Burgerlijke zaken over 2024
Uitspraak: 18 juni 2024
Zaaknr.: CUR202204493-CUR2023H00293
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg belanghebbende,
thans appellante,
hierna te noemen: de moeder,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
betreffende de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige),
belanghebbende: [de vader],
hierna te noemen: de vader.
1. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 20 september 2023 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
De moeder is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 1 november 2023 van een beroepschrift, met producties.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 28 mei 2024 in het Kas di Korte. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De vader is in persoon verschenen. Verder waren bij de mondelinge behandeling aanwezig mevrouw [medewerker Voogdijraad] en mevrouw [gezinsvoogd] (gezinsvoogden) van de Gezinsvoogdij Instelling en mevrouw [medewerker Voogdijraad] van de Voogdijraad.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter met de minderjarige een kindgesprek gehouden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Uit een affectieve relatie tussen partijen is de minderjarige geboren.
Bij beschikking van 5 mei 2022 heeft het Gerecht de vader, bij gebreke van toestemming van de moeder, vervangende toestemming verleend om de minderjarige te erkennen. De vader heeft de minderjarige niet erkend.
De minderjarige woont bij de moeder samen met een jonger zusje.
Tussen partijen zijn andere zaken aanhangig met betrekking tot onder meer het gezag over de minderjarige en een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige. Bij beschikking van 28 oktober 2022 heeft het Gerecht in die zaken ten aanzien van de omgangsregeling onder meer als volgt overwogen:
9. Doel is omgang tussen de man en [minderjarige] waarbij [minderjarige] zich gelukkig en op haar gemak voelt. Dat moet de man ook willen. Hij ziet kennelijk niet in dat de kansen op een behoorlijke omgang stijgen als hij een gedragsverandering toont. Bij handhaving van zijn huidige opstelling acht het gerecht de kans klein dat er een omgangsregeling kan worden bepaald.
10. De man moet niet van het gerecht verwachten dat het een omgangsregeling vaststelt als [minderjarige] bang is voor de man (hij zou dit ook niet moeten willen). Wat er gebeuren moet, is dat die angst bij [minderjarige] wordt weggenomen. Enerzijds moet dat bereikt worden via de psychologische behandeling die [minderjarige] nu krijgt. Dit heeft tijd nodig, dat moet de man maar accepteren.
11. Anderzijds moet die angst worden weggenomen door gedragsverandering bij de man zelf. Daarvoor is hulpverlening aan hem nodig conform de voorstellen van de voogdijraad, zoals behandeling door dezelfde psycholoog die ook [minderjarige] behandelt – dit mede met als doel advisering inzake (de opbouw van) een omgangsregeling – en begeleiding waar het betreft zijn emotieregulatie, zodat hij zijn neiging tot agressiviteit onder controle kan houden (de noodzaak van deze hulp blijkt ook uit zijn gedrag ter zitting). Ook daarvoor is tijd nodig, maar hierop kan de man invloed uitoefenen door mee te werken.
De minderjarige is bij beschikking van het Gerecht van 14 december 2022 onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht in het kader van de ondertoezichtstelling een -stapsgewijs opgebouwde- omgangsregeling vastgesteld tussen de minderjarige en de vader.
Bij beschikking van 13 december 2023 heeft het Gerecht de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd en voormelde omgangsregeling uitgebreid. In de beschikking overweegt het Gerecht onder meer dat de gezinsvoogd zeer positief is over de vooruitgang die de moeder, de vader en in het bijzonder de minderjarige hebben geboekt, en over het verloop van de omgangsregeling.
De moeder stelt in het beroepsschrift en tijdens de mondelinge behandeling geen bezwaar te hebben tegen de (verlenging van de) ondertoezichtstelling en ook niet tegen de in de bestreden beschikking opgenomen omgangsregeling. Het hoger beroep richt zich ertegen dat het Gerecht in de bestreden beschikking bij de bepaling van de omgangsregeling niet als voorwaarde heeft gesteld dat de vader zich onder behandeling laat stellen van een psycholoog. Dit verhoudt zich, aldus de moeder, niet met wat het Gerecht in de beschikking van 28 oktober 2022 heeft overwogen (zie hiervoor onder 2.4). Het hoger beroep faalt op grond van het navolgende.
De in de bestreden beschikking opgenomen omgangsregeling is inmiddels achterhaald door de beschikking van 13 december 2023 waarbij de omgangsregeling is uitgebreid (zie hiervoor onder 2.7). Aan die omgangsregeling wordt inmiddels al een aantal maanden uitvoering gegeven en volgens de gezinsvoogden beleeft de minderjarige hier plezier aan; dit blijkt ook uit het kindgesprek. Het is aan de gezinsvoogden om dit traject verder te begeleiden en eventuele zich daarbij voordoende problemen op te lossen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gezinsvoogden in dit verband al aandacht hebben voor het traject van psychologische behandeling voor de vader en daarbij de nodige interventies doet. In december 2024 zal weer een evaluatie plaatsvinden door het Gerecht. Het Hof heeft hier dus verder geen rol in te vervullen.
Gelet op het voorgaande zal de bestreden beschikking worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Nu genoegzaam is gebleken dat de moeder niet in staat is de proceskosten te dragen zal haar toelating worden verleend om kosteloos te procederen.
BESLISSING:
Het Hof:
verleent de moeder toelating om kosteloos te procederen;
bevestigt de bestreden beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van de Bunt en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 18 juni 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.