Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: CUR202201949 – CUR2022H00296
Uitspraak: 30 juli 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS IN KORT GEDING
In de zaak van:
KEY IN INVESTMENTS B.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. Th. Aardenburg en E.G.I. van der Plank,
tegen
[Geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.C.G.G. van Hoek.
De partijen worden hierna Key In respectievelijk [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
Voor het procesverloop tot aan 23 januari 2024 verwijst het Hof naar zijn vonnis van die datum waarvan de inhoud geldt als hier herhaald en ingelast.
Op 21 mei 2024 hebben partijen ieder een akte uitlating genomen. Key In heeft daarbij producties overgelegd. [geïntimeerde] heeft op 18 juni 2024 een akte uitlating producties ingediend.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
Het Hof heeft in voormeld tussenvonnis onder meer als volgt overwogen:
Key In heeft bij pleidooi gesteld dat zij op 7 december 2022 een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt en dat partijen tijdens een op 21 april 2023 gehouden comparitie van partijen een regeling hebben getroffen, die in een vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. [geïntimeerde] is eenzijdig teruggekomen van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken, waarna Key In de bodemrechter heeft verzocht om vonnis te wijzen. Key In heeft verzocht om de uitspraak in deze zaak aan te houden tot nadat de bodemrechter vonnis heeft gewezen.
Het Hof heeft ambtshalve kennis genomen van voornoemd vonnis. Het Gerecht heeft overwogen dat de vaststellingsovereenkomst onmiskenbaar een alles omvattende regeling inhoudt voor beëindiging van het geschil tussen partijen. Nu partijen uitdrukkelijk ontbinding van de vaststellingsovereenkomst hebben uitgesloten leidt dit ertoe dat [geïntimeerde] gebonden is aan hetgeen partijen daarin zijn overeengekomen. Het Gerecht heeft [geïntimeerde] op grond van de vaststellingsovereenkomst veroordeeld tot betaling aan Key In van een bedrag van NAf 30.000,- en de proceskosten gecompenseerd.
Het Hof dient als kortgedingrechter in beginsel zijn uitspraak af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter (ECLI:NL:HR:2020:806). De zaak wordt naar de rol verwezen zodat partijen zich hierover kunnen uitlaten.
In voormelde bodemprocedure vorderde Key In in conventie de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van NAf 59.408. In reconventie vorderde [geïntimeerde] schadevergoeding en boetes. Hoewel de vorderingen niet helemaal overeenkomen met de vorderingen over en weer in onderhavige zaak, gaat het om dezelfde rechtsverhouding tussen dezelfde partijen als in de bodemzaak.
Zoals reeds overwogen dient de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, in beginsel zijn uitspraak af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter. Dit is ongeacht of dit oordeel is gegeven in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit zal het geval kunnen zijn indien de uitspraak van de civiele bodemrechter op een evidente misslag berust of indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, als hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Het hof dient in dit kort geding de zaak te beoordelen met inachtneming van de hiervoor weergegeven afstemmingsregel.
Dat [geïntimeerde] tegen het vonnis in de bodemzaak hoger beroep heeft ingesteld maakt gelet op het voorgaande voor de toepassing van de afstemmingsregel geen verschil.
Niet gebleken is dat de uitspraak van de bodemrechter op een evidente misslag berust of dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als hiervoor bedoeld. De stelling van [geïntimeerde] dat de bodemrechter feitelijk geen oordeel heeft gegeven over de vorderingen van Key In tot betaling van meerwerk noch over de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding en verbeurde boetes staat evenmin in de weg aan toepassing van de afstemmingsregel. Het Gerecht heeft immers uitdrukkelijk overwogen dat de vaststellingsovereenkomst onmiskenbaar een alles omvattende regeling inhoudt voor de beëindiging van het geschil tussen partijen. Dat is een overweging waarop het Hof zijn beslissing in dit kort geding dient af te stemmen. Die overweging heeft geleid tot een veroordeling tot betaling. Ook op die beslissing van het Gerecht in de bodemzaak dient het Hof zijn beslissing in dit kort geding af te stemmen.
Die afstemming brengt, gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en het vonnis van de bodemrechter, mee dat aan Key In in elk geval nu geen beroep meer toekomt op enig retentierecht.
Ook ten tijde van het bestreden vonnis kwam aan Key In geen beroep toe op het retentierecht. Het Hof verenigt zich met de belangenafweging die het Gerecht onder 4.3 van het bestreden vonnis heeft gemaakt en met het daarop gebaseerde oordeel dat ook toen aan Key In geen retentierecht toekwam. Hieraan doet niet af dat uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat [geïntimeerde] ten tijde van het bestreden vonnis een geldbedrag aan Key In verschuldigd was.
De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bevestigen en Key In als de in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de proceskosten.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis,
veroordeelt Key In in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 411,48 aan verschotten en NAf 8.750,00 aan gemachtigdensalaris,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juli 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.