Burgerlijke zaken over 2024
Uitspraak: 30 juli 2024
Zaaknr.: AUA202201159-AUA2023H00181
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[de dochter],
wonende in [woonplaats], met gekozen domicilie in [plaats],
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
hierna te noemen: de dochter,
gemachtigde: mr. S.A. Kock,
-tegen-
[de vader],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg verweerder, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: mr. R. Marchena,
belanghebbende: [moeder], hierna te noemen: de moeder.
gemachtigde: mr S.A. Kock.
1. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 26 september 2023 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
De dochter is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 6 november 2023 van een memorie van grieven, door het Hof aangemerkt als beroepschrift, met producties.
De vader heeft op 31 mei 2024 een verweerschrift met producties ingediend. De producties zijn op 29 mei 2024 naar het Hof en de wederpartij gestuurd.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 3 juni 2024 in het gerechtsgebouw in Aruba. Verschenen zijn de dochter, via een videoverbinding met de Verenigde Staten, bijgestaan door haar gemachtigde die zich in het gerechtsgebouw bij het Hof bevond. Aldaar is ook de vader verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De moeder is niet verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De dochter is op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk tussen de vader en de moeder.
Bij beschikking van het Gerecht van 1 februari 2021 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken.
Sinds augustus 2019 studeert de dochter aan de [universiteit] in [plaats] (hierna: de universiteit).
Bij garantiebrief van 3 mei 2019 heeft de Caribbean Mercantile Bank N.V. de universiteit bericht dat de vader de studiekosten van de dochter kan financieren. Op 15 mei 2019 heeft de vader het formulier ‘personal sponsor support form’ van de universiteit ondertekend en verklaard dat hij bereid en in staat is om eiseres financieel te ondersteunen met de studiekosten.
Tot 19 september 2021 heeft de vader de studiekosten betaald, daarna is hij gestopt met betalen.
Bij kortgedingvonnis van 15 december 2021 (AUA202102231) heeft het Gerecht bepaald dat de vader de studiekosten zijnde het collegegeld van US$ 52.310,- per jaar en de huurkosten van US$ 2.000,- per maand op de gebruikelijke wijze zal blijven betalen gedurende het restant van de periode van de nominale studieduur van de door de dochter gevolgde studie.
De vader heeft vervolgens de studiekosten betaald tot de datum van de bestreden beschikking. De laatste betaling dateert van 5 september 2023.
In februari 2022 is de dochter het slachtoffer geweest van een zedenmisdrijf.
Bij brief van 6 oktober 2023 heeft de universiteit bevestigd dat de dochter een ‘leave of absence’ heeft gehad van spring 2022-fall 2022 en dat zij vanaf spring 2023 haar studie heeft hervat. In de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde Account Activity staat vermeld dat de dochter in maart 2022 “leave of absence” heeft aangevraagd.
3. De procedure bij het Gerecht
De dochter heeft verzocht de vader te veroordelen tot betaling van studiekosten en levensonderhoud (gelijk aan het bedrag voor room and board). Het Gerecht heeft het verzoek afgewezen omdat het ervoor moet worden gehouden dat de dochter gestopt is met de studie.
4. De beoordeling
Op grond van art. 1:395a lid 1 BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt. Lid 3 bepaalt dat indien aannemelijk is dat een studie die het kind volgt niet voor het bereiken van de leeftijd van 21 jaren kan zijn voltooid, de ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie totdat de studie redelijkerwijs kan zijn voltooid, maar uiterlijk totdat het kind de leeftijd van vijfentwintig jaren heeft bereikt.
De dochter heeft haar verzoek in hoger beroep verminderd in die zin dat zij alleen nog betaling van de studiekosten verzoekt over de periode juni 2024 tot en met mei 2025.
De dochter is toen zij 19 jaar was begonnen met een vierjarige acteeropleiding, die zij niet voor het bereiken van de leeftijd van 21 jaar kon hebben voltooid. In beginsel zijn de ouders dus verplicht om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie totdat de studie redelijkerwijs kan zijn voltooid.
Ten aanzien van de betwisting door de vader dat de dochter daadwerkelijk studeert overweegt het Hof als volgt. Uit de door de dochter als productie 8 bij beroepschrift overgelegde brief van de universiteit volgt genoegzaam dat de dochter in januari 2023, na afwezigheid van bijna een jaar met toestemming van de universiteit, haar studie heeft hervat. Uit de door de dochter als productie 9 bij beroepschrift overgelegde e-mails volgt genoegzaam dat de dochter tot en met december 2023 ook daadwerkelijk vakken heeft gevolgd. De dochter heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een toelichting gegeven over het verloop van de studie. Zij heeft gesteld dat zij vijf vakken volgt en het maximaal aantal lessen neemt omdat zij ernaar streeft in mei 2025 af te studeren. Ook gedurende aankomende zomer zal zij daartoe lessen volgen. Deze studie volgt zij met het doel om zich vervolgens op haar acteercarrière te richten.
De vader heeft hiertegenover zijn stelling dat de dochter weliswaar staat ingeschreven op de universiteit, maar niet daadwerkelijk studeert omdat zij alleen de hoognodige vakken volgt om haar green card te verkrijgen, niet nader concreet onderbouwd. Het Hof gaat er bij de verdere beoordeling dan ook van uit dat de dochter vanaf 1 januari 2023 haar studie aan de universiteit heeft hervat. De door de vader overgelegde whatsappberichten van de dochter van februari 2021 doen hier, gelet op het tijdsverloop, niet aan af.
Dat het collegegeld US$ 52.310,- per jaar bedraagt is tussen partijen niet in geschil. Rekening houdend met de studielening van US$ 17.000,- die de dochter naar evenmin in geschil is ontvangt, heeft de dochter nog behoefte aan (52.310 -17.000 =) US$ 35.310,- per jaar aan studiekosten. Per maand betreft het een bedrag van US$ 2.942,50.
De vader stelt dat bij de bepaling van de behoefte van de dochter rekening moet worden gehouden met haar eigen inkomsten die zij geniet als content creator op social media platforms. Gelet op het aantal volgers kan de dochter aanzienlijke bedragen verdienen via verschillende inkomstenbronnen, waaronder merkpartnerschappen, gesponsorde berichten en andere vormen. Daarnaast is zij actief op verschillende andere platforms zoals Apple en Amazon waar zij een percentage ontvangt van alle goederen die via haar Apple- en Amazonpagina worden verkocht. Ook is zij actief op Onlyfans waar zij exclusieve inhoud aanbiedt aan haar abonnees. Haar vermogen wordt geschat op tussen de US$ 100.000,- en US$ 1 miljoen, aldus de vader.
De dochter heeft deze stellingen van de vader gemotiveerd betwist. Zij stelt dat een macro influencer niet automatisch veel geld verdient. De hoeveelheid volgers, waar de vader naar verwijst, geeft alleen de mogelijkheid aan om een bepaald bedrag te verdienen, maar niet de werkelijke verdiensten. Nadat TikTok door de overheid van de Verenigde Staten onder intensief toezicht is gesteld werd het moeilijk voor influencers, zoals de dochter, om geld te verdienen. Alleen uit Onlyfans verdient de dochter echt een inkomen. Onder verwijzing naar door haar overgelegde statements van Onlyfans met een toelichting daarop stelt de dochter dat zij hiermee maandelijks US$ 9.800,- verdient. Haar onkosten bedragen US$ 8.000,- per maand. Op grond hiervan stelt de dochter dat zij wel in haar levensonderhoud kan voorzien maar niet daarnaast ook de studiekosten kan betalen.
Op grond van artikel 1:392 BW in verbinding met artikel 1:395a BW, geldt de onderhoudsplicht van ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen ongeacht hun behoeftigheid. Aan jongmeerderjarige kinderen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar dan wel 25 jaar (ingeval de studie niet eerder kan worden voltooid)) kan, met andere woorden, niet de eis worden gesteld dat zij in hun eigen onderhoud dienen te voorzien. Op de jongmeerderjarige rust geen verplichting om zijn of haar verdiencapaciteit te benutten. Daarnaast is er ook niet de verplichting om (bestaande) mogelijkheden, door middel van een (bij)baantje een eigen inkomen te verwerven, te benutten. Dat betekent echter niet dat eigen inkomsten van de jongmeerderjarige geen invloed kunnen hebben op de alimentatie. Deze inkomsten zijn immers wel van belang voor de omvang van de behoefte van de jongmeerderjarige aan een onderhoudsbijdrage. Structurele eigen inkomsten van een jongmeerderjarige kunnen de behoefte verlagen (vgl. Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; 21 december 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10861).
Het Hof acht met de onderbouwing door de dochter genoegzaam aangetoond dat zij US$ 1.800,- per maand overhoudt. De door de vader in het geding gebrachte producties zijn door de dochter gemotiveerd bestreden en leiden niet tot een ander oordeel.
Alvorens verdere beslissingen te nemen behoeft het Hof nadere inlichtingen met betrekking tot de draagkracht van de moeder. De zaak wordt hiertoe naar de rol verwezen voor akte zijdens de moeder. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING:
het Hof:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 oktober 2024 voor akte uitlating als bedoeld onder 4.11;
bepaalt dat de vader en de dochter vervolgens de gelegenheid krijgen voor het nemen van een antwoordakte;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van de Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 30 juli 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.