar varen, waarbij (sommigen van) de verdachten op enkele momenten op (vuur)wapens gelijkende voorwerpen in handen hebben danwel overboord gooien (zoals een op een machinegeweer gelijkend voorwerp en een schroevendraaier). Daar komt bij dat de verdachten zich niet (meteen) hebben overgegeven op het moment dat enkele leden van het interceptieteam aan boord van de Go Fast gaan. Op de videobeelden is ten minste enige vorm te zien van zich afweren en/of (weg)duwen van de aan boord komende leden van het interceptieteam door de opvarenden van de Go Fast. Het Hof plaatst het door de raadsman aangehaalde gedrag van het interceptieteam in het licht van deze – ook voor het interceptieteam – risicovolle situatie en acht het daarbij niet onaannemelijk dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team. Het Hof komt tot de conclusie dat de gedragingen – mede gelet op de beschreven context, maar ook op het doel van de actie, te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel – geen “minimal level of severity” in de zin van de vaste rechtspraak van het EHRM opleveren en dat zich aldus geen schending van artikel 3 van het EVRM heeft voorgedaan.
De verweren worden verworpen.
2. Schending van de verbaliseringsplicht
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat het ontbreken van een proces-verbaal van aanhouding en van de inbeslagneming van de pakketten met verdovende middelen een normschending oplevert. Artikel 186 Sv bepaalt immers dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen (zelf) opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen door opsporing is verricht of bevonden. Dat heeft in het onderhavige opsporingsonderzoek niet plaatsgevonden. Het Hof neemt aan dat, gezien de bepalingen in de Rijkswet Kustwacht, in het interceptieteam personen aanwezig waren met opsporingsbevoegdheid. Het is niet duidelijk waarom in dit geval geen processen-verbaal van aanhouding en inbeslagname van de verdovende middelen zijn opgemaakt door betrokken opsporingsambtenaren. De opmerking van de procureur-generaal dat het de vaste werkwijze van de Kustwacht is om verslag te doen en (later) proces-verbaal op te (doen) maken, zoals in het onderhavige geval ook is gebeurd, doet de niet behoorlijke naleving van het wettelijk voorschrift niet teniet. Nu de waarheidsvinding in deze fase van het onderzoek, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat een en ander op andere wijze door de aanwezigheid van de vele camerabeelden van de interceptie gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof gecompenseerd is kunnen worden, niet wordt gediend met herstel van het verzuim – en de verdediging daarom ook niet heeft verzocht - beschouwt het Hof de normschending als onherstelbaar. Het verweer is in zoverre gegrond.
Over het gevolg dat hieraan dient te worden verbonden, overweegt het Hof als volgt. Het Hof stelt voorop dat van de aanhouding van de verdachten en de inbeslagname van de aanwezige balen (met daarin, naar later is gebleken, cocaïne) een rapport van bevindingen is opgemaakt door [rang en naam] van de Kustwacht Caribisch Gebied, welk rapport onderdeel uitmaakt van het procesdossier. De grond voor de aanhouding is niet betwist en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding, in zijn belangen is geschaad. Voorts overweegt het Hof dat de wijze waarop de (aanleiding tot) aanhouding heeft plaatsgevonden, aan de hand van de beschikbare videobeelden gecontroleerd is kunnen worden.
Er was naar het oordeel van het Hof, mede gezien hetgeen kan worden waargenomen op de beschikbare camerabeelden, sprake van een heterdaad-situatie waarbij een ieder over kon gaan tot aanhouding en (mitsdien ook) tot inbeslagname van de verdachte pakketten (balen).
Ten aanzien van het verzuim met betrekking tot het ontbreken van een proces-verbaal terzake de inbeslagname van de drugs overweegt het Hof voorts dat de overname van de balen drugs van de Kustwacht aan het KPC zowel door de Kustwacht als het KPC is geverbaliseerd in ambtsedige processen-verbaal, net als het wegen, testen en overbrenging van de monsters naar het lab.
Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding en terzake de inbeslagname van de pakketten (met daarin cocaïne) in dit geval niet in zijn belangen is geschaad zodat met de constatering van de normschending kan worden volstaan.
3. Onwaarheden en omissies in processtukken
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het proces-verbaal van 2 augustus 2022 van “bevindingen camerabeelden interceptie” en het rapport van bevindingen KWCARIB van 26 juli 2022 onwaarheden en omissies bevatten, hetgeen volgens de raadsman een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Met de raadsman en het Gerecht heeft het Hof geconstateerd dat op de beschikbare camerabeelden niet is te zien dat er meerdere telefoons en twee machinegeweren door de verdachten overboord worden gegooid. Evenmin is te zien dat de kapitein die is neergeschoten door een van de militairen met een schroevendraaier een van de andere militairen die aan boord kwam, aanviel en dat er een gevecht ontstond. Deze feiten en omstandigheden zijn wel opgenomen in (onder meer) het proces-verbaal “bevindingen camerabeelden interceptie”. Dat er verschillen zitten tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, doet afbreuk aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen. Het Hof is van oordeel dat dit in beginsel een normschending oplevert, maar zal hieraan in dit geval geen verdere gevolgen aan verbinden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden.
Het Hof volstaat ook ten aanzien van dit onderdeel van het verweer met de constatering van de normschending.
Tot slot heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht, danwel het opmaken van een meinedig proces-verbaal vanwege – onder meer – het achterwege laten van door leden van het interceptieteam geuite bedreigingen en beledigingen ten tijde van de interceptie. Het Hof is van oordeel dat in dit geval geen plicht bestond om de dreigementen en beledigingen te verbaliseren aangezien geoordeeld kon worden dat die redelijkerwijs niet van belang zouden zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak van de verdachte zodat het verweer reeds om die reden niet kan slagen. Dit nog daargelaten de omstandigheid dat door de vastlegging van een en ander op video opnamen, de verdachte door het uitblijven van de verbalisering van de betreffende uitlatingen niet in zijn belangen is geschaad.
Conclusies ten aanzien van de verweren
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat sprake is geweest van een aantal normschendingen in het vooronderzoek, zoals hiervoor vermeld. Het Hof volstaat in dit geval met de constatering daarvan.
Al met al is het Hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd. Mede gelet op het niet ontijdig ter beschikking komen van de camerabeelden voor de verdediging en de voeging van dat materiaal aan het dossier, is het Hof van oordeel dat de procedure als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM.
De verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte worden mitsdien verworpen. Nu het oordeel van het Hof luidt dat met constatering van de vastgestelde normschendingen kan worden volstaan, geldt de verwerping van de verweren mutatis mutandis ook voor het subsidiaire en meer subsidiaire verweer ter zake van de bewijsuitsluiting en de strafvermindering.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 juli 2022 in de internationale wateren, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad ongeveer 1.619.180 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening 1960.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e van het Wetboek van Strafvordering betreft, wordt dit telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat niet in alle bewijsmiddelen een (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
“Het klopt dat ik mij op 25 juli 2022 samen met vier andere personen op een
Go Fast bevond. Ik wist dat er zakken aan boord waren. Ik heb inderdaad zakken
overboord gegooid.”
2.naam en rang van] van de Kustwacht Caribisch Gebied, heeft op 25 juli 2022 een rapport van bevindingen KWCARIB opgemaakt. Dit rapport houdt –- voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven –- het volgende in:
“Op 25 juli 2022 is de Zr. Ms. Groningen door de Kustwacht gewezen op een vaartuig, type Go Fast, dat was gespot op een bekende smokkelroute. Het vaartuig rondde Punto Fijo en de verwachting was dat het vaartuig zich zes uur later in internationale wateren zou bevinden. De Groningen heeft omstreeks 17:05 uur twee (Frisc) bijboten gelanceerd. Omstreeks 17:38 uur wordt gemeld dat er geen tekenen van nationaliteit zichtbaar zijn (geen vlag en dergelijke), waarop de commandant het vaartuig stateloos verklaart. De Go Fast gooit balen overboord (het Hof begrijpt dat de leden van het interceptieteam aan boord van de Frisc zien dat de opvarenden van de Go Fast balen overboord gooien). Omstreeks 17:39 uur blijken het waarschuwen en de waarschuwingsschoten niet effectief. De Frisc verzoekt hierop te mogen schieten op niet vitale delen van het vaartuig. De commandant geeft hiervoor toestemming. De Go Fast bevindt zich op dit moment in positie 11-18.34N 067-48.64W, dit is in internationale wateren en derhalve buiten de territoriale wateren van Venezuela. Omstreeks 17:45uur stopt de Go Fast in positie 11-78.8N 067-50.OW zijnde internationale wateren. Omstreeks 17.54 uur stapt het team aan boord van de Go Fast. Omstreeks 18:03 [zijn] verdachten aangehouden conform de Rijkswet Kustwacht. Er worden vier verdachten naar de Groningen getransporteerd en er worden in totaal 54 balen in beslag genomen. Op 26 juli 2022 worden de verdachten en de contrabande (het Hof begrijpt: 54 balen) overgedragen aan de politiedienst van Curaçao.”
3.Opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1], verbalisant bij de Kustwacht en tevens buitengewoon agent bij de politie, heeft op 26 juli 2022 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt –- voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven –- het volgende in:
“Op 26 juli 2022 meerde de Zr. Ms. Groningen aan de Rima steiger (het Hof begrijpt: op de marinebasis Parera in Curaçao). De vier verdachten en 54 balen werden overgedragen aan het Korps Politie Curaçao.
4.Opsporingsambtenaren [naam verbalisant 2, naam verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, hebben op 26 juli 2022 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt –-voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven –- het volgende in:
“Op 26 juli 2022 hebben wij, verbalisanten, 54 balen (het Hof begrijpt: vermoedelijk) bevattende verdovende middelen overgenomen. De 54 balen werden opengemaakt en bevatten in totaal 1.350 pakken, elk inhoudende een hoeveelheid witte poeder en brokjes.
De overgedragen (aangehouden) mannen gaven op te zijn genaamd:
- [naam verdachte],[(het Hof begrijpt: naam verdachte )],
- [naam verdachte 2],
- [naam verdachte 3] en
- [naam verdachte 4].”
5Opsporingsambtenaren [naam verbalisant 2, naam verbalisant 3, naam verbalisant 4 en naam verbalisant 5] hebben op 27 juli 2022 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt -– voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven –- het volgende in:
“Bij weging van de 1.350 inbeslaggenomen pakken bleken deze een gezamenlijk bruto gewicht van 1.619.180 gram te hebben. Er werd door ons, verbalisanten, afzonderlijk uit elk van de 54 pakken een hoeveelheid samengeperste witte poeder en brokjes als monster genomen en voorzien van het opschriftnummer (gewaarmerkt) 74/2022 code II-B-1 tot en met II-B-54. De monsters zijn ter beschikking gesteld aan de afdeling Toxicologie van het Analytisch Diagnostisch Centrum (hierna: ADC) met het verzoek te onderzoeken of in het materiaal verdovende middelen kunnen worden aangetoond.”
6De deskundige [naam deskundige], werkzaam bij het ADC heeft op 14 september 2022 een rapport opgemaakt. Dit rapport houdt –- voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven –- het volgende in:
“Op 16 augustus 2022 is van het KPC, Bureau Narcotica bestrijding, onderzoeksmateriaal 74/II-B-1 t/m II-B-54 ontvangen en onderzocht. Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal cocaïne bevat.”
Bewijsoverweging
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 25 juli 2022 vier verdachten aan boord van een Go Fast zijn aangehouden door leden van de Kustwacht, daarbij geassisteerd door militairen. De boot van de verdachten bevond zich op dat moment in internationale wateren en was stateloos. Op het dek van de boot, in vol zicht voor iedereen die op de boot aanwezig was, bevonden zich omvangrijke balen of pakketten met, naar later bleek, cocaïne. Hoewel de verdachten alle vier verklaren niets af te hebben geweten van de inhoud van de pakketten en onder bedreiging van onbekende mannen in Venezuela op de boot zijn gezet, hebben zij zich op het moment dat de Kustwacht hen in zicht kreeg niet overgegeven, maar met man en macht gezamenlijk getracht aan aanhouding te ontkomen en zich van zoveel mogelijk pakketten te ontdoen. Als algemene ervaringsregel geldt dat groothandelshoeveelheden drugs en ander smokkelwaar vanuit Venezuela (als bron- of transitland) naar (onder meer) het Caribisch gebied worden gesmokkeld ter verdere doorvoer en (internationale) verspreiding, onder meer over zee en op de wijze als in het onderhavige geval is vastgesteld, te weten in een klein en snel vaartuig, zoals de waargenomen Go Fast. Het Hof overweegt voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat vervoer over zee van een dergelijke grote partij verdovende middelen een risicovolle operatie is, waarbij het slecht voorstelbaar is personen tegen hun wil hierbij te betrekken die bovendien niet op de hoogte zijn van de aard van die operatie, gelet op de aanzienlijke (financiële) risico's die dat voor de organisatoren zou meebrengen. Daarenboven ligt het op de weg van de bij een dergelijke operatie betrokken personen om naar de precieze aard en omvang van de aanwezige lading onderzoek te plegen. Om die redenen acht het Hof de verklaringen van de verdachten dat zij niet op de hoogte waren van de inhoud van de pakketten ongeloofwaardig en acht het Hof bewezen dat de op de Go Fast aanwezige personen wisten van de aard van de aanwezige lading, althans willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het om verdovende middelen, in dit geval cocaïne, ging. Voor hun betrokkenheid in gezamenlijk verband maakt het niet uit of zij ieder voor zich precies wisten om welke hoeveelheid het ging. Dat het om een grote hoeveelheid ging is klip en klaar vast te stellen op basis van de inhoud van het dossier, inclusief de camerabeelden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachten nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt om de lading met cocaïne te vervoeren en zich bij ontdekking door de autoriteiten ervan te ontdoen. Zij hebben door aldus te handelen zich als medepleger schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van de inbeslaggenomen cocaïne.
Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaard levert het volgende misdrijf op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumlandsverordening 1960.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
De verdachte heeft getracht om samen met zijn mededaders een zeer grote hoeveelheid cocaïne per boot van Venezuela naar een ander land te smokkelen. De uiteindelijk onderschepte hoeveelheid komt neer op ruim 1600 kilo, welke omvang zonder meer geschikt en bestemd is voor verdere verspreiding en handel. De waarde van een dergelijke hoeveelheid is zeer hoog. De veelvoorkomende handel in drugs is bezwarend voor de volksgezondheid en maatschappelijk onaanvaardbaar, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande vele vormen van vermogens- en gewelddelicten. De verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen en zich kennelijk om deze gevolgen niet bekommerd, maar uitsluitend aan zijn eigen gewin gedacht.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan één die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. In beginsel kan het Hof zich verenigen met de hoogte van de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf.
Het Hof houdt in dit geval echter rekening met de impact van de wijze waarop de achtervolging van de Go Fast en de interceptie heeft plaatsgevonden en de overige omstandigheden die daarbij een rol hebben gespeeld. Hoewel bepaalde gevolgen een risico zijn van een illegale operatie zoals die waaraan de verdachte heeft deelgenomen en het door het interceptieteam gebruikte geweld mede het gevolg is geweest van de omstandigheid dat de opvarenden van de Go Fast zich aan een aanhouding trachtten te onttrekken, waren de gevolgen naar het oordeel van het Hof in dit geval vergaand en dient daarmee rekening te worden gehouden. Zo is er veelvuldig op de Go Fast waarop de verdachte zich bevond geschoten en is de kapitein voor de ogen van de verdachte om het leven gekomen door het gebruik van een vuurwapen door een lid van het interceptieteam. In het geval van de verdachte geldt in het bijzonder dat hij van dichtbij heeft moeten meemaken dat de kapitein, die tevens zijn broer is, door het hoofd is geschoten en om het leven is gekomen. Ter terechtzitting heeft het Hof waargenomen en van de verdachte gehoord dat deze ervaring van grote invloed is op zijn geestelijke gesteldheid en dat hij hiervoor nog geen adequate hulpverlening heeft mogen ontvangen.
Het Hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumlandsverordening 1960, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht van 23 juni 2023 en doet opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 6 (zes) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst af het verzoek van de raadsman tot het in het dossier doen voegen van de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittings)griffier, en op 6 juni 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mr. De Doelder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.