Burgerlijke zaken over 2024
Uitspraak: 19 november 2024
Zaaknr.: AUA202303777-AUA2023H00207
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in kort geding in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
hierna te noemen: de moeder,
gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn.
tegen
[de vader],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: mr. B.M. de Sousa.
1. Het verloop van de procedure
Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 21 december 2023 is de moeder in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 1 december 2023 van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, hierna: het Gerecht.
Bij memorie van grieven met producties, ingekomen ter griffie op 11 januari 2024, heeft de moeder acht grieven gericht tegen het bestreden vonnis en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van de vader alsnog zal afwijzen met veroordeling van de vader in de proceskosten in beide instanties.
De vader heeft geen memorie van antwoord ingediend.
Op 30 september 2024 hebben de gemachtigden van partijen de zaak mondeling bepleit aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities met producties. Gelijktijdig is behandeld het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van 3 oktober 2023 in de zaak met nummer AUA2023H00183.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
2. De feiten
Partijen zijn de vader en moeder van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
Partijen zijn op 26 oktober 2019 met elkaar in [land] gehuwd.
In oktober 2020 hebben partijen zich gevestigd in [eiland].
In 2020 zijn partijen uit elkaar gegaan en is de moeder elders in [eiland] gaan wonen, samen met de minderjarige.
Op 21 juni 2021 is in [land] de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
De vader heeft op 28 januari 2022 verzocht partijen gezamenlijk, althans hem alleen te belasten met het gezag over de minderjarige en een omgangsregeling vast te stellen.
Bij vonnis in kort geding van 16 maart 2022 heeft het Gerecht de vrouw verboden om met de minderjarige Aruba te verlaten totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist over voormeld verzoek van de vader.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 3 oktober 2023 heeft het Gerecht, onder meer, het verzoek van de vader om samen met de moeder te worden belast met het gezag over de minderjarige afgewezen. Daarnaast is een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald.
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 3 oktober 2023.
3. De procedure bij het Gerecht
De vader heeft in conventie gevorderd -verkort weergegeven- de moeder te verbieden met de minderjarige uit Aruba te reizen, zolang nog niet in hoger beroep is beslist ten aanzien van het gezag over de minderjarige, op straffe van een dwangsom.
De moeder heeft in reconventie gevorderd -verkort weergegeven- de vader te bevelen het paspoort van de minderjarige af te geven op straffe van een dwangsom en aan de moeder vervangende toestemming te verlenen tot het reizen met de minderjarige naar het buitenland om zich (voorlopig) aldaar blijvend te vestigen.
Het Gerecht heeft de moeder verboden om met de minderjarige Aruba te verlaten tot in de procedure in hoger beroep tegen de beschikking van 3 oktober 2023 door het Hof zal zijn beslist, op straffe van een dwangsom. Het Gerecht heeft de reconventionele vordering van de moeder afgewezen. Partijen hebben over het paspoort afspraken gemaakt.
4. De beoordeling
Na de behandeling ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de moeder het Hof per email van 30 september 2024 bericht dat het hoger beroep wordt ingetrokken tegen de afwijzing van de vordering tot vervangende toestemming om met de minderjarige naar het buitenland te reizen.
Aan de orde is daarom alleen nog het door de moeder ingestelde hoger beroep tegen het door het Gerecht toegewezen uitreisverbod zoals hiervoor vermeld onder 3.3. Inmiddels is in hoger beroep over het gezag een beslissing genomen in die zin dat het Hof bij beschikking van eveneens vandaag heeft bepaald dat de vader voortaan samen met de moeder het gezag uitoefent over de minderjarige. Gelet op deze uitkomst zal hij toestemming moeten geven voor een eventuele uitreis en heeft de vader dus geen belang meer bij het door hem gevorderde verbod. De vader zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het Hof ziet aanleiding de proceskosten te compenseren.
BESLISSING:
Het Hof:
verstaat dat het door de moeder ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van de door haar gevorderde vervangende toestemming is ingetrokken;
verklaart de vader niet-ontvankelijk; in het hoger beroep;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Aldus gegeven door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 19 november 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.