Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: CUR202101714 – CUR2023H00064
Uitspraak: 29 oktober 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
In de zaak van:
1. [appellant 1],
wonende in [woonplaats 1],
2. [appellant 2],
wonende in [woonplaats 2],
3. [appellant 3],
wonende in [woonplaats 3],
4. [appellant 4],
wonende in [woonplaats 4]
5. [appellant 5],
wonende in [woonplaats 5],
oorspronkelijk eisers in conventie, verweerders in reconventie,
thans appellanten,
gemachtigde: mr. S.K. Snel,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
1. Het verloop van de procedure
wonende in [woonplaats 6],
2. [geïntimeerde 2],
wonende in [woonplaats 7],
oorspronkelijk gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. C.A. Peterson.
De partijen worden hierna [appellanten], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de verkoop van aandelen in een onverdeelde nalatenschap. Het Gerecht heeft de vordering van appellanten in eerste aanleg tot nietigverklaring van de koopovereenkomsten afgewezen. Het Hof beoordeelt de zaak opnieuw en komt tot dezelfde beslissing.
Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 30 januari 2023 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 19 december 2022 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, hierna: het Gerecht.
Bij memorie van grieven met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2023, hebben [appellanten] bezwaren tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de onderhandse koopovereenkomsten d.d. 24 mei 1995 nietig zal verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten.
geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben op 10 mei 2023 een memorie van antwoord ingediend waarbij zij de bezwaren hebben bestreden en hebben geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep.
Op 24 oktober 2023 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
appellanten] zijn erfgenamen van wijlen [overledene 1] en haar broer broer van overledene 1] (hierna: [overledene 1] en [broer van overledene 1]).
overledene 1] en [broer van overledene 1] waren bij leven deelgenoten in de onverdeelde nalatenschap van wijlen [erflater], overleden te [eiland] op [overlijdensdatum] 1863. Die nalatenschap bestaat uit de onroerende zaak Zee- en Landzicht te Curaçao, een terrein met een grootte van 468.300 m2 (hierna: de onroerende zaak).
Tussen [geїntimeerde 1] en [overledene 1] en tussen [geїntimeerde 2] en [broer van overledene 1] zijn op 24 mei 1995 gelijkluidende koopovereenkomsten gesloten, waarbij [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] als kopers en [overledene 1] en [broer van overledene 1] als verkopers zijn opgetreden.
Het betrof de verkoop van “het gehele onverdeelde aandeel van verkoper in de nalatenschap van [erflater]”. De overeenkomsten luiden voor zover relevant als volgt:
“(…)
IN AANMERKING NEMENDE:
dat op [overlijdensdatum] 1863 te [eiland], zijn laatste woonplaats, is overleden de heer [erflater], geboren te Curaçao, op [geboortedatum] 1795, hierna ook te noemen “erflater”;
dat verkoper er voor in staat, dat tot de nalatenschap van erflater slechts behoren: een perceel grond, plaatselijk bekend als PLANTAGE ZEE EN LANDZICHT, gelegen in het bovenkwartier te Curaçao, de opbrengsten uit het beheer van dat perceel en een schuld aan de Ontvanger van het Eilandgebied Curaçao in verband met de over dat perceel verschuldigde grondbelasting;
VERKLAREN DAT:
Verkoper heeft verkocht en zal overdragen aan koper, die van verkoper heeft gekocht en zal aanvaarden, het gehele onverdeelde aandeel van verkoper in de nalatenschap van erflater.
Deze overeenkomst van verkoop en koop is geschied voor de koopsom van NAf 50.000,= (zegge: vijftigduizend gulden Nederlands Antilliaans courant).
ONDERGETEKENDE VERKLAREN VOORTS DAT:
deze overeenkomst is geschied onder de navolgende bepalingen:
1. Verkoper garandeert aan koper dat door hem gemeld onverdeeld aandeel in de nalatenschap van erflater niet is verkocht of op andere wijze vervreemd is aan derden, dat de nalatenschap van erflater uit niets anders bestaat dan uit de bovenstaande vermogensbestanddelen en dat hij geen goederen tot die nalatenschap behorende heeft verkocht of tot zich heeft genomen, noch daartoe behorende schulden heeft voldaan, alsmede dat aan hem geen andere tot de onderhavige nalatenschap behorende schulden dan de bovengemelde bekend zijn en dat, indien meer schulden dan de hiervoor genoemde schulden, ten laste van de nalatenschap mochten blijken te bestaan, de helft daarvan ten laste van de verkoper zal zijn en door hem zal worden betaald.
De verkoper verleent slechts vrijwaring voor zijn hoedanigheid van gerechtigde tot de onverdeeldheid ontstaan door het overlijden van erflater voor minimaal een/driehonderdste (1/300) onverdeeld aandeel daarvan en voor het feit dat de hiervoor omschreven goederen en schulden deel uitmaken van de onverdeeldheid ontstaan door het overlijden van erflater.
2. De baten en de lasten met betrekking tot het gekochte komen vanaf heden voor rekening van de koper. Met ingang van heden behoort het gekochte in economische zin aan de koper.
3. De verkoper neemt voor zijn rekening de verschuldigde successiebelasting terzake van zijn erfrechtelijke verkrijging.
4. De koper neemt voor zijn rekening en zal als eigen schuld voldoen het ten laste van de verkoper zijnde aandeel in de hiervoor omschreven schulden.
5. Partijen doen afstand van hun eventuele rechten ontbinding of vernietiging van deze overeenkomst te vorderen. Dit lijdt ten opzichte van de koper uitzondering, indien en voor zover door de verkoper terzake garantie is verstrekt of de opgave door de verkoper niet te goeder trouw is geschied.
6. Alle kosten om deze akte en die der eventuele kennisgevingen en betekeningen aan de medegerechtigden in de nalatenschap van erflater zijn voor rekening van de koper.
De verkoper verklaart tenslotte voor zoveel nodig aan de koper onherroepelijk volmacht te verlenen – welke volmacht deel uitmaakt van deze overeenkomst, zodat zij niet op een der in de wet gestelde wijzen teniet zal gaan – om:
I. voor en namens hem de scheiding en deling van de onderhavige nalatenschap mede tot stand te brengen en daartoe, zo nodig, in te stellen de actie tot scheiding en deling en alle betekeningen en kennisgevingen te (doen) verrichten en voorts al datgene te doen wat de koper te dezer zake nodig of nuttig mocht achten;
II. voor en namens hem het gekochte te leveren aan koper en de daarvan op te maken akte en alle andere daarmee verbandhoudende stukken te tekenen.
(…)”
broer van overledene 1] heeft aan [overledene 1] last gegeven om onder meer alle overeenkomsten aan te gaan die daden van beheer betreffen.
In het dossier bevindt zich een cheque ten bedrage van NAf 50.000,- ten behoeve van [overledene 1], met daarop handgeschreven:
26/5/95
Voor ontvangst
en kwijting ex
overeenkomst, gedateerd
24/5/95
[naam]
In het dossier bevindt zich een cheque ten bedrage van NAf 50.000,- ten behoeve van [broer van overledene 1], met daarop handgeschreven:
29/5/95
Voor ontvangst
en kwijting ex
overeenkomst, gedateerd
24/5/95
[naam]
Voor het Gemeenschappelijk Hof is onder zaaknummer CUR2017H00221 een verdelingszaak aanhangig met betrekking tot de nalatenschap van [erflater]. Bij tussenvonnis van 1 juni 2021 heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:
“Deelgenootschap [geїntimeerden]
personen] (conclusie na deskundigenbericht, onder 9) trekken in twijfel of [geїntimeerden] deelgenoten zijn. [geїntimeerden] hebben gesteld van een deelgenoot diens aandeel gekocht te hebben (hetgeen tot verkrijging kan leiden: artikel 3:191 lid 1 BW). Maar is dat aandeel ook aan hen overgedragen via notariële akte en inschrijving in de openbare registers (artikel 3:89 BW jo artikel 3:96 BW)?
Zo niet, dan kan overdracht in beginsel alsnog geschieden en het Hof zal vooralsnog [geїntimeerden] aanmerken als (gezamenlijke) deelgenoot.”
3. De beoordeling
Vorderingen in conventie en in reconventie
In deze rechtszaak hebben [appellanten] in eerste aanleg in conventie gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dat:
a. Na de bovenvermelde uiteenzetting van het erfrechtelijke geschil dat veroorzaakt is door de onderhandse koopovereenkomsten op grond van de reeds vermelde rechtsoverwegingen en de navolgende wetsartikelen voor recht te verklaren dat de betreffende onderhandse koopovereenkomsten nietig c.q. vernietigbaar zijn.
Conform artikel 4:4 BW voor recht te verklaren dat de onderhandse koopovereenkomsten nietig zijn daar zij verricht zijn voordat de verklaring van erfrecht van de nalatenschap van [erflater] tot stand is gekomen. Deze handelingen hebben de bedoeling [[appellanten]] te verhinderen in hun vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen welke hen krachten het erfrecht met betrekking tot de nalatenschap van [erflater] toekomen.
[[appellanten]] conform artikel 4:183 BW de erfdelen van [[overledene 1]] en [[broer van overledene 1]] kunnen opvorderen van iedere derden, i.c. [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] omdat zij deze erfdelen (onroerende zaken) zonder recht houden, zoals herhaaldelijk door hen gesteld wordt.
[[appellanten]] de enige wettige erfgenamen zijn van [overledene 1] en [[broer van overledene 1], en dan ook op grond van de volgende wetsbepalingen:
- Artikel 4:10 lid 3 BW waarin wordt bepaald dat zij de erfgenamen zijn omdat zij een familierechtelijke betrekking hebben met de erflater [erflater];
- Artikel 4:10 lid 1 sub a jo artikel 4:10 lid 2 BW op grond waarvan [[appellanten] na het overlijden van hun moeder en oom, [[overledene 1]] en [[broer van overledene 1]], de wettige erfgenamen zijn geworden van [erflater];
- Artikel 4:182 BW waarin wordt bepaald dat erfgenamen niet worden aangesteld middels onderhandse akten. Hierdoor is deelgenootschap van [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] middels verkrijging onterecht;
- Artikel 4: 187 BW op grond waarvan [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] te kwader trouw zijn doordat zij geen verklaring van erfrecht noch een verdelingslijst hebben geraadpleegd;
- Artikel 4:182-189 BW op grond waarvan het erfrecht van [[appellanten]] geschonden wordt daar deze algemene bepalingen inzake de erfopvolging niet in acht zijn genomen.
[geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] worden veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure en eventuele gevolmachtigde.”
geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] hebben in reconventie veroordeling gevorderd van [appellanten] om te verschijnen ten kantore van een door [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] aangewezen notaris en hun volle medewerking te verlenen aan het verlijden van de door deze notaris op te stellen/opgestelde notariële akte tot overdracht en inschrijving in de openbare registers van de van [overledene 1] en [broer van overledene 1] gekochte erfdelen in de nalatenschap van wijlen [erflater], onder oplegging van een dwangsom, dan wel dat het Gerecht zal bepalen dat het in deze te geven vonnis zal kunnen dienen ter vervanging daarvan, met veroordeling van [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
Beslissingen van het Gerecht
Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hun veroordeeld in de proceskosten.
Beoordeling in hoger beroep
Voeging
Het Hof gaat voorbij aan de mededeling van [appellanten] dat een aantal deelgenoten in de nalatenschap zich in dit geding wensen te voegen “ofschoon het beginsel van processueel ondeelbare rechtsverhouding niet is toegepast (..)”. De betreffende deelgenoten hebben namelijk niet zelf een verzoek tot voeging ingediend. Ook betreft het hier geen verdelingszaak waarbij alle deelgenoten dienen te worden opgeroepen, zoals [appellanten] kennelijk menen.
[overledene 1] en [broer van overledene 1] mochten over hun aandeel in de nalatenschap beschikken
appellanten] hebben niet betwist dat de nalatenschap van [erflater] enkel bestaat uit de plantagegronden. Het Hof neemt dat dan ook als vaststaand aan. Ook staat vast dat [overledene 1] en [broer van overledene 1] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomsten deelgenoten waren in die nalatenschap. Op grond van artikel 3:191 lid 1 BW kan ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap beschikken en kunnen zijn schuldeisers een zodanig aandeel uitwinnen, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit. De hoofdregel is dus dat de deelgenoten zelfstandig over hun aandeel kunnen beschikken c.q. hun aandeel kunnen uitwinnen.
Door de beschikking over een aandeel wordt een deelgenoot vervangen. Diens positie wordt dan uitgeoefend door een ander. Van een verandering in de onderlinge rechtsverhoudingen dan wel bevoordeling van de kopers, zoals [appellanten] stellen, is dus niet zonder meer sprake. Tegen deze achtergrond hebben [appellanten] de door hun gestelde benadeling niet voldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de in art. 3:191 lid 1 BW genoemde uitzondering geldt het volgende. De daar bedoelde rechtsverhouding wordt bepaald door de aard van de gemeenschap, eventuele afspraken tussen partijen en de redelijkheid en billijkheid.
De nalatenschap waartoe meerdere erfgenamen die in familieverband tot elkaar staan zijn gerechtigd, vormt op zichzelf niet een rechtsverhouding waaruit een beperking tot beschikking voortvloeit. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat het enkele feit dat het een nalatenschap betreft een beroep op de uitzondering van art. 3:191 lid 1 BW rechtvaardigt, wordt dat dus verworpen.
[appellanten] hebben niet onderbouwd dat er afspraken bestaan die meebrengen dat de deelgenoten niet over hun aandeel in de gemeenschap kunnen beschikken. Dat de verkoop van de onverdeelde aandelen in de nalatenschap de afwikkeling ervan bemoeilijkt is niet aannemelijk geworden; het is immers bekend aan wie de aandelen zijn verkocht. Ook hebben [appellanten] geen bijzondere omstandigheden – anders dan dat de deelgenoten in familieverband tot elkaar staan - aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan het beschikken over het aandeel in de gemeenschap van [erflater] en dus een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigt.
De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat [overledene 1] en [broer van overledene 1] hun aandelen in de gemeenschap mochten verkopen.
De koopovereenkomsten zijn niet nietig of vernietigbaar
Vervolgens is aan de orde de vraag of de door [overledene 1] en [broer van overledene 1] gesloten koopovereenkomsten (hierna: de koopovereenkomsten) nietig of vernietigbaar zijn. [appellanten] hebben aan hun beroep op nietigheid dan wel vernietigbaarheid naar het Hof begrijpt het volgende ten grondslag gelegd:
[overledene 1] en [broer van overledene 1] waren beschikkingsonbevoegd omdat zij de koopovereenkomsten zijn aangegaan zonder toestemming van de overige deelgenoten en omdat er geen verklaring van erfrecht en verdelingslijst bestond. Er is strijd met art. 4:195-198 BW;
art. 4:4 BW;
tussen [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] en [erflater] bestaat geen erfrechtelijke band;
e koopovereenkomsten hebben grovelijke benadeling van [appellanten] tot gevolg;
[overledene 1] had al bezitsdaden gepleegd, namelijk het plaatsen van een omheining op een stuk grond, die zij na de koopovereenkomst niet heeft verwijderd;
de koopovereenkomsten moeten gezien worden als een poging tot verdeling van de nalatenschap van [erflater].
Beschikkingsonbevoegdheid heeft geen nietigheid van de koopovereenkomsten tot gevolg. Het zou er hoogstens toe leiden dat geen rechtsgeldige levering tot stand kan komen, behoudens de uitzondering van art. 3:86 BW. Afgezien daarvan geldt dat [overledene 1] en [broer van overledene 1] geen toestemming van de overige deelgenoten nodig hadden om hun aandeel in de nalatenschap van [erflater] te verkopen. Evenmin was daarvoor een verklaring van erfrecht en verdelingslijst nodig. In zoverre leidt het ontbreken daarvan dus niet tot beschikkingsonbevoegdheid van [overledene 1] en [broer van overledene 1]. Het gaat immers niet om een verdeling van de nalatenschap maar om het verkopen van een aandeel in de onverdeelde nalatenschap door een daartoe bevoegd persoon. Strijd met de artt. 4:195-198 is niet onderbouwd.
Ingevolge art. 4:4 lid 1 BW is een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling nietig, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens boek 4 BW met betrekking tot die nalatenschap toekomen. Lid 2 bepaalt dat overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan nietig zijn. In deze zaak gaat het om het beschikken over een aandeel in de nalatenschap na het openvallen daarvan. De koopovereenkomsten dateren immers van na het overlijden van [erflater]. Er is dus geen sprake van voor het openvallen van de nalatenschap verrichte rechtshandelingen.
De onder 3.7 sub c tot en met f aangevoerde gronden leiden, indien al juist, niet tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de koopovereenkomsten. Niet vereist is dat tussen de koper van een aandeel in een nalatenschap en de erflater een erfrechtelijke band bestaat. Dat [overledene 1] bezitsdaden heeft gepleegd voordat zij overging tot verkoop van haar aandeel en daarna die bezitsdaden heeft gehandhaafd maakt die verkoop niet nietig. Mogelijk is immers dat zij van gedachten is veranderd. De koopovereenkomsten hebben -na levering- tot gevolg dat [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] de positie van [overledene 1] en [broer van overledene 1] als deelgenoten hebben overgenomen en dus betrokken moeten worden bij de verdeling, zoals het Hof bij tussenvonnis van 1 juni 2021 heeft beslist (zie hiervoor r.o.v. 2.8).
appellanten] hebben verder aangevoerd dat de koopovereenkomsten enkele feitelijke onjuistheden bevatten, te weten:
er waren geen openstaande schulden aan de Ontvanger;
de koopovereenkomsten bepalen ten onrechte dat het aandeel van [overledene 1] en [broer van overledene 1] minimaal 1/300ste deel bedraagt van de nalatenschap. Het was onmogelijk om de grootte van de aanspraken te bepalen;
artikel 1 van de koopovereenkomsten gaat er ten onrechte vanuit dat [overledene 1] en [broer van overledene 1] het beheer over de plantage hadden.
geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] hebben genoegzaam onderbouwd dat er wel sprake was van belastingschulden. Ook hebben zij gemotiveerd onderbouwd hoe de aandelen zijn berekend op minimaal 1/300ste deel en betoogd dat inmiddels is gebleken dat de aandelen 1/10e deel bedragen, dus meer dan 1/300ste. [appellanten] hebben dit niet gemotiveerd betwist. Uit artikel 1 van de koopovereenkomsten valt niet af te leiden dat [overledene 1] en [broer van overledene 1] het beheer over de plantage hadden.
Los van het voorgaande geldt ten slotte dat indien al sprake is van feitelijke onjuistheden, dat zonder nadere onderbouwing niet zonder meer leidt tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de koopovereenkomsten.
Het beroep van [appellanten] bij pleidooi op misbruik van omstandigheden is tardief en zal worden gepasseerd.
Echtheid handtekeningen
appellanten] stellen de authenticiteit van de handtekening van [overledene 1] onder de koopovereenkomsten zeer te betwijfelen omdat geen kopie van haar identiteitskaart bij de koopovereenkomsten is gevoegd en niet alle pagina’s van de koopovereenkomsten door [overledene 1] zijn geparafeerd.
appellanten] stellen dus niet zonder meer dat de handtekening niet van [overledene 1] is, maar – zo begrijpt het Hof – dat uit de overgelegde stukken de personalia van [overledene 1] en [broer van overledene 1] niet kunnen worden bevestigd en dat daarom niet geverifieerd kan worden of de handtekening van [overledene 1] is. Dat is niet een stellige ontkenning in de zin van artikel 138 lid 2 Rv, zodat de koopovereenkomsten in beginsel dwingende bewijskracht hebben. Daar komt nog bij dat [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] onder verwijzing naar de als productie overgelegde koopovereenkomsten stellen dat alle pagina’s van de koopovereenkomsten een paraaf van [overledene 1] bevatten. Op de koopovereenkomsten is inderdaad op alle pagina’s twee parafen te zien. [appellanten] hebben niet betwist dat één van die parafen van [overledene 1] is. Het Hof gaat daar dan ook van uit. [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] hebben verder gesteld dat hun gemachtigde ten tijde van de ondertekening van de koopovereenkomsten de identiteit van [overledene 1], die krachtens volmacht ook namens [broer van overledene 1] handelde, heeft gecontroleerd voordat [overledene 1] in aanwezigheid van de gemachtigde en een kantoorgenoot de koopovereenkomsten ondertekende. Ook bij de inning van de door [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] betaalde koopsommen bij de bank werd de identiteit van [overledene 1] geverifieerd. [appellanten] hebben hiertegenover hun stelling dat getwijfeld moet worden aan de echtheid van de handtekening van [overledene 1] en hun stelling dat [overledene 1] de cheques niet heeft geïnd onvoldoende onderbouwd.
De conclusie uit het voorgaande is dat de koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn en de handtekening van [overledene 1] bevatten.
Bewijskracht koopakten
Op grond van art. 136 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt verstaan: de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht verkregen is na het opmaken van de akte.
Ingevolge voormeld artikel leveren de koopovereenkomsten dus dwingend bewijs op van de verkoop van de aandelen van [overledene 1] en [broer van overledene 1] in de onverdeelde nalatenschap van [erflater] aan [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] tegen een koopsom van NAf 50.000,- voor ieder aandeel. Anders dan [appellanten] menen gaat de in art. 136 lid 2 Rv genoemde uitzondering in dit geval niet op. Rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan hebben in het algemeen betrekking op burgerlijke rechten ten aanzien waarvan een partij niet de vrije keuze heeft om ze al dan niet te handhaven. Het aangaan van een koopovereenkomst met betrekking tot een aandeel in een nalatenschap valt daar niet onder.
De dwingende bewijskracht geldt ook ten aanzien van [appellanten] als rechtverkrijgenden van [overledene 1] en [broer van overledene 1] onder algemene titel. [appellanten] hebben geen tegenbewijs aangeboden en het Hof ziet geen aanleiding hen ambtshalve tot tegenbewijs toe te laten.
Slotsom
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd. [appellanten] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geїntimeerde 1] en [geїntimeerde 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 413,50 aan verschotten en NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curacao uitgesproken op 29 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.