GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking in de zaak van:
de erfgenamen van wijlen [overledene]:
1. [Appellant 1], de weduwe, en de kinderen:
2. [Appellant 2],
3. [Appellant 3],
4. [Appellant 4],
allen wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk verweersters, thans appellanten,
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,
tegen
[geїntimeerde],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als de erfgenamen respectievelijk [geїntimeerde].
1. Het verdere verloop van de procedure
Voor het procesverloop tot aan 6 december 2022 verwijst het Hof naar zijn beschikking van die datum (hierna: de tussenbeschikking), waarvan de inhoud geldt als hier herhaald en ingelast.
geїntimeerde] heeft op 18 april 2023 een akte met producties genomen. De erfgenamen hebben op 19 september 2023 een antwoordakte met een productie ingediend. [geïntimeerde] heeft op 11 december 2023 een akte uitlating producties ingediend.
Bij e-mail van 17 januari 2024 heeft de griffie van het Hof partijen meegedeeld dat twee rechters de uitspraak niet kunnen meewijzen, dat het Hof voornemens is om twee andere Hofrechters hun plaats in de zaakscombinatie te laten innemen en dat het Hof er zonder tegenbericht binnen twee weken van uit gaat dat partijen ermee instemmen dat de gewijzigde combinatie een uitspraak doet. Het Hof heeft van partijen geen tegenbericht ontvangen.
Beschikking is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Deze uitspraak wordt gedaan in een gewijzigde combinatie.
Bij tussenbeschikking van 25 januari 2018 heeft het Gerecht [geїntimeerde] toestemming gegeven om de grafkelder van [overledene] te roeren, teneinde hem in de gelegenheid te stellen middels afname van DNA-materiaal vast te (laten) stellen of er bloedverwantschap bestaat tussen hem en de overledene. Deze zaak betreft een tussentijds appel van de erfgenamen tegen die tussenbeschikking, omdat zij zich destijds verzetten tegen de roering van het graf. Het Hof heeft op 29 juni 2021, 22 februari 2022 en 6 december 2022 tussenvonnissen gewezen.
De erfgenamen hebben inmiddels in hun laatste antwoordakte houdende uitlating van 19 september 2022 aangegeven niet langer bezwaar te maken tegen de (hernieuwde) roering van het graf, mits er aan de onderzoeks-en bewaarprotocollen wordt voldaan en het materiaal dat is afgenomen en resteert wordt teruggezet in het graf van de erflater.
geїntimeerde] stelt dat de erfgenamen gelet hierop geen belang meer hebben bij het hoger beroep en dat de zaak terug dient te worden gewezen naar het Gerecht.
Nu de erfgenamen niet langer bezwaar maken tegen de (hernieuwde) roering van het graf zal het Hof de bestreden tussenbeschikking van het Gerecht van 25 januari 2018 bevestigen. De erfgenamen hebben op de vraag van het Hof aangegeven ermee akkoord te gaan dat het Hof de zaak verder afdoet nadat er nieuw DNA-materiaal is afgenomen. [geїntimeerde] heeft primair gesteld dat de zaak terug dient te worden gewezen naar het Gerecht. Bij deze stand van zaken en omdat het Hof het niet wenselijk acht dat partijen een instantie verliezen ten aanzien van de uiteindelijke beoordeling van het vaderschap, zal het Hof de zaak terugwijzen naar het Gerecht ter verdere afdoening.
De erfgenamen worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het tussentijds appel.
3. Beslissing
Het Hof:
bevestigt de tussenbeschikking van het Gerecht van 25 januari 2018;
wijst de zaak terug naar het Gerecht ter verdere afdoening;
veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten van het tussentijds appel aan de zijde van [geїntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2024 in Curacao, in tegenwoordigheid van de griffier.